Een leven lang in beweging

Een vliegende kraai vangt altijd wat

Als ‘Nederlands raarst rondswingende fotograaf’ moet hij een van de zichtbaarste personen van de protestgeneratie zijn geweest. Cor Jaring (1936-2013) stond overal vooraan, met zijn camera van nature gericht op de harde kant van de samenleving – de onderkant.

Medium roos3

Er gebeurt nooit meer wat in Amsterdam’, klaagde Cor Jaring in de krant. ‘Vroeger hadden we Provo en flower power. Vorig jaar niks. En dat Holland Festival ligt op zijn achterste. Dat is alleen nog maar voor een klein groepje mensen met zwarte jassen, glimmende revers en een strotstrikje. Daar heeft het volk niks aan.’

Het was voorjaar 1969, een zinderende zomer stond voor de deur, maar Cor Jaring verveelde zich. En met hem het hele Nederlandse volk, zo meende hij, en dus bedacht hij de Stichting Nieuw Wereldrecord. Amateur hink-stap-springers, kampioenen in kantklossen, mensen die op één been of zelfs op één vinger kunnen staan of die spijkers op laag water willen zoeken, Jaring wilde met een alternatief Holland Festival in het Vondelpark echte Hollanders een podium geven. Toeschouwers konden hier weer deelnemer worden en opgaan in hun eigen niche, zoals dat al jaren succesmateriaal voor zijn camera had opgeleverd.

In nog geen vijf jaar tijd had Jaring naam voor zichzelf gemaakt. Zijn wervelende foto’s van de happenings hadden de provobeweging haast van dag tot dag gedocumenteerd en wereldberoemd gemaakt. Gekleed in mooie pakken was hij al op reis geweest naar Rusland, Azië en Noord-Afrika. Nog geen jaar eerder publiceerde hij zelfs een schelmenroman, Je bent die je bent (en dat ben je), waarvan de presentatie in Scheltema begeleid ging door muziek van het Eksooties Kietsj Konservatooriejum en een inleiding van de hoofdredacteur van Het Algemeen Handelsblad, Henk Hofland. Het leven van Cor Jaring had zich verplaatst van het havengebied naar hartje centrum.

Cor Jaring werd in 1936 geboren op Wittenburg, aan het water dat zich uitstrekte tussen Kattenburg en Oostenburg. De haven noemde hij zijn academie, je kon er lekker rondzwerven en bietsen bij de havenarbeiders. De oorlog gold bovendien als vrijbrief om alles te stelen wat eetbaar of brandbaar was. Toen zijn moeder overleed en zijn vader niet meer ophield met drinken, lag de haven voor hem open. Hij groeide op tussen ‘de jongens’: ooms met cafés, Noren, Denen en Finnen van de schepen en in de winkel met tweedehands spullen van zijn vader, ‘Schele Willem koopt alles’, waar Jaring de vreemdste figuren zag binnenkomen met bontjassen en elektronica. Op zijn achtste rookte hij, vanaf zijn zestiende moet hij met regelmaat langs de waterkant gezwalkt hebben. Hij zwom naar eigen zeggen het IJ over om zijn opa een half maatje jenever te brengen en had vrienden met namen als Gijsie Touwschieter, die later pooier werd – een toekomst die zijn familie ook voor hem zag weggelegd, pooier of inbreker.

Medium roos2

Een carrière als internationaal gevierd fotograaf leek in ieder geval onwaarschijnlijk, hoewel zoveel eigenzinnigheid veel banen uitsloot. De mores van de verplichte militaire dienst – marcheren, salueren – druisten tegen de vrijheden van het straatleven in en bovendien wilde Jaring snel geld verdienen om te kunnen trouwen met zijn verkering Willy. Hij werd afgekeurd voor de harde opleiding en kreeg een rustige functie bij de afdeling Welzijnszorg. De donkere kamer van Welzijnszorg was een plek waar hij rustig een sigaret kon roken en op den duur wat ging rommelen met de fotospullen die hij daar aantrof. In de winkel van zijn vader vond hij een fototoestel en begon te fotograferen.

Dat ging alles behalve verdienstelijk, vertelde Jaring graag. Zonder enige kennis van diafragma, sluitertijd of iso-waarde schoot hij de ene na de andere bewogen plaat. Uit balorigheid drukte hij deze toch af in de doka, en wel op zo’n groot mogelijk formaat, en deed mee aan fotowedstrijden van de Welzijnszorg. En hij won – zijn korrelige touch werd aangezien voor een modieuze abstractie, de ongebruikelijke composities voor een artistieke visie.

Maar vooral de keuze voor zijn onderwerpen moet de jury zijn opgevallen. In plaats van natuurschoon fotografeerde hij de dagelijkse routine van de militairen om hem heen: zijn camera was van nature gericht op de harde kant van de samenleving, de onderkant.

Zoals hij zelf opmerkte ging het erom ‘op imperfecte wijze de reëelste dingen’ vast te leggen. De fotocamera bleek plots een weg naar het geld. Hij kocht een Praktika Reflex-camera op de Spiegelgracht, oefende een dag en ging aan de slag als fotograaf van kinderportretten. Samen met Toon Huibrechts richtte hij een Internationale Onderneming in Fotografische Aangelegenheden op, huja. De partners klopten geld uit de zakken van moeders door een gratis foto van hun kroost aan te bieden, om vervolgens zo veel mogelijk niet te versmaden platen te schieten. In katholieke gezinnen gaven ze de poserende kinderen een kruisje in de hand. Die foto was dan vast maar binnen.

huja ging over de kop, maar Jaring had zijn vertrouwen in het fototoestel gevonden. Hij belandde weer in de haven, maar nu ook met camera. Tussen de dokwerkers, bootwerkers, diepkranen, dukdalven, de strekdam, meeuwen en eenden kon hij artistiek zijn gang gaan, zoals hij dat noemde. Zijn nieuwe Leica richtte Jaring op de dokken, waar niemand gewend was aan een camera. In zijn autobiografie tekende hij op hoe dat eraan toe ging: ‘Hé, Nélis, wat mot dat daar met die kiekkast! Wegwezen en gauw ook. Ik sla je op je flikker, als je niet gauw benen maakt met dat ding.’ Jaring: ‘Zeker je goeie pak niet aan. Ik zal uw smerige kop zo voordelig mogelijk doen uitkomen, meneer de baron.’ Om na het fotograferen zijn camera op te bergen en zelf weer aan de slag te gaan. De brutaliteit en de kameraadschap spatten van de foto’s af; een zwarte wereld waar het licht precies de lijnen van getekende koppen en hun besmeurde huid weet te vangen, mannen van over de hele wereld gebogen over de zwaarste klus, hun koppen bij elkaar als op een familieportret. De korrels van zijn eerste foto’s hadden plaatsgemaakt voor het scherpste detail, van teer en modder.

Het havenbestaan wisselde Jaring af met een druk caféleven. En op een middag in Café Reynders op het Leidseplein schoof Robert Jasper Grootveld bij hem aan en sprak een toverwoord uit: ‘Publicity’.

Vanaf dat moment diende het nieuws zich bij Jaring aan, in een stroom van opzienbarende gebeurtenissen. Het begon met Grootveld en zijn Heilige Kankertempel, die hij eerst nog van een afstandje volgde. Maar toen werd hij gebeld door Bart Huges, semi-arts met een dochtertje genaamd Maria Huana, die op het punt stond met een tandartsboor een gat in zijn voorhoofd te maken, om ruimer te kunnen denken/permanent ‘high’ te zijn. Een eerdere poging was verstoord door vrienden die hem de boor afhandig wilden maken, en nu vroeg hij Jaring als getuige. Jaring nam plaats vlak naast de hurkende Huges en zijn gereedschap, en was vooral blij een kleurenfilm in zijn camera te hebben.

Gijsie Touwschieter werd later pooier – een toekomst die Cors familie ook voor hem zag weggelegd, pooier of inbreker

De Telegraaf bezocht de mannen, die de journalist omschreef als ondervoed, daags na de operatie en vroeg Jaring naar zijn belevenissen. Jaring: ‘Ik rook geen marihuana. Ik sta nog te ver af van deze groep, waarin ik pas zes weken geleden ben beland. Ik had vroeger altijd zoveel geestelijke problemen in mezelf. Moederliefde heb ik nooit gekend en vaderliefde ook niet. Maar wat hier, in deze groep, gebeurt, bleek zo hoog te zijn, dat het op me afkwam als een hoge schelle toon, die me helemaal leeg maakte, zodat ik die eerste avond bibberend naar huis ben gegaan en niet meer wist waar ik aan toe was. Maar ik ben teruggekomen. Ik zie mijzelf nu als een apostel die registreert en uitdraagt. Maar de groep staat bóven mij.’

Snel ging hij op in de gekkigheid, waar hij eigenlijk wel wat in zag, en vanaf de eerste happening ‘Stoned in the streets’ stond Jaring vooraan. Hij portretteerde het provotariaat, politieagenten en omstanders van heel dichtbij en sneed de foto’s bij tot beeldvullende voltreffers. Er was weinig ruimte voor ruis en zelden stond er een mens met een half gezicht op. Jaring zorgde voor een overlevering van de jaren zestig in scènes die zo het toneel op kunnen. Elke klap van een gummiknuppel is raak, de bloedspetters van toen zijn op de foto’s nu nog te tellen.

Henk Hofland beschrijft in het fotoboek Honderd mensen van Jaring (1984) hoe tijdens hun eerste ontmoeting, in 1965 in Scheltema, kabaal van buiten klonk. ‘In de ogen van de fotograaf verscheen een extra-oplettende blik. Hij hief een wijsvinger, riep: “Het is weer begonnen!” en rende de straat op, waar de heen en weer golvende menigte hem opslokte.’

Medium roos1

Als ‘Nederlands raarst rondswingende fotograaf’ moet hij een van de zichtbaarste personen van de protestgeneratie zijn geweest. Met een polyester schild onder zijn kleding tegen de klappen klom Jaring op auto’s, stond op vensterbanken, liet zich in een put de straat in zakken en liep achterstevoren voor demonstraties uit. Op zijn camera prijkte een sticker met de tekst ‘Make Love Not War’.

Ook buiten de zelfgeorganiseerde heisa van de Provobeweging was er genoeg nieuws te verslaan. Op de dag van het huwelijk tussen prinses Beatrix en Claus nam de meeste pers plaats op de perstribunes, maar trok Jaring al de hele nacht door de stad, op zoek naar rellen. De ene na de andere veldslag trok aan zijn camera voorbij, de witte rookbommen van de provo’s als special effect. De magische driehoek van pers, politie en publiek had zijn werk gedaan, voor Provo maar ook voor Jaring zelf. In het perscentrum in hotel Krasnapolsky verkocht hij zijn onontwikkelde rolletjes voor grof geld aan buitenlandse media. Tussendoor rende hij terug naar Wittenburg, naar een leven dat voorgoed op de tweede plek was komen staan: ‘Vrouw, Willy, ik heb vandaag negenduizend piek voor je verdiend!’

Als fotograaf nam Jaring een uitzonderlijke positie in. De fotojournalistiek had voor hem afgedaan, die brave borsten op hun perstribunes. Hij ontwierp de Magische Pershelm als ‘persiflage op de Persproleet, de Terrasfotograaf en de Korrupte Dagbladpers’. De helm voorzag in alles wat een fotograaf nodig kon hebben: een Automatische Objektzoeker, een flitsinstallatie, een semi-automatische Aktiviteitswekker, een Flip-Flop-schakelaar, een Zend- en Ontvanginstallatie en een Escape-installation, die in drie kleuren – rood-wit-blauw – een rookgordijn van dertig meter kon produceren.

Maar ook in de beeldende kunst hoorde hij niet thuis, hoewel hij regelmatig exposeerde. Kunst was slechts een ingang om geld te verdienen: hij zag hoe zijn kunstenaarsvrienden konden leven van de bkr-regeling. Documentairefotografie was nog geen kunst, tot Theo Kley hem adviseerde zijn havenfoto’s in te kleuren.

Bewondering had Jaring voor Ed van der Elsken, die in 1956 debuteerde met Een liefdesgeschiedenis in Saint Germain des Prés, het verhalende fotoboek over de rondzwervende jeugd in Parijs. Beide fotografen zouden de Bouwvakrellen van 1966 vastleggen, ieder in een heel eigen stijl.

Jaring zag zijn werk als een vorm van sociale fotografie. Zijn betrokkenheid bij Provo lag in het verlengde van zijn liefde voor de haven: tussen de noeste arbeiders, de minderbedeelden en de tegenpartijen, kortom in zijn eigen milieu, voelde hij zich thuis. Een zekere straatmentaliteit bleef hij houden: iedere foto was een kans om rijk te worden. Na Amsterdam wilde hij geld verdienen met Wereldstories.

Medium roos4

Het provo-gedachtegoed kwam bij het reizen goed van pas. Als alles een happening is, en iedereen, en altijd, dan gebeurt alles onafgebroken overal. Elke stap in de wereld werd voor Jaring een happening. Op zijn eerste reis slenterde hij door Kiev met twee Leica’s om zijn nek, gefocust op ‘ouwe gebouwen en ouwe Russen, liefst kombinatie van beide’. Rolletje na rolletje schiet hij, want ‘een vliegende vogel vangt altijd wat.’

‘Het is een lullig fotootje, maar als iemand het wil hebben en ik heb het niet, dan is er niks te verkopen, dus ik knip maar’

Met zijn Hollandse mond met Provo-tongval – bloemen zijn flowers, je humeur is je mood – drankzucht en goedgemutste brutaliteit voelde hij zich overal thuis. In een dorpscafé in de Sovjet-Unie zong hij ‘Oooo die Wolga, die mooie Wolga, die schone Wolga, die fijne blauwe Wolga…’, in Kiev verstoorde hij een Russische bruiloft door de raspa op tafel te dansen, de plane van India naar Parijs vulde hij met volksliederen (‘En datteme toffe jongens zijn dat willen we we-e-ten’), uit een bootje in Bangkok klonk Bij ons in de Jordaan.

In de eerste bladzijden van zijn reisherinneringen staan nog mijmeringen over Willy, maar al snel is het meid hier en meid daar met een bonte verzameling van benamingen voor borsten. Waar ook ter wereld wist Jaring de juiste steen op te tillen om in rosse buurten en onderwerelden iets opzienbarends mee te maken. Ook in hogere kringen bleef hij vol bravoure. Zo tekende hij het volgende onderonsje met Soekarno op, tijdens een persconferentie:

‘“Ik heb een vraag aan U, meneer de President.”

Soekarno keek nauwelijks naar me, als hij antwoordt in dat Nederlands-Indonesische Brabbeltaaltje: “Meneerr Snorr, vrraagt u maarr.”

Ik zei: “Ik wil alleen maar weten, waar worden de mensen, die u van de straten en uit de parken wegjaagt, naartoe gestuurd? Krijgen die ergens een onderkomen, heeft u nieuwe wijken voor hen gebouwd?”

Soekarno keek me aan, met een merkwaardige lach. Een veelbetekenende, bittere lach. En, alsof ìk in ieder geval beter moest weten, zei hij: “Meneerr Snorr, U bent een muggesifterr.” “Pardon”, zei ik, “Wat ben ik?”’

In de dagen die volgden voegde Jaring zich onder de studentenprotesten, niet veel later wist hij een kus van de vrouw van Soeharto te bemachtigen. Het avontuur leverde historische foto’s op, van een soezende Soeharto tijdens een toespraak van Soekarno tot met bloed besmeurde buiken van studenten.

Een klassenloos mens, zo noemt fotograaf Sander Troelstra zijn vriend. Troelstra ontmoette Jaring in de laatste jaren van diens leven, toen hij als jonge fotograaf voor het project PS Camera met de oude camera van Jaring mocht gaan werken. Hij leerde hem kennen als een man die zich opwerkte door zijn charmante brutaliteit. Het compromisloze leven dat hij leidde was egoïstisch te noemen, maar ook een overlevingsmechanisme en een voorwaarde voor een gedreven oeuvre.

De liefde voor onzichtbare mensen deelden de fotografen en er ontwikkelde zich een hechtte vriendschap. Troelstra haalde Jaring over om hem te mogen fotograferen, als oud mens in jaren van minder verhalen en steeds minder avontuur. Hij fotografeerde Jaring in zijn atelier, waar hij zo veel mogelijk tijd doorbracht, en met zijn vrouw Willy, die samen met haar kinderen een zwaar leven had met een rondswingende fotograaf.

Het idee ontstond voor een fotoboek van Jarings oeuvre waar zijn verhalen een integraal deel van zouden uitmaken, als een filmisch document. Troelstra bekeek Jarings volledige archief en koos onderwerpen die dicht bij diens karakter staan. De haven, zijn reizen en niet eerder vertoond materiaal van ‘alles wat op straat lag en op straat werkte’ komen samen in het boek en de tentoosntelling Cor was hier in Huis Marseille. Er is ook later materiaal, zoals foto’s van De Eerste Nederlandse Kikkerexpeditie uit 1979. Jaring heeft twintig jaar les gegeven aan de Akademie voor Kunst en Industrie in Enschede en deed dat vanuit het gedachtegoed van het Deskundologisch Lab. Met een groep studenten op Solexen, Jaring voorop, trok de expeditie in vier dagen langs de sloten van Enschede naar Lelystad om te onderzoeken of Nederland nog wel een ‘kikkerlandje’ genoemd kon worden. Met een nieuw stuk grond als Flevoland diende zo’n vastgeroeste benaming opnieuw geëvalueerd te worden.

Maar voor Troelstra is het mooiste hoofdstuk de haven. Alleen Jaring had die zo kunnen fotograferen, omdat de haven zijn wereld was.

In 2002 varen Anton de Goede en Cor Jaring voor De avonden van de vpro op een sleepboot door de haven van Amsterdam. Jaring is 65 jaar en er is een nieuw fotoboek over de haven verschenen. Een aantal keren wordt het gesprek onderbroken voor een foto, die Jaring met zijn oude Leica maakt. ‘Het is een heel lullig fotootje, maar als iemand het wil hebben en ik heb het niet, dan is er niks te verkopen, dus ik knip het maar.’ Er is veel verdwenen in de haven, maar hij houdt er nog steeds van. ‘Dat is progress. Eigenlijk, als je in mijn hart kijkt, zou ik alles wel mee naar huis willen nemen en onder een glazen stolp willen zetten. Maar zo werkt het niet.’ Je bent wie je bent, een leven lang in beweging.


Beeld: (1) Arbeiders in de Amsterdamse haven (Cor Jaring / Stadsarchief Amsterdam); (2) Willem Jaring, de vader van de fotograaf, voor zijn winkel, 1965 (Cor Jaring / Stadsarchief Amsterdam); (3) Portret van de jonge Cor Jaring (Fotograaf onbekend); (4) Cor Jaring in 2002 (Sander Troelstra).