De criticus als bemiddelaar tussen kunst en geïnteresseerde burger

Een vloek van verbazing

Kunstkritiek in de geschreven media selecteert, signaleert, enthousiasmeert en duidt, en bedient zowel de lezer als de kunst die wordt beschreven. Tenminste, als het goed is. Goede kunstkritiek moet enkele ingrediënten per se bezitten.

In het debat over de rol van kunst in de samenleving duikt het steeds weer op: kranten en tijdschriften zouden almaar minder kolommen inruimen voor kunstkritiek – en dan met name voor beeldende-kunstkritiek. Het was onder meer deze suggestie van afkalvende ruimte die ertoe leidde dat in 2008 de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek in het leven werd geroepen. Om uit te zoeken of er echt zo veel minder plek is voor kunstkritiek in de geschreven media zou je systematisch het aantal woorden moeten tellen dat ze er nu en pakweg vijftien jaar geleden voor inruimden en dat dan afzetten tegen de overige artikelen. Maar tegelijkertijd is de uitkomst van zo’n onderzoek niet zo relevant, want voor goede stukken is in krant of tijdschrift altijd plek. De vraag is dan natuurlijk: wat is goede kunstkritiek?

Die bestaat uit een aantal ingrediënten. Het belangrijkste is dat je als lezer onmiddellijk ziet dat de criticus een eigen oordeel geeft en niet iets beweert omdat het zo zou horen, omdat het bon ton is. Een neerbuigende opmerking over, bijvoorbeeld, de met 8601 diamanten ingelegde schedel van de Brit Damien Hirst – protserig, passé, Saatchi-kunst, decadent en overbodig – is zo gemaakt. Maar zo’n opmerking is pas interessant als er een originele redenering achter zit. Daar hoef je het als lezer vervolgens helemaal niet mee eens te zijn, als je maar ziet hoe de criticus tot zijn oordeel komt. Anders is wat wordt beweerd niet meer dan een meninkje en daarvan zijn er al zoveel.

Je kunt de schedel van Hirst inderdaad zien als over the top kitsch, maar je kunt ook ­beweren dat hij laat zien hoe klein en kwetsbaar een mensenhoofd is, ook al is het met zoveel ­diamanten ingelegd. En dat de timing van dit dure toonbeeld van vanitas, gemaakt aan het begin van de kredietcrisis, perfect was. Dat de kostbare schedel nu gratis te zien is in Tate Modern in Londen benadrukt die dimensie nog eens extra.

‘For the love of god!’ zou de moeder van Damien Hirst hebben uitgeroepen toen haar zoon bezig was met dit schedelkunstwerk. In vredesnaam, wat gaat hij nu weer maken? Het werd de titel die Hirst aan het werk gaf. Maar het zou ook het uitgangspunt kunnen zijn van iedere kunstrecensie – of die nu positief is of negatief. Mijn god, wat maakt hij/zij nu weer? En waarom, hoezo, waartoe? Die verwondering, die vloek van verbazing, zou een vast onderdeel moeten vormen van iedere kunstrecensie.

Critici moeten daarbij ook altijd iets van zichzelf blootgeven. Dat is prettig om te lezen, zo’n persoonlijke inbreng, en bovendien alleen maar fair, want ze schrijven tenslotte over de ziel van een ander. Voor wat hoort wat. En dat mag ver gaan. In De wereld draait door sprak Volkskrant-_journalist Wieteke van Zeil vorig najaar zo lyrisch over Leonardo da Vinci’s schilderij _Dame met de hermelijn, dat ze net had gezien in de National Gallery in Londen, dat Matthijs van Nieuwkerk vroeg of ze misschien verliefd op haar was. Van Zeil beaamde. Dat is mooi.

Goede kunstkritiek bevat bovendien altijd een cadeautje aan de lezer. Een historisch feit of een manier van kijken die het zien van dat ene schilderij of juist die installatie leuker maakt. Je kijkt anders naar de immense portretten van de Amerikaan Chuck Close, die maar al te vaak worden omschreven als fotorealistisch, als je ziet dat ze zo realistisch helemaal niet zijn. Ze zijn om te beginnen veel groter dan levensecht, van dichtbij lijken het wel landschappen. Sommige zijn letterlijk opgebouwd uit kleinere abstracte werken, die alleen maar een gezicht vormen als je op afstand staat. Chuck Close wil ook helemaal niet realistisch werken, vertelde hij vorig jaar in De Kunsthal in Rotterdam, waar hij zijn eerste Nederlandse overzichts­tentoonstelling had; hij wil mensen juist losrukken van de manier waarop je ze gewoonlijk ziet, al was het maar omdat hij zelf aan gezichtsblindheid lijdt. Als je dat allemaal weet, kijk je anders naar het papier-maché-portret van zijn dochter of naar het verwarde hoofd van zijn vriend de componist Philip Glass, dat hij meer dan 150 keer opnieuw vastlegde.

Om die cadeautjes te kunnen uitdelen, moet een kunstcriticus veel zien. Hij is een fanatiekeling die overal gaat kijken, zelfs als hij van tevoren weet dat het niet goed is. Ook van slechte dingen moet je houden als nieuwsgierig recensent. Je hoeft er niet per se over te schrijven, maar het draagt bij aan het beeld van wat er speelt in de beeldende kunsten en de context waarin die wordt gemaakt. Om Damien Hirst te citeren: ‘Er is goede kunst, slechte kunst en kunst die niemand iets kan schelen.’

Critici mogen mij als lezer nog vaker attenderen op wat er aan de hand is in die wereld van de beeldende kunsten in binnen- en buitenland en dat in een context plaatsen. Zoals Hans den Hartog Jager dat deed in maart in NRC Handelsblad, in zijn artikel over ‘post-bankencrisis-kunst’ naar aanleiding van de Whitney Biënnale in New York. Hij beschrijft hoe de expositie kunsthistorisch een rommeltje is, maar dat hij toch beseft dat de organisatoren de geest van de tijd perfect te pakken hebben: het zoeken van nieuwe interpretaties in het verleden. Met schilderijen van de bijna vergeten Amerikaanse schilder Forrest Bess (1911-1977) en daarbij een tekst van de beroemde Amerikaanse kunstenaar Robert Gober die het buitenstaanderschap van Bess benadrukt: werkend als visser in Texas, alcoholist, paranoïde, schizofreen. En met een enorm wandtapijt van de Amerikaanse kunstenares Elaine Reichek, Paint Me a Cavernous Waste Shore, dat verwijst ‘naar de zelf geborduurde Melkmeisjes en Nachtwachten van je bejaarde buurvrouw’. De recensent concludeert: ‘Het belangrijkste aan deze tentoonstelling is natuurlijk dat deze Whitney hiermee precies een beeld geeft van een ontwikkeling die al lang in de lucht hing. Steeds meer kunstenaars keren zich af van het streven naar vooruitgang, naar perfectie, naar groter en beter – om te zien waar dat toe leidt, hoeven ze alleen maar met een schuin oog naar de bankencrisis te kijken. Niet voor niets verhoudt deze Whitney-kunst zich moeizaam tot de markt, onttrekken veel werken zich nadrukkelijk aan de materiële en financiële “ratrace”.’

Zo word je als lezer fijn bijgepraat. De criticus is gaan kijken en brengt zijn verslag in verband met de samenleving die getroffen werd door een economische crisis. Ook de bespreking van exposities gewijd aan één hedendaagse kunstenaar wordt interessanter als die een maatschappelijk verband legt of zich niet beperkt tot het oeuvre van deze ene persoon. Filmcritici hebben het wat dat betreft makkelijker omdat de films zelf daartoe vaak meer uitnodigen. Zie je de film WIN/WIN van regisseur Jaap van Heusden, over een beurshandelaar die tijdens de economische crisis een fortuin verdient voor zijn bank aan de Zuidas, dan is de relatie met de samenleving vanzelf gelegd.

Tot slot nog iets over de angst voor herhaling. Het lijkt soms wel alsof een goede, ‘gearriveerde’ kunstenaar minder vaak gerecenseerd wordt omdat zijn werk al zo bekend zou zijn. _NRC-_columnist Marjoleine de Vos schreef vorig jaar over kunstcritici: ‘Het is een populaire misvatting om te vinden dat iedereen steeds iets anders moet gaan doen, dat dus ook recensenten vooral zo min mogelijk over dezelfde schrijvers of kunstenaars moeten schrijven, dat het zelfs nergens voor nodig is om het werk van grote schrijvers of dichters die geen bestsellerauteurs zijn te volgen – alweer een bundel van Kopland? Die slaan we maar eens over.’

Ze heeft gelijk. Dat werk altijd supervernieuwend zou moeten zijn om voor bespreking in aanmerking te komen, is onzin. De maatstaf van vernieuwing is als arsenicum. Een beetje kan heilzaam zijn, te veel is dodelijk. Maar dat betekent niet dat de bewering die je ook wel hoort, dat vroeger alles – en zeker de kunstkritiek – beter was, op waarheid berust. Met even veel aplomb kun je stellen dat alle kunstkritiek vroeger bestond uit een gewichtig verhaal met veel historische informatie en hier en daar een poëtische uitglijder van de auteur. Klopt ook niet, maar het geeft maar aan hoe voorzichtig je moet zijn met generalisaties.

Terug naar de rol van beeldende-kunstkritiek in de geschreven media. Die blijft onverminderd belangrijk omdat deze selecteert, signaleert, enthousiasmeert en duidt, en daarmee zowel de lezer bedient als de kunst die wordt beschreven en die zo meer tot leven komt. De criticus is een bemiddelaar tussen kunst en geïnteresseerde burger. De ware kunst is het voor media en collega-recensenten om daarbij open te staan voor een nieuwe generatie critici die hun eigen onderbouwde mening durven geven. Die zich niets aantrekken van wat ‘men’ vindt. Die kunst bekijken in een maatschappelijke context. Die bij de beoordeling van het werk van anderen het lef hebben ook iets van zichzelf te laten zien. Ze hebben misschien nog wat minder kennis en ervaring, maar dat maakt hen ook onbevangener kijkers.

De reden voor een prijs voor jonge kunstcritici is wat mij betreft dan ook niet dat er minder ruimte is voor kunstkritiek in de media, maar dat de deur zo uitnodigend mogelijk open moet staan voor dit aanstormend talent. Het is belangrijk dat jonge kunsthistorici en andere liefhebbers de ruimte vinden om zich voor langere termijn aan het vak van recensent te verbinden, zodat je als lezer de ontwikkeling van hun stem kunt volgen. Ik kijk nu al uit naar al die nieuwe critici die ons gaan leiden en verleiden in de wereld van de beeldende kunsten.


Birgit Donker is per 1 juni directeur van het Mondriaan Fonds


Prijs voor de Jonge Kunstkritiek

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een stimuleringsprijs voor een nieuwe generatie critici en essayisten die schrijft over hedendaagse beeldende kunst. De prijs wil jonge kunstcritici stimuleren en de aandacht voor kwalitatief hoogstaande kunstkritiek en kunstjournalistiek in de mainstream media vergroten.

In 2012 wordt de tweejaarlijkse prijs voor de derde keer uitgereikt, wederom in de categorieën Essay en Recensie.

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek richt zich op schrijvers tot 35 jaar.

Deadline: 1 september 2012.

De Prijs voor de Jonge Kunstkritiek is een ­initiatief van De Appel arts centre, ­Mondriaan Fonds en Witte de With, Center for Contemporary Art.

Zie voor meer ­informatie jongekunstkritiek.net.

Oproep aan Groene-lezers

Wilt u zitting nemen in de jury van de Prijs voor de Jonge Kunstkritiek? Meld u dan voor 7 juni aan via groene@groene.nl of ­info@jongekunstkritiek.net onder vermelding van ‘jury’. De geselecteerde lezer zal voor eind juni bericht krijgen.