Een volk van goede wil ‘het herdenken van de vermoorde joden wordt met dezelfde “ausdauer” verricht als de moord zelf’

Een monument voor de vermoorde joden, net als andere landen dat hebben - dat wilde Duitsland. Maar Duitsland is geen land als alle andere. En dus liepen de emoties hoog op. Verslag van het zoveelste hoofdstuk in de Duitse ‘Denkmalstreit’.
SINDS 1950 BEVINDT zich in Praag een Joods Museum. De omvangrijke collectie heeft het museum niet te danken aan joodse verzamelaars maar aan de nazi’s. Die kwamen in de loop van de Tweede Wereldoorlog op het idee om een ‘Museum voor een uitgestorven ras’ in Praag op te richten en versleepten daartoe judaïca vanuit heel bezet Europa naar de Tsjechische hoofdstad.

Ook elders in het Duizendjarige Rijk zouden monumenten ter verheerlijking van de uitroeiing van de Untermensch worden opgericht. Deze plannen maakten overigens maar een klein deel uit van het ambitieuze bouwprogramma dat Hitler koesterde. ‘Wir werden den Krieg gewinnen, aber sichern werden wir den Sieg durch unsere Bauten’, zei hij in 1940.
Ruim een halve eeuw na de ondergang van het Duizendjarig Rijk, op 28 juni 1995, maakte de Berlijnse Bausenator Wolfgang Nagel bekend dat in het hart van de Duitse hoofdstad voor het einde van dat jaar zou worden begonnen met de bouw van een tot negen meter hoogte oplopende betonnen plaat van 106 bij 142 meter. Op dit gevaarte zouden In granieten platen alle namen worden gegraveerd van de 4,2 miljoen bij naam bekende joden die door de nazi’s waren vermoord.
De gigantische plaat - ter vergelijking: een voetbalveld meet zeventig bij honderdvijf meter - was het winnende ontwerp in een wedstrijd voor een nationaal monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de holocaust. Wat de organisatoren van de wedstrijd - Berlijn, de regering in Bonn en de private Förderkreis zur Errichtung eines Denkmals für die ermordeten Juden Europas - voor ogen had gestaan, was een uiting van 'rouw, ontsteltenis en respect’, een 'blijk van schaamte en schuldbesef van het land der daders’ aan het adres van zijn slachtoffers. Maar de publieke opinie reageerde op de 'grafplaat’ alsof de jury zich had laten inspireren door de bedenkers van het Museum voor een Uitgestorven Ras: 'monstrueus’, 'teutoons’, 'gigantomanisch’, oordeelden de kranten, 'een prestatieobject van de daders’.
De Duits-joodse publicist Henryk Broder verwees zelfs letterlijk naar de megalomanie van de nazi-architectuur toen hij schreef dat de gebouwen van Reichsbauinspektor Speer 'hierbij vergeleken nog voorbeelden van minimal art’ waren. Om te vervolgen dat het herdenken van de vermoorde joden hier werd verricht met 'dezelfde Ausdauer en zin voor het gigantische’ als de moord zelf: 'Alsof men wil zeggen: de holocaust doet niemand ons na - de verwerking ervan evenmin.’
Nu heeft Broder er een sport van gemaakt goedbedoelende niet-joodse Duitsers te raken daar waar ze het kwetsbaarst zijn, namelijk in hun door gewetensproblemen aangejaagde hypercorrectie. Maar ook de immer diplomatieke voorzitter van de Centrale Raad voor Joden in Duitsland Ignatz Bubis, CDU-lid te Frankfurt en groot voorstander van een monument, reageerde afhoudend op de plaat. Het idee van het winnende team om bezoekers te laten betalen voor het ingraveren van een slachtoffernaam naar keuze - dat zou de persoonlijke betrokkenheid bevorderen - ontlokte hem de uitspraak 'obscene aflaathandel’.
TOCH WAREN het niet de vertegenwoordigers van joods Duitsland die de bouw van de 'Judenplatte’ - zoals de Berlijners het ontwerp al snel noemden - tegenhielden. Het was bondskanselier Kohl die zijn veto uitsprak. Twee dagen na de juryuitslag deelde hij de Berlijnse burgemeester Diepgen informeel mee dat hij de grafplaat 'unpassend monumental’ vond. Daar werd een paar dagen later in het officiële persbericht van gemaakt dat hij moeite had met de 'stedebouwkundige aspecten’ ervan. Maar voor alles vond hij het zorgwekkend dat er geen maatschappelijke consensus was over het winnende ontwerp.
Dat laatste argument was een lachertje en iedereen die de voorafgaande jaren had gevolgd wat er op het gebied van dodenherdenking in Duitsland was gebeurd, wist dat. Kohl was in mei 1985 in grote problemen gekomen door met Reagan een bezoek te brengen aan de militaire begraafplaats van Bitburg, waar ook SS'ers lagen. Sindsdien was hij bezeten van het idee dat ook Duitsland een 'waardige gedenkplaats’ voor de Tweede Wereldoorlog moest krijgen. Maar de Bundestag smoorde elk voorstel dat hij in die richting deed, in eindeloze debatten. Met de vijftigste verjaardag van de Duitse nederlaag in het vooruitzicht, besloot Kohl tot eigenmachtig optreden: in 1993 gaf hij in stilte opdracht om de Berlijnse Neue Wache, het voormalige DDR-monument voor 'de slachtoffers van fascisme en militarisme’, om te bouwen tot Bundesehrenmal.
De herinrichting van de Neue Wache was al bijna voltooid toen de publieke opinie er lucht van kreeg. De Deutsche Denkmalstreit laaide weer op. Veel kritiek kreeg Kohl vanwege zijn keuze voor een beeld van een rouwende moeder met haar dode zoon op schoot. Een dergelijk christelijk getint symbool werd als totaal misplaatst beschouwd in een monument dat ook de joodse slachtoffers geacht werd te herdenken. Ernstiger was dat de bondskanselier vasthield aan de inscriptie 'Für die Opfer von Krieg und Gewaltherrschaft’. Daaronder vielen immers ook nazi’s die zich hadden opgeofferd voor hun ideaal. 'Geen jood zal hier het joodse dodengebed kunnen uitspreken’, zei Ignatz Bubis.
Gelukkig voor Kohl en Bubis diende zich een mooi compromis aan. Een journaliste die zich de holocaust zo persoonlijk aantrok dat ze de joodse naam Lea Rosh had aangenomen, was al jaren bezig om in 'het land der daders’ een monument voor de vermoorde joden op te richten. Prominenten als Willy Brandt en Günter Grass onderschreven haar wens en Rosh had inmiddels twintigduizend vierkante meter braakliggend land in het hart van de hoofdstad toegezegd gekregen.
Een terrein met een beladen geschiedenis, want tijdens het Derde Rijk stond hier Hitlers Reichskanzlei. Resten van de bunkers waar hij zijn laatste levensdagen sleet, zaten er nog in de bodem. Voor sommigen een macaber aspect, maar Rosh schreef enthousiast: 'Door op de ruïnes van dit centrum van nazimacht een monument voor de vermoorde joden te plaatsen, verheffen de slachtoffers zich boven de daders.’ Bausenator Nagel viel haar bij door te stellen dat deze plaats duidelijk zou maken dat de verwerking van de holocaust 'konstitutiv’ was voor het herenigde Duitsland. Hetgeen hen later op het verwijt zou komen te staan dat ze de holocaust tot 'Gründungsopfer der Berliner Republik’ maakten.
Maar in de hitte van de strijd rond de Neue Wache was dit alles van later zorg. Vlak voor de opening verklaarde Bubis dat hij, weliswaar 'schweren Herzens’, met Kohls Bundesehrenmal kon leven als Rosh’ Denkmal für die ermordeten Juden Europas er daadwerkelijk kwam. Eind april 1994 werd de wedstrijd uitgeschreven.
ZOALS VERWACHT mocht worden bij deze 'belangrijkste wedstrijd sinds 1945’, was de respons groot. Meer dan vijfhonderd ontwerpen konden in oktober aan de jury worden voorgelegd. Davidsterren en zevenarmige kandelaars bleken een populair motief. Verder waren er een reuzenrad met goederenwagons (onder het motto 'volksfeest en volksvernietiging’), een achttien meter hoge oven en een reconstructie van de tempel van Salomon.
Slechts enkele ontwerpen ontstegen dit niveau van goedbedoelde miskleunen. Daaronder een eveneens omvangrijk vierkant van stalen balken waarin de namen van dertig concentratiekampen waren uitgestanst. Dit ontwerp had Bubis’ voorkeur, maar Rosh moest er niets van weten: in tegenstelling tot het noemen van slachtoffernamen zou het noemen van kampnamen volgens haar slechts 'een kwaad geweten sussen’.
En Bubis zat niet in de jury. Daarin zaten behalve zelfverklaarde jodin Rosh überhaupt geen joden. Dat was een bewuste keuze. Rosh in een interview: 'Ik heb tegen de voorzitter van de Centrale Raad voor Joden in Duitsland gezegd: houdt u zich erbuiten, de nakomelingen van de daders bouwen het monument. Maar het zou mooi zijn als u straks instemmend kon knikken.’
Dat instemmende knikje kwam dus niet. Niet van de joden - sommigen maakten zelfs bezwaar tegen het winnende ontwerp op grond van de Wet Persoonsregistraties -, niet van de bondskanselier en evenmin van diens tegenstanders. Zo wees Reinhart Koselleck, ten tijde van de Neue Wache sterk in het blootleggen van Kohls crypto-katholieke motieven, op de christelijke connotatie van een schuin oplopende grafplaat (de herrijzenis na de dood!).
Vooral Lea Rosh, inmiddels door Henryk Broder tot 'Duitse rouwkampioen’ uitgeroepen, moest het in het hierop volgende tumult ontgelden. Die Zeit verweet haar dat ze zichzelf voor Meinungschefin inzake de omgang met de holocaust hield en de Berlijnse fractievoorzitter van de CDU verklaarde dat het hele onzalige Denkmal-idee slechts een door haar doorgedrukt geval van political correctness was geweest. Maar Rosh week geen centimeter - alle kritiek kwam immers voort uit 'het Duitse onvermogen tot rouwen’.
Van schrik bleef het bijna een jaar stil rond het monument. Pas in april 1996 kwamen de wedstrijdorganisatoren weer bijeen. Hoe nu verder? Om bepaalde discussies bij voorbaat de pas af te snijden werd gesteld dat drie dingen vaststonden: er zou hoe dan ook een monument komen, dat zou hoe dan ook in de achtertuin van de voormalige Reichskanzlei verrijzen, en de eerste steen zou worden gelegd op 27 januari 1999, de dag van de bevrijding van Auschwitz. Bovendien besloot men dat er begin 1997 drie colloquia zouden worden georganiseerd waarin honderd 'deskundigen’ hun licht over de herdenkingsproblematiek konden laten schijnen. Pas na afloop daarvan zouden er knopen worden doorgehakt.
Of er ook tot een nieuwe wedstrijd kon worden besloten? Nee, zei Peter Radunski, een voormalig medewerker van Kohl die in oktober 1995 de fakkel had overgenomen van SPD-senator Nagel: het bleef bij een 'voortzetting van de wedstrijd met andere middelen’. Want een nieuwe wedstrijd zou de doodsteek zijn voor het project. En dat kon Kohl, gezien het dubbelbesluit rond de Neue Wache, niet gebruiken.
MAAR DE VREES dat verder uitstel slechts afstel zou brengen, had vooral de vertegenwoordigers van de joodse gemeenschap in de greep. Niet ten onrechte, gezien de discussie die in de tussentijd had plaatsgevonden. Ditmaal betrof het een andere gevoelige plek in het Berlijnse centrum. Op een braakliggend terrein waar tussen 1933 en 1945 de Gestapo was gevestigd, waren in 1985 de resten van folterkelders blootgelegd. Er was een provisorisch tentoonstellingspaviljoen neergezet waarin onder de naam Topographie des Terrors het verhaal van de nazi-terreur werd gedaan en in mei 1995 had burgemeester Diepgen beloofd dat er voor de Kristallnacht-herdenking van 1998 een nieuw gebouw zou staan.
Herfst vorig jaar maakte de stad Berlijn echter bekend dat de nieuwbouw wegens acuut geldgebrek moest worden uitgesteld. Een besluit dat Diepgen op 9 november in zijn toespraak ter gelegenheid van de Kristallnacht-herdenking verdedigde door te wijzen op alles wat Berlijn al voor de joodse gemeente had gedaan. Waarop Ignatz Bubis, ditmaal in zijn hoedanigheid van adviseur van de stichting Topographie des Terrors, terecht antwoordde dat de Gestapo niet alleen joden had vermoord en dat dit museum dus 'geen geschenk aan de joodse gemeenschap, maar een zaak van de hele republiek’ was.
Slot van het liedje was dat het Berlijnse parlement alsnog toezegde mee te zullen werken aan voltooiing van de nieuwbouw in 1998. Maar niet alleen de Gestapo-kelders werden bedreigd door bezuinigingsdrift. In heel Duitsland, en vooral in de neue Bundesländer, dreigden 'authentieke oorden van nazi-geweld’ verloren te gaan door geldgebrek. In Sachsenhausen stond een na een neonazi-aanslag uitgebrande barak te wachten op herbouw, in Ravensbrück moest een beeld uit 1959 wegens instortingsgevaar worden verwijderd. Een zorgwekkende toestand, die bij velen de vraag opriep of de vijftien miljoen mark die het holocaustmonument waren toebedacht, niet beter in het behoud van deze complexen konden worden geïnvesteerd.
'Opgeschoven is opgeheven’, zei Bubis in de discussie rond Topographie des Terrors. Dezelfde sceptische toon sloeg hij aan ter gelegenheid van het eerste colloquium op 10 januari dit jaar. 'Een kalmeringspil’, noemde hij de bijeenkomst, en hij sprak de hoop uit dat men het kort zou houden zodat het echte werk snel van start kon gaan.
Maar de 'deskundigen’ discussieerden lang en breed over alles wat door senator Radunski tot non-onderwerp was verklaard. Het colloquium moest immers ook bewijzen 'dat er in dit land geen spoken meer wonen’? Zo werd de Duitse democratie het hoofdthema en kwam er geen zinnig advies voor de monumentenbouwers tot stand.
Ook tijdens de tweede bijeenkomst draaide men wellustig kringetjes rond de eigen navel. Was het hele monument geen aanmatigend project? Werd gedenken geen routinekwestie door zo'n 'kransendepot’? En kon Duitsland het wel maken alleen vermoorde joden in een monument te gedenken; waar bleven de zigeuners, de homo’s, de Jehova’s getuigen?
Henryk Broder wist het weer mooi te verwoorden: een monument dat slechts voor joden was, betekende een 'voortzetting van de speciale behandeling met andere middelen’.
Tijdens de laatste bijeenkomst, op 11 april, kwamen deskundigen en organisatoren elkaar dan eindelijk nader. Murw geslagen gaf de ene partij toe dat men terug moest naar het begin: een nieuwe opdracht, een nieuwe ontwerpronde, wellicht zelfs een nieuwe plek. Moegepraat gaf de andere partij toe dat eindeloos discussiëren ook geen oplossing bracht, dat er gewoon geen oplossing wàs, dat een holocaustmonument in Duitsland per definitie omstreden zou zijn. Misschien was een onbeholpen uiting van goede bedoelingen wel het hoogst haalbare. Of, zoals een van de critici nu berustend schreef: de beroemde knieval van Willy Brandt voor het monument in het Warschause getto dankte zijn uitwerking ook niet aan de zeggingskracht van het monument in kwestie - want dat was allesbehalve fijnzinnig.
EN ZO KWAM er dan voorlopig een einde aan deze Duitse Denkmalstreit. Tegen de tijd dat de nieuwe voorstellen bekend worden - eind dit jaar - zal de strijd zeker weer oplaaien. Gegarandeerd zal er op het nieuwe ontwerp van alles aan te merken zijn en zonder twijfel zal Henryk Broder andermaal vaststellen dat de wens een gedenkteken te bouwen voortkomt uit de Duitse Sündenstolz. Maar het monument zal er komen, want het besluit geen monument te bouwen zal niemand voor zijn rekening durven nemen.
Dat het resultaat omstreden zal zijn, dat het mensen zal kwetsen, dat het pijn zal doen aan kunstlievende ogen, daar zal men zich schweren Herzens bij neerleggen. Dat is nu eenmaal het lot dat Duitsland een halve eeuw geleden over zichzelf heeft uitgeroepen. En schreef Nietzsche niet al: 'Nur was nicht aufhört weh zu tun, bleibt in Erinnerung’?