Een vliegenopera

Pearl Harbour. Tot en met 3 december (behalve maandag) te zien in theater Zeebelt te Den Haag.
In de foyer van het Haagse theater Zeebelt lopen we de eerste ontsnapte operahelden tegen het lijf. Traag cirkelen vette zwarte vliegen rond, nu en dan neerstrijkend op een tafel of op het hoofd van een van de bezoekers. De fantasie neemt een Greenaway-achtige wending: grote stukken rottend vlees waar dikke maden in krioelen.

Het tegendeel blijkt het geval te zijn in de vliegenopera Pearl Harbour. Niet alleen speelt het drama zich af op poppenkastformaat, het heeft ook de esthetiek van een mini- Madurodam. Als de voorstelling opent met een verlicht modeltreintje dat langs de wand van de zaal naar het decor rijdt, gaat er een golf van ontroering door het 25-koppige publiek.
Een door Rudy Kousbroek beschreven experiment vormt het uitgangspunt voor Pearl Harbour: een aantal Amerikaanse studenten werd gevraagd door een koker naar een poppenhuis te kijken. Na tien minuten meenden de participanten al een half uur aan het observeren te zijn - de schaal van het waargenomene intensiveerde kennelijk de tijdsbeleving.
En zo zit het publiek bij Pearl Harbour met een verrekijker de ogen moe te turen naar miniaturistische tafereeltjes: een havenzicht met een opflikkerende vuurtoren; sleutels die op en neer bewegen; een huiskamer met een madonna-achtig schilderij aan de muur; een oosterse moskee; foto’s van een zich ontkledende vrouw. En de vliegen? Gedreven door eigen onnavolgbare motieven scharrelen ze wat rond, nu eens in beeld, dan weer er buiten.
Het gestuntel met de verrekijkers - het bijkt nog een hele kunst goed te richten en scherp te stellen - schept een onverwachte band tussen de bezoekers, die haaks staat op de solitaire wijze van kijken (ieder heeft zijn eigen kijkertje en koptelefoon). Even naarstig als tevergeefs zoekt men naar een verband tussen het verhaal (een man wordt verliefd op de Ierse vissersvrouw Mara, die een man blijkt te zijn; hij laat zich in Casablanca ombouwen tot vrouw en wordt alsnog afgewezen) en het geschooier van de vliegen.
De muziek (van Victor Wentink) is, met zijn toespelingen op het operabedrijf, dan ook veel aardiger. De geheel elektronisch vervaardigde tape bestaat uit verschillende lagen: een bodem van lang aangehouden klanken, daarboven ritmisch gestructureerde delen en ten slotte de stemmen. Het geheel klinkt tamelijk knullig: de stemmen zijn bibberig en ongeschoold als de lokale grootheden die jarenlang in het radioprogramma Onder de groene linde te horen waren. Dat effect wordt versterkt doordat de melodieen inderdaad op Ierse volksliedjes gebaseerd lijken te zijn. Daarbinnen zitten weer grappige tekstuitbeeldingen. Zo drukt hoofdpersoon Gallahim in hoorbaar moeilijk te pakken intervallen ‘O, no, o, no’ zijn ontzetting uit als hij ziet: 'She has no breasts.’ Op eenzelfde manier raakt hij verstrikt in een onmogelijke vocalisatie op de woorden 'You stole my heart’. En ook de dramatische uitbarstingen in de begeleiding - naar het eind lijken we zelfs in Parsifal verzeild te raken - onmiskenbaar een ironisch tintje.
Maar ook in de muziek ontbreekt de essentie: de vliegen. Geen spoor van gebrom of gezoem, terwijl je daar elektronisch toch de prachtigste dingen mee zou kunnen doen. Wat op papier oogt als een sterk, coherent conceptueel idee, blijkt in de realisering niet meer dan een handjevol losse flodders. Willekeur overheerst en daarom ga je je afvragen waarom er vliegen zijn genomen en geen mieren (veel kleiner) of wespen (veel gevaarlijker) of kakkerlakken (veel viezer). De keuze voor vliegen wordt niet alleen niet aannemelijk gemaakt, maar ook op geen enkele manier uitgewerkt.
Een vliegenopera is te mooi om waar te zijn. Eigenlijk is het een idee dat je louter als object voor de fantasie zou moeten laten voortbestaan.