Een voller, romiger verhaal

De fascinatie van Elma van Haren (1954) voor opvallende woorden en begrippen is terug te zien in haar keuze van dichtbundeltitels, zoals Grondstewardess (1996), Eskimoteren (2000) en Flitsleemte (2009). Mooi dat die titels wel degelijk verwijzen naar de realiteit, zoals ‘eskimoteren’ (een techniek waarmee je met je omgeslagen kano snel weer overeind kunt komen) of ‘grondstewardess’ (een stewardess die alleen op de luchthaven werkt).

‘Zuurstofconfetti’ gaat zo ver ik weet niet terug op een bestaand concept, maar Van Haren heeft niettemin een uitleg paraat in het gedicht Schrikwekkend wezen: ‘Heet is het. Heet en stil./ De ventilator zwiept lucht rond,/ zuurstofconfetti.’ De toon in dit gedicht lijkt opgewekt, maar onder het oppervlak ligt de angst om de greep op alles te verliezen. De voorwerpen in huis zijn ‘koel’, ‘grillig gevormd of glad als marmer/ elk ding onaangedaan steen’ en verbeelden de spanning tussen de ‘ik’ en de ‘je’, die ook in dit huis aanwezig is, als een donkere vlek. De achterdocht is verschrikkelijk: ‘sta je klaar met de presse-papier om me/ het hoofd in te slaan?’ Nee, zo blijkt, die ander staat gewoon koffie in te schenken.

Sterk hoe Van Haren de tragiek van een slepende en koud geworden verhouding beschrijft zonder de pijn rechtstreeks uit te venten. Redden wat er te redden valt, lijkt het devies: ‘Niet de focus verliezen, ik grijp je handen om je/ betrouwbaar te houden.’ Hier wordt besloten om niet zomaar op te geven, al ‘sta je daar./ Somber, ongelukkig, verveeld.’

Schrikwekkend wezen is exemplarisch voor Zuurstofconfetti: hier is iemand bezig er druk op los te associëren om zoiets abstracts als ‘de realiteit’ concreet te maken. Uiteraard hoort daar, zoals in alle bundels van Van Haren, het uitroepteken bij – leesteken van de vitaliteit, de (geforceerde) vrolijkheid, de waarschuwing en de wanhoop:

Distels?
Zou je willen! Het zijn bloemen van de wilde artisjok.
Zo makkelijk kom je niet weg!   
Wacht tot het eten.   
Je likt ook mijn vingers erbij af,     
zoals ik stekels teder bereid.

Zuurstofconfetti valt uiteen in drie delen (‘Bloemistengrond’, ‘Hoefschrapend Hart’ en ‘Zuurstofconfetti’) en bestaat uit lange gedichten die dikwijls meerdere pagina’s beslaan. De bundel is een op het oog gezellige kluwen van ingedikte taal en prozaïsche zinnen, diverse lettertypen, regels die inspringen en betekenissen en zinnen die open en meerduidig zijn. Van Harens debuut De reis naar het welkom geheten (1988) bevatte gedichten die wel wat weghadden van korte verhalen, maar het lijkt of Van Haren gaandeweg het Nederlands al hoe meer gebruikt om het denken te belichamen en te verbeelden, zoals een fragment uit Als niet zus… illustreert:

Ik kijk hoe ze weg cadanst in haar eierkoekgeel, haar kipkerriesalade-, kentekenplaatkleur en denk,   
wellicht zó…? 
Bestaan op bananenmilkshake-achtige wijze,   
wijder en warmer zijn,       
een voller, romiger verhaal.

Het heeft wel wat weg van de poëzie van Fritzi Harmsen van Beek. De fantasie gaat met het gedicht op de loop als de verteller aanwezig is bij een ‘lesje Overzicht’ waar kinderen ‘op ouderlijke schouders’ worden gehesen. Waar dat lesje wordt gegeven, waarom de verteller hierbij aanwezig is – context ontbreekt; het gaat om de bespiegelingen van de ‘ik’, die zónder dergelijke lessen is opgegroeid ‘en dan ook nog// willekeurig ergens.’ En dan staat er plotseling: ‘Hoezo dat meisje met haar Pools gezicht?/ In een geel uniform brengt ze koffie.’ Het is dezelfde serveerster die een paar regels verder ‘weg cadanst in haar eierkoerkgeel’. Ja, hoezo de Ander? Omdat je zonder de medemens verstoken blijft van alles, van contact, van liefde, van conflicten, van ervaringen. Zo’n steriel leven wil de ‘ik’ te allen tijde vermijden, maar daar is wel wat ondernemingslust voor nodig want in Dating heet het:

Ik netflix maar een eind weg, dat vervilt onmiddellijk en schenkt me een bevredigend traanelement.

Ook in het gedicht Algebraballade, waarin onder andere de bureaucratie rond het vuilnis ophalen op de hak wordt genomen, wordt en passant de grootstedelijke eenzaamheid aangestipt: ‘Daar ik sporadisch woon, maak ik kleine vuilniszakjes/ die ik gewoon achterlaat in de straat.’ En in De laatste der au. Sediba’s, volgens de toelichting een uitgestorven mensachtige waarvan in 2008 twee skeletten in Zuid-Afrika werden gevonden, klinkt de verzuchting: ‘Wat anders kan ik doen op deze paar vierkante meter/ dan denkbeeldig een hoek omslaan/ om een levende ziel te ontmoeten?’

Zuurstofconfetti barst uit zijn voegen door alle kronkels, invallen en zijsprongen. Het lezen vergt dan ook de nodige inspanning. Van Haren laat veel weg en open, dat maakt de gedichten soms onnavolgbaar, en op een gegeven moment heeft mijn interpreterend brein even genoeg van verbanden leggen en knopen ontwarren. Maar dan lees ik weer zo’n spitsvondige zin waardoor ik verder wil lezen. In Cadeau staat de frase ‘alle zintuigen een voor een op scherp’. Het zou een poëticale beginselverklaring kunnen zijn voor deze bruisende poëzie, die het leven zowel omarmt als op afstand houdt en hoopvol blijft, tegen de klippen op: ‘Dit jaar zowaar een schitterende naamdag!’

uit: Algebraballade

I
Ik ga achter de straat staan.
Achter de straat heeft ook een naam.
Het is een andere straat, waar mijn eigen straat voor staat.
Centrum stad is maar heel betrekkelijk.
Het ligt er maar aan bij welke straat je betrokken bent.
Mijn straat, zijn straat, haar straat…
Eenrichtingsverkeer helpt iedereen een eind op weg,
maar niet richting ‘onze’ straat.
Aparte straten heb je ook,
een beetje opzij, niet voor niet achter.
Wel altijd met twee richtingen, een open straat
die voor iedereen vanzelf apart zal zijn.
Of je nu wilt of niet,   
hoe graag je ook verbinding maakt,   
of de oversteek overweegt,
recht, dwars, via een rotonde,
apart blijf je en dat staat gelijk aan
een lichtjes duizelende.