Een voortijdig ontzekerde brisantbom

VASILI GROSSMAN
LEVEN EN LOT
Uit het Russisch (1989) vertaald door Froukje Slofstra
Balans, 959 blz., € 39,95

Door toeval zijn er nu vertalingen van twee ongeveer even omvangrijke romans die beide expliciet de parallellie tussen de staatsmisdaden van de Sovjet-Unie en het Derde Rijk als thema hebben. Jonathan Littell noemt Leven en lot van Grossman een van zijn bronnen voor De welwillenden. Een passage waar Littell op oudjaarsdag 1942 in Stalingrad zijn Obersturmführer Max Aue in een gesprek verwikkelt met een gevangen communist is het spiegelbeeld van een gesprek tussen Sturmbannführer Liss, vertegenwoordiger van Himmler, collega van Eichmann, en de oude communist Mostovoskoj. De fijnbesnaarde Liss is wellicht een van de modellen waarnaar Littell zijn fantoomportret van de nazi-Schöngeist Aue heeft gemonteerd. Grossman sloot een halve eeuw terug de verwantschap tussen socialisme-in-één-land en nationaal-socialisme (niet gelijk in opzet, wel in methoden en gevolgen) kort in de term ‘nationalistisch socialisme’.
In zijn roman overschaduwde dat thema allengs het oorspronkelijke hoofdonderwerp: de Russische overwinning van Hitlers leger bij Stalingrad als de redding van de wereld. Grossman (1905-1964) wist waarover hij het had. Voor dat deel van de roman kon hij rijkelijk putten uit zijn eigen reportages als oorlogscorrespondent voor de officiële legerkrant De rode ster.
In zijn terugblik op de oorlogsperiode 1941-1945 volgt Max Aue chronologisch en geografisch – het Zesde Leger achterna van Berlijn via de Oekraïne naar Moskou, Stalingrad, Berlijn en de Poolse kampen – praktisch dezelfde route als Grossman in zijn reportages: Moskou, Stalingrad, Oekraïne, Polen, Berlijn. Er is echter een tegengestelde beweging. Ooggetuige Max Aue vertelt zijn verhaal eind jaren zeventig. Achteraf is het makkelijk praten, zij het dat de als fascist ongeneeslijke Aue na afloop even wijs is als toen hij zijn bureaucratische loopbaan begon. Grossman was participerend ooggetuige toen hij als reporter het Rode Leger volgde. Hij deed verslag van de feiten, maar zijn berichten dienden natuurlijk tevens om het Russische moreel op te vijzelen.
Het zou de moeite waard zijn de gepubliceerde frontberichten te leggen naast de aantekenboekjes die pas kort geleden uit de archieven opdoken en in 2005 bezorgd zijn door Anthony Beevor en Loeba Vinogradova (in 2006 vertaald als Schrijver in oorlog, eveneens Balans). Het is zoiets als het verschil tussen Isaak Babels Rode ruiterij en zijn dagboek te velde.
Die vergelijking is, denk ik, nog interessanter met het oog op een andere, namelijk die tussen de reportages en de roman. Welke roman? In 1946 werd een keuze uit de reportages in Moskou uitgegeven, in allerlei (gecensureerde) vertalingen. In 1993 zijn de reportages in het Frans heruitgegeven als Années de guerre, nu ‘roman’ geheten, waaruit overigens al te Stalin-gezinde passages zijn weggelaten. Bij wat Grossman geschreven heeft is het toch al opletten wanneer iets geschreven, gepubliceerd en herdrukt is. Van 1937 tot Stalins dood in 1953 was Grossman een gezagsgetrouw schrijver. Tegen wil en dank, niettemin had hij voor publicatie van zijn werk veel over. In 1937 ondertekende hij een brief waarin om zware straffen voor de ‘moordenaars’ van Gorki werd gevraagd. In de roman weigert Viktor Strum op het nippertje, ondanks het bemoedigende telefoontje dat hij kort ervoor van Stalin zelve kreeg, goed voor een enorme euforie omdat daarmee een einde kwam aan een lastercampagne op zijn onderzoeksinstituut. Nog in 1952 zou Grossman zo’n brief, toen het ging om een zogenaamd complot van joodse artsen, zelf wel tekenen. In Fluisteraars van Orlando Figes, waarin tallozen vertellen over het schimmige bestaan onder Stalin, een wereld van achterklap, bedrog en wantrouwen, komt de naam van Grossman zijdelings voor. Het leven van de schrijver en hele delen uit zijn roman hadden er naadloos in gepast. De kronkelige carrière van de wetenschapper Strum, nu een soort ventweg naast het oorlogsverhaal, had zich goed geleend voor een aparte roman, nu nog.
Na aanvallen op zijn werk en de dood van Stalin kwam Grossman op andere gedachten, of liever: sprak hij ze (eindelijk) uit, in geschrifte – maar niemand kreeg de roman te lezen.
Eerst de reportages, daarna de roman, maar welke? Tussen 1944 en 1949 schreef Grossman, dus onmiddellijk in het verlengde van zijn reportages, een roman die hij aanvankelijk ‘Stalingrad’ wilde noemen. Na publicatie in een tijdschrift werd het boek pas in 1952 gepubliceerd onder de titel Voor een rechtvaardige zaak. Het kwam onder vuur te liggen; na de dood van Stalin werd het herdrukt en geprezen. De roman heet nu het eerste deel, Leven en lot zou dan deel 2 zijn; misschien is er eerder sprake van een eerste en een tweede versie. Nadat Grossman het nieuwe manuscript in 1960 had ingeleverd bij een partijgetrouw tijdschrift stonden in februari 1961 twee veiligheidsagenten voor de deur, die al het papier dat met de roman te maken had, tot en met het carbon, meenamen. Ook een brief die de auteur een jaar later aan Chroesjtsjov schreef mocht niet baten. Met de arrestatie van het boek, zoals Grossman het zelf noemde, werd het ontploffingsgevaar bezworen, voorgoed. De schrijver overleed enkele jaren later in grote armoede.

In 1980 is er in Zwitserland een Russische uitgave verschenen, in 1989 pas een volledige in Rusland. Veel te laat dus; dat geldt voor de vertaling eens te meer. Gevolg is dat je om de roman te kunnen lezen eerst iets over de voorgeschiedenis moet weten; aan een recensie kom ik dan ook niet toe. Over de roman van Littell heeft inmiddels iemand een boekje opengedaan door alle literaire en feitelijke verwijzingen op een rij te zetten. Leven en lot zou zo’n parallelboek als rugpand goed kunnen gebruiken. Juist de documentaire inslag – de gesprekken en de politieke intriges, inkijkjes dus in de hoofden van sovjetburgers – zou indertijd een ontploffing teweegbrengen; maar hoe kan een huidige lezer een virtuele explosie kitten?
Waarschijnlijk dacht Grossman de romanvorm nodig te hebben om zo veel mogelijk individuen met uiteenlopende denkbeelden aan het woord te laten. Hij had kunnen weten dat autoriteiten op hun manier heel goed kunnen lezen – wie het ook zeiden (Hitler en Stalin zelf, hoge en lage militairen, ingezetenen van Duitse en Russische kampen, slachtoffers, passanten), de hogere belanghebbenden zouden het bij elkaar gelezen hebben als de visie van één persoon. Ondertussen liep het eigenlijke verhaal dat Grossman te vertellen had in al die honderden pagina’s leeg. Aangekleed werd zelfs het Stalingrad-verslag een genrestuk, om over de pathetische jodentransporten tot in de gaskamer maar te zwijgen. Grossman zou Oorlog en vrede hebben voortgezet. Was diens conclusie en uitgangsidee dat er in de wereld geen schuldigen zijn, omdat iedereen, tot en met Napoleon, slechts uitvoerde wat het lot voor de mens in petto had. In Leven en lot draait een Duitse commandant het om door te zeggen dat er op aarde geen onschuldigen meer zijn. Ook dat spreekt Grossman tegen, maar evengoed schreef hij een anti-Tolstoi door zijn idee van vrijheid. Leven (hoop doet leven) doorkruist soms het lot, bijvoorbeeld als een vrouwtje in de Oekraïne het leven van een Duitse soldaat redt. Het vervelende is dat Grossman passages over individuele lotgevallen zo hoognodig zelf op filosofische toon in een wereldwijd perspectief moest plaatsen. Ook daarvoor is het te laat.