An Intimate History

Eén voordeur voor duizend gezinnen

Lynsey Hanley
Estates: An Intimate History
Granta, 246 blz., € 17,70

Advertenties van Engelse makelaars bevatten soms omschrijvingen als ‘ex-local authority block’, ‘purpose built’ of simpelweg ‘apartment with great views’. Het zijn vindingrijke manieren om een categorie woningen aan te duiden die in de jaren vijftig en zestig met duizenden tegelijk werd opgeleverd voor de werkende (en werkloze) klasse. Deze ‘council flats’, doorgaans gelegen op ‘council estates’, behoren tot het soort woningen waar nooit eens The Eagles uit de ramen klinkt, waar de dichtstbijzijnde pub op openbaar-vervoerafstand ligt, waar het ruikt naar instant noodles en waar het poreuze beton garandeert dat buren geen geheimen voor elkaar hebben. De zon mag dan wel nooit ondergaan in het Britse wereldrijk, in de instant getto’s van steden als Londen en Birmingham schijnt hij zelden.

Neem The Wood, een gebied enkele mijlen ten zuidoosten van Birmingham. Op dit geografische middelpunt van Engeland liet de overheid een halve eeuw geleden twintigduizend woningen aanleggen, waarvan de meeste in de lucht. Het moest een paradijs worden, ja, een Nieuw Jeruzalem voor de Engelse Ossies die tot dan toe gehuisvest waren in vervallen stadswoningen van Victoriaanse makelij. De nieuwe flats waren ruim, goedkoop en centraal verwarmd, maar menselijke warmte ontbrak. Buren waren, ondanks de slechte isolatie, vreemden voor elkaar en ouders konden vanaf veertienhoog niet in de gaten houden wat hun kinderen aan het uitspoken waren bij de autogarages of op de grasvelden met de bordjes ‘No ball games’. Tot overmaat van ramp waren er amper sociale voorzieningen als een kinderopvang, bingocentrum of fish ’n chips-shop. Typerend was de minachtende reactie (‘Wat een reactionair idee!’) van huisvestingsminister Richard Crossman op het voorstel van de Birminghamse gemeenteraad om een leegstaande vliegtuighangar op het terrein om te bouwen tot buurtcentrum.

In het boek Estates: An Intimate History noemt de journaliste Lynsey Hanley zulke intellectuele arrogantie als de voornaamste oorzaak van het feit dat council estates synoniem zijn geworden voor misdaad, eenzaamheid en, ondanks het uitzicht, uitzichtloosheid. De schrijfster spreekt uit ervaring. Ze groeide op in Wijk 4 in The Wood en woont tegenwoordig op een council estate in het Oost-Londense Tower Hamlets. Daar is ze actief betrokken geweest bij plannen om te komen tot de afbraak van een oude flat én bij wel goed doordachte nieuwbouw. Nog scherp herinnert ze zich de reactie van een stedenbouwkundige tijdens een rondleiding door de hel waarin ze woonde: ‘Whose idea wás this?’

Voor het antwoord op die vraag moet een halve eeuw in de tijd terug worden gegaan. Zowel Labour als de Conservatieven waren na de oorlog van zins om achterbuurten definitief te verwijzen naar de puinhopen van de geschiedenis. Tijdens het interbellum was er al een begin mee gemaakt door middel van de aanleg van tuinsteden. Echter, dat verliep te traag, was te duur en zonde van het groen. Bovendien beschouwden progressieve planners suburbia in het algemeen en de tuin in het bijzonder als burgerlijke uitwassen. Het alternatief was simpel: de hoogte in, op z’n corbusiaans.

Voorbij, kortom, zou de tijd van de ‘kleinburgerlijke huiselijkheid’ zijn, het idee dat het huis the Englishman’s castle is. Eén voordeur voor duizend gezinnen, zo luidde het ideaal van Le Corbusier. De Zwitserse architect beschouwde woningen als ‘woonmachines’ die tezamen steden in de lucht zouden vormen. Hij dacht dat mensen ongeacht de omstandigheden in staat zouden zijn om harmonieus samen te leven. Hoewel dit een zege van de hoop op de ervaring was, vond zijn modernistische utopie gehoor bij Britse architecten en stedenbouwkundigen. Sterker, het modernisme werd de officiële architectuur van de welvaartsstaat. De democratisering van de stedenbouw werd mogelijk gemaakt door het goedkope grondmateriaal – beton – en het feit dat bij de massaproductie nauwelijks ambachtelijke vaardigheden nodig waren.

Al snel bleek dat er ‘sloppenwijken in de lucht’ waren gebouwd. De woonmachines mochten dan wel ruim en warm zijn, de sociale problemen waren groter dan ooit. Binnen de Victoriaanse sloppenwijken was immers nog iets als een gemeenschapsgevoel aanwezig. Volgens Hanley ontbrak het de betrokkenen indertijd aan inlevingsvermogen. Langs de zijlijn hadden hele sociologische scholen nota bene beschreven dat hoogbouw en eenvormigheid slecht zijn voor de Engelsman met zijn liefde voor hark, hyacint en hondenriem. Dat alle woonmachines tot in de jaren tachtig eigendom waren van de gemeenten en de meeste bewoners wegens gebrek aan financiële middelen geen huurpenningen hoefden te betalen, zou de betrokkenheid bij de veredelde schoenendozen niet vergroten. Bewoners noch overheid pleegden onderhoud, en dat terwijl beton snel veroudert. ‘Waar Victoriaanse huizen op zichzelf konden passen, daar was niemand bereid om op de council estates te passen’, schrijft Hanley.

De enige mensen die de verticale betondorpen uiteindelijk mooi vonden, waren de ontwerpers of hun bewonderaars die er zelf zelden gingen wonen. Architectuurcriticus James Dunnett had het over een ‘delicaat gevoel van terreur’ wanneer Balfron Tower in Oost-Londen ter sprake kwam, ontworpen door de Hongaarse architect Ernõ Goldfinger, de grote brutale boef in Hanley’s historisch-biografische studie (en in de gelijknamige James Bond-film). In de volksmond was dit een van de twee Goldfinger’s Towers of Hell in Londen.

De andere doorgangspoort naar de hel was de ‘gespierde en mannelijke’ Trellick Tower. Met deze woontoren is echter iets merkwaardigs aan de hand. Enkele decennia geleden werden de dertig etages nog bevolkt door geestelijk gestoorden, drugsgebruikers en andere dolende zielen, en nu is het er hip en leefbaar. Deze anomalie brengt Hanley niet ter sprake. Met zijn merkwaardige vorm – de liftschacht lijkt op een steunpilaar die de donkerbruine betonmassa recht houdt, zoals houten balken dat doen bij oude grachtenpanden – bleek hij een grote aantrekkingskracht te hebben op de yuppen, die bovendien graag in de buurt van het trendy Notting Hill wilden wonen. De invasie van jonge welgestelden betekende het einde van de laatproletarische monocultuur ter plekke. Opeens bleek betonnen hoogbouw niet per definitie slecht te zijn, zelfs niet wanneer Goldfinger aan de tekentafel heeft gezeten. Het gaat ook om de bereidheid van de bewoners er ondanks alle nadelen toch iets van te maken, om een handtekening te zetten onder een arbeidscontract in plaats van op de buitenmuur, om niet toe te geven aan de drang om een wasmachine van elf hoog te laten stuiteren en de lift als urinoir te benutten. Ja, om het balkon te transformeren tot een tuin in de lucht. Dit is een punt dat Hanley in haar polemische boek vergeet te maken.