Een vochtige schrokop

VOOR ALLES IS er een tijd, schrijft Andreas Burnier in een voetnoot bij haar roman De huilende libertijn (1970). Om er het advies aan te verbinden in ieder geval vóór je dertiende jaar De wonderlijke avonturen van Bram Vingerling van Leonard Roggeveen te lezen.

Zo'n kritische leeftijdsgrens is al gauw in het geding bij boeken die de potentie hebben je leven te veranderen. Want voor je het weet is het te laat en is de kans verkeken een boek der boeken voor de rest van je leven te kunnen koesteren. Na zekere leeftijd verliezen immers nogal wat woorden hun glans, gedachten hun diepte en ondernemingen hun sympathie. Wat rest is de dikke pil, de onleesbare vesting, het megalomane misbaksel. Neem nu De tweede sekse van Simone de Beauvoir. Met mijn exemplaar (zesde druk, 1978) is geleefd en geleden. Ik las het dan ook als achttienjarige op het perfecte moment in mijn leven. Enige navraag in mijn omgeving leert me dat mijn leeftijdgenoten het allemaal op het perfecte moment in hun leven lazen. Allemaal rond dezelfde tijd, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, en allemaal in het rijtje Shulamith Firestone (De dialectiek van de seksen), Germaine Greer (The Female Eunuch), Kate Millet (Sekse en macht), Nancy Chodorow (Waarom vrouwen moederen), Theweleit (Männerphantasien) en wat al niet. Vrouw en man waren nog probleemloze categorieën, getuige de enorme verzameling ‘vrouwenboeken’ die toen verscheen en die enige tijd mijn boekenkast domineerde. Nu liggen ze te verstoffen op zolder, in een paar grote dozen. Met uitzondering van De tweede sekse, dat altijd binnen handbereik is blijven staan. Een enkele keer pak ik het uit de kast, bijvoorbeeld omdat ik Le rouge et le noir van Stendhal heb gelezen en me afvraag wat De Beauvoir ook alweer over Stendhal schreef, of omdat ik de brieven van Simone de Beauvoir aan haar minnaar Nelson Algren net achter de kiezen heb en nog eens het hoofdstuk 'De vrouw en de liefde’ wil lezen. HET IS EEN riskante onderneming om een geliefd boek twintig jaar later opnieuw tegen het licht te houden. Is De tweede sekse bestand tegen herlezing? Wat maakte het toen het perfecte moment om het te lezen: was het de tijdgeest, of was het mijn particuliere tijdgeest? Hoezeer verknoopt die beide tijdsgeesten zijn, laat zich al illustreren met het feit dat ik De tweede sekse niet in mijn eentje las maar in een 'groepje’. Een leesgroep. 'Seksuele inwijding en jeugd’ staat in mijn agenda, oktober 1980, en twee weken verderop: 'de lesbische vrouw + de gehuwde vrouw’. 'De moeder’ en 'maatsch.sit. + prost’. volgden eind november. Negen maanden lang namen wij, acht studiegenotes Nederlandse taal- en letterkunde, de woorden 'transcendentie’ en 'immanentie’ in de mond alsof we al jaren niet anders deden. Voordat we naar aanleiding van een vrouwenoverleg besloten gezamenlijk De tweede sekse te gaan lezen, kenden we elkaar niet. Na twee bijeenkomsten wisten we van elkaars orgasmes, na vier waren er twee verhoudingen binnen de groep waarvan één clandestien, en na dertien avondjes was er een dreigend schisma tussen 'de persoonlijken’ en 'de politieken’. We aten volkoren spaghetti en bespraken de verschillende manieren om warme melk tot schuim te kloppen. De tweede sekse bond ons. Dat bleek pas goed toen we de klus geklaard hadden. Lacan noch Irigaray had het vermogen het groepje bijeen te houden. In de loop van 1981 scheidden onze wegen, voorgoed. NU IK De tweede sekse ter hand heb genomen om het te herlezen, weet ik weer meteen waarin de betovering van dit boek schuilt. Geen droge doortimmerde analyses op de vierkante millimeter, maar duizend bladzijden aanvechtbare wijsheid. De Beauvoir houdt een sprankelend filosofisch betoog over álles met behulp van álle mogelijke bronnen, met de enige pretentie die het de moeite waard maakt deze hele hap tot je te nemen: zo is het en niet anders. Sla een willekeurige bladzijde op en je oog wordt getrokken door de ene radicale formulering na de andere. 'Zij is de zuiging, een vochtige schrokop’, zo schrijft De Beauvoir in het hoofdstuk 'Seksuele inwijding’ over de vrouwelijke geslachtsdrift. 'Zij is als pek en vogellijm; een onbeweeglijke, doordringende en kleverige verlokking.’ 'De man wordt stijf, de vrouw wordt nat’, is zo'n andere eye-opener waarin je eventjes de oplossing van het wereldraadsel weerspiegeld meent te zien. Met behulp van zulke uiteenlopende autoriteiten als Colette, Balzac, de seksuoloog Stekel, Freud en De Sade, maar ook puttend uit eigen ervaringen ('Ik herinner me een vriendin uit mijn jeugd die alleen al bij het zien van een perzik kippevel kreeg’), schrijft ze een meeslepend hoofdstuk vol case-history’s van frigide vrouwen, om uiteindelijk aan 'het kernprobleem van de vrouwelijke erotiek’ te geraken. Tegelijkertijd subject en object zijn, daar draait het allemaal om in de existentialistische leer die wordt uitgedragen in De tweede sekse. 'Wil zij haar verandering tot vleselijk object in overeenstemming kunnen brengen met haar aanspraak op subjectiviteit, dan moet zij de man tot haar prooi kunnen maken door zichzelf tot zijn prooi te maken.’ Ik ben oprecht opnieuw in de ban, fronsend en wel - dus híj is haar prooi, als zíj… afijn. Het verleidelijke van De tweede sekse is de allesomvattendheid die met groot elan over het voetlicht wordt gebracht. De tweedeling van het boek in 'Feiten en mythen’ en 'Geleefde werkelijkheid’ is wat dat betreft een slimme compositorische vondst. In het eerste deel behandelt ze achtereenvolgens de biologische, psychoanalytische en marxistische benadering, die allemaal iets maar geen van alle afdoend verklaren waarom de man de heersende sekse is. Dan geeft ze een historisch overzicht, van de nomaden tot en met na de Franse Revolutie, waarin ze laat zien hoe de hiërarchie der seksen gestalte heeft gekregen in de loop der tijden. In feite komt het erop neer dat het biologisch lot van de vrouw, baren en zogen, haar duur is komen te staan. Mannen veroveren de natuur, als transcendente wezens die zelfs bereid zijn hun leven op het spel te zetten; vrouwen herhalen 'slechts’ het leven en zijn daarmee veroordeeld tot immanentie. Waarom het een beter zou zijn dan het ander, is méér dan een kwestie van culturele waardering, zo betoogt De Beauvoir. Het is een kwestie van 'mankind’. Handhaven van de soort alleen is niet genoeg. 'De mens wil geen stilstand, wat hem drijft is het verlangen boven zichzelf uit te komen.’ Hiermee eigent de man zich de positie van het subject toe, en wordt de vrouw in de rol van de Ander geplaatst. TOT SLOT VAN het eerste deel beschrijft De Beauvoir de voorstellingen van vrouwelijkheid die mannen hebben gecreëerd en waarvan onze cultuur is vergeven. Alles waarvoor de man bang is en waarnaar hij verlangt, projecteert hij in de Ander, de vrouw. Zij is - even simpel samengevat - heks, hoer en heilige. 'In alle beschavingen, en ook in onze tijd nog, boezemt de vrouw de man afgrijzen in; dat is het afgrijzen voor zijn eigen vleselijke toevalligheid die hij op en in haar projecteert.’ De mythe van de vrouw illustreert ze overtuigend en vindingrijk aan de hand van het werk van vijf schrijvers: Montherlant, D.H. Lawrence, Claudel, Breton en Stendhal. In het tweede deel van De tweede sekse, 'Geleefde werkelijkheid’, beschrijft De Beauvoir de actuele situatie waarin 'de vrouw’ verkeert. Hoe ze niet als vrouw wordt geboren maar tot vrouw wordt gemaakt. Wij van het leesgroepje hadden bijna allemaal een poster van De Beauvoir in onze meisjeskamer aan de muur, met onder haar foto de beroemde zinsnede 'On ne naît pas femme, on le devient’. Meisjes worden klaargestoomd om de rol van de Ander op zich te nemen. 'Haar wordt geleerd dat om te behagen zij moet proberen te behagen, zij dient zichzelf tot object te maken en moet dus haar autonomie opgeven.’ Zichzelf als vrouw aanvaarden betekent zelfverloochening en zelfverminking. Creatieve vermogens en fantasie richten zich naar binnen: meisjes worden op hun best romantische, narcistische dromers. Het huwelijk betekent het einde van alle verwachtingen. Gefrustreerd veroordeelt ze haar man tot gevangenschap en haar kinderen tot slavernij. Vooral het hoofdstuk 'De moeder’ treft me wederom als bijzonder beklemmend. De Beauvoir is er een meester in om alle fysiologische processen die zich in en om het vrouwelijk lichaam afspelen, nogal goor voor te stellen (denk ook aan die 'vochtige schrokop’ van daarnet). Menstruatie, ontmaagding (steevast als 'defloratie’ aangeduid), zwangerschap en bevalling, het zijn de pijnlijke stops op wat toch al één grote bloederige lijdensweg is. De toonzetting van De tweede sekse is in dezen razend consequent, want al op de eerste bladzijde van haar inleiding luidt het antwoord op de retorische vraag 'Wat is een vrouw?’: 'Tota mulier in utero’. Een en al baarmoeder. Iedere maand weer wordt in haar lichaam het bed opgemaakt om een boreling te kunnen ontvangen, waarmee vrouwen in ieder geval fysiek gezien tot het stadium van de oertijd veroordeeld blijven. Na de zwangerschap, in de beschrijving van De Beauvoir verrijking en verminking tegelijkertijd, volgt de ultieme marteling. 'Men mag van de Spaanse inquisitie zeggen wat men wil, maar geen vrouw die een kind gekregen heeft zou er bang van zijn’, citeert De Beauvoir Isadora Duncan met smaak. DE BEAUVOIRS genadeloze conclusie over het moederschap luidt dat in onze cultuur kinderen zijn overgeleverd aan een moeder die onbevredigd en ongelukkig is. Vooral dochters worden het slachtoffer van de tirannieke toewijding van hun moeder. O´f ze moeten alles goedmaken wat hun moeder heeft moeten ontberen, óf ze zijn gedoemd hetzelfde lot te ondergaan. In de laatste hoofdstukken van De tweede sekse beschrijft De Beauvoir tot in de meest pijnlijke finesses de strohalmen waaraan vrouwen zich vastklampen om aan hun gevangenschap te ontsnappen. Ze staren zich blind op zichzelf in narcistische bespiegelingen en vinden zichzelf van de weeromstuit dan heel excentriek: 'Verbaasd ondervraagt zij, spelend met een ketting of draaiend aan een ring, de leegte en mompelt: “Grappig… maar zo ben ik nu eenmaal… Ik ben helemaal wég van het buitenleven…”’ Naast de verlokkingen van het narcisme is er de verleiding zichzelf te verliezen in de liefde of in de mystiek. Saillante wetenschap nú is dat De Beauvoir in de periode dat ze aan De tweede sekse werkte, haar meest hartstochtelijke liefde beleefde, met de Amerikaanse schrijver Nelson Algren. Haar eigen gevecht tussen autonomie en verlossing van de plicht ooit nog iets te hoeven presteren, spat van deze bladzijden af. O, immanente verliefde vrouw. 'Ver van hem bezit zij noch zichzelf, noch de wereld langer.’ De vrouw wordt gevangene van de liefde, terwijl de begeerte van de man even snel weer gaat liggen als hij was opgestoken. De vrouw die verlaten wordt, is niets meer en heeft niets meer. Ook in haar slothoofdstuk 'Op weg naar de bevrijding’ hamert ze keer op keer op het gevaar dat de liefde betekent. Omdat het verlangen naar glorieuze zelfverloochening zo immens groot is, vindt De Beauvoir dat meisjes net als jongens moeten worden opgevoed; het narcisme uit de adolescentie moet zo snel mogelijk te boven worden gekomen. Om echt iets te kunnen worden - lees: dóen - moet je in staat zijn jezelf te vergeten. 'Er zijn dwaze en er zijn talentvolle vrouwen, maar geen van hen bezit dat dwaze talent dat we genie noemen.’ IK HERINNER me nog goed de verbijsterde staat waarin 'Simone’ ons groepje achterliet met haar apotheose. Het schetsen van een toekomstscenario bleek niet haar sterkste kant, maar ze wilde blijkbaar ook niet eindigen zonder enige hoopvolle woorden. Met behulp van Marx! Plotseling werden we geacht in de nabijheid van 'de vrije vrouw’ te geloven, een driest type op mannelijke leest geschoeid. Een nogal Amerikaanse voorstelling hadden we daarbij, een vrouw in scherp gesneden mantelpak op platte schoenen, zelf chaufferend, dat vooral, de man als beste kameraad, en natuurlijk: geen kinderen. 'Ze staat op het punt geboren te worden.’ Maar waarom eigenlijk? De meesten van ons voelden alleen nog hun baarmoeder kloppen, de rest was verliefd en had daar een dagtaak aan. Wat was en wat blijft? Het is moeilijk het een en ander uit elkaar te houden, want er is ook nog zoiets als 'trouw aan toen’. Als ik zeg dat ik De tweede sekse bij herlezing nog opvallend fris vind - zegt dat dan iets over mijn geestelijke groei of over De Beauvoirs kwaliteiten? Meer dan toen, omdat er nu meer bekend is over De Beauvoirs persoonlijk leven, zie ik de zelfhaat en het narcisme waarmee dit boek is geschreven. Die verklaren de niet-academische, bijna literaire kracht van dit werk. Het fanatisme waarmee ze haar bewijsvoering bijeen heeft gebracht, en het gevecht dat ze leverde om boven zichzelf uit te stijgen, blijven onweerstaanbaar en inspirerend. Ook voor boven de achttien.