Een voortkabbelend murmelbeekje

Marijn Sizoo, Oktober, oktober. 331 blz., Bezige Bij, f39,50
EEN MEISJE van elf kruipt onder de tafel, waarop een kleed ligt dat over de randen hangt en tot de vloer reikt. Ze verbergt zich en zoekt een gaatje in de stof dat groot genoeg is om doorheen te kunnen kijken. Aan de beweging van een groene vlek in het kijkgaatje kan ze afleiden dat haar grootmoeder aan tafel is gaan zitten, om naar haar favoriete muziek te luisteren - de jazz van Duke Ellington en Charles Mingus. Onder de tafel herinnert het meisje zich de weemoed op het gezicht van haar oma en de vermoeide strengheid van haar opa.

Het weggekropen zijn, onzichtbaar voor de buitenwereld, moet het bestaan van het meisje Charlotte typeren: een afgezonderde, eenzame positie, niet in staat meer te zien dan wat het gaatje in het kleed wenst prijs te geven. Niet voor niets opent de auteur de roman met deze scene, en introduceert ze het hoofdpersonage met dit verstoppertje-spelen en oma-begluren. Charlotte Lint is niet iemand die midden in het leven staat en er onbezonnen aan deelneemt. Integendeel, ze is een moeilijk en nogal warrig meisje, met vreemde visies en gedachten. Ze heeft haar beide ouders verloren en is opgegroeid bij haar grootouders, in een mooi huis aan een rivier.
Wanneer Charlotte ten slotte volwassen is geworden, vindt ze een grote liefde, de cineast Leonard Hof. Waar het precies aan heeft gelegen doet niet ter zake, feit is dat ze uiteindelijk bij hem vertrekt en een eind maakt aan hun jarenlange relatie. En daar begint het verhaal…
MARIJN SIZOO (1957) debuteerde in 1990 als schrijfster met de verhalenbundel Groet aan de tegenstanders. Haar tweede boek is Oktober, oktober, een lijvige roman over tweemaal de geschiedenis van een vrouw, of, liever gezegd: twee manieren om in het leven te staan. De eerste geschiedenis is die van Charlotte Lint en begint enige tijd nadat haar verhouding met Hof op de klippen is gelopen. In aanhoudende vlagen van introspectie kijkt Charlotte terug op haar leven met Leonard, niet in staat zich los te maken van zijn aanwezigheid in haar bestaan.
Charlotte is anders dan andere mensen. Zoals ze toen ze klein was onder de tafel kroop om de dingen niet te zien die anderen wel konden waarnemen, ontwaart ze op volwassen leeftijd allerhande zaken die voor iedereen onzichtbaar blijven: ‘Is er nog een kans nergens aan te denken? Om te zijn waar ik ben, meer niet?
Om gewoon rond te kijken, te zien wat iedereen zou zien?
Het schitterwit van de tafel bijvoorbeeld, de kringen van weggehaalde glazen, de punt van de stropdas van de man die tegenover me is gaan zitten en die straks misschien lastig wordt.
Of het groen! Hoe mooi is het groen vandaag, of voor mijn part: hoe lelijk. De bomen langs de gracht zijn vandaag wellustig uitgebarsten in het groenste groen dat een meidag aankan.
Ik leg de groezelige folder naast mijn glas. Het beschreven servet, door wind nu zo dichtbij geschoven dat ik me slechts hoef te bukken, laat ik waar het is.
Zulke dingen lijken voortdurend in mijn buurt, de laatste tijd. Ik zie ze liggen. Zoals dat stukje pasfoto in de asbak. Iemand heeft een reden gehad om de rest (gezicht, rechterschouder) in ontelbare, minuscule snippers te scheuren tot het een vlokkig bergje was. Of het papiertje daar langs de stoeprand. Klein, gewoon een snoeppapiertje. Nu het langs een vuile straatput fladdert stel ik me voor dat dat papiertje het papiertje is dat de verstopping van de put definitief maakt. Zodat de straathoek na de eerstvolgende fikse regenbui blank staat en een argeloze fietser opeens tot zijn ellebogen wordt ondergespat.’
Charlotte weet dat ze op een punt in haar leven is aanbeland dat ze opnieuw moet beginnen - of het tenminste proberen. Maar het lukt haar niet. Ze wordt geplaagd door gedachten aan haar ex-geliefde, ze wordt ook telkens geplaagd door Zinloze Feiten: 'de laatste tijd drijven op de bodem van mijn blikveld dingen die mensen vergeten, weggooien, verliezen. Papiertjes (zo iemand als de fietser met het goede pak, is hij slordig, eigenlijk, of juist niet?), een oorbel, knopen, theaterkaartjes, centen, balpennen.
Het is te gemakkelijk te denken dat ze die dingen zomaar uit hun handen laten vallen.’
Charlotte Lint ontgaat niets. Ze neemt alles tot in de details waar: ze ziet elk gevallen papiertje, elk blaadje aan elke boom, elke veter in elke mensenschoen; ze hoort elk getjilp van elke vogel, elk gefluisterd woord, elk geknars van elk kiezelsteentje - en achter alles wat ze waarneemt, construeert ze haar eigen verhaal. Het hoekje van een pasfoto in de asbak is het gevolg van een gepassioneerde ruzie tussen twee minnaars (bijvoorbeeld), wat haar gedachten weer naar Leonard voert - zoals alles haar gedachten weer naar Leonard voert. Het hele eerste deel beslaat 164 bladzijden en vertelt ongeveer het volgende: Charlotte gaat, na bij Leonard te zijn weggegaan, werken als administratrice op een vervallen conferentieoord, waar ze de onbehouwen Ru Zomer ontmoet, met wie ze een affaire begint, die in Frankrijk vervolgens weer eindigt omdat ze hem verlaat.
Meer dan dat gebeurt er ook echt niet. Er gebeurt helemaal niets. Die 164 pagina’s zijn vooral de beschrijvingen van alle fijnzinnige waarnemingen van Charlotte, veelal weergegeven in een stijl die nu en dan de hoogste toppen van de vaagheid bereikt: 'Geen denken aan dat de herfst al op winter lijkt. Als een grimmige verklaring stuurt Ru de auto steeds dieper warme, droge landschappen in. Boomblad verkleurd als geverfd, geelgroen gras in voortdurende vlakten, zilverige gruisslierten, keien. Gistermiddag zijn cipressen opgedoken, als opgerolde paraplu’s door de glooiende aardkorst geprikt, steken ze het landschap uit, onderstreept door hun schaduw. Een leemwitte lucht reist met ons mee, vuil in de verte.’
Deel twee is net zo lang als deel een en vertelt het verhaal van Marthe, Charlottes dochter. Haar leven is bijna een spiegeling van dat van haar moeder - tot en met de verwrongen manier waarop ze met een man verkeert. In Marthes geval is het Dr. Otto F. Wemer, hoogleraar. En ook bij Marthe is die man in haar leven vooral een middel om het doel van zelfinzicht te bereiken. Net als Ru Zomer is Otto Wemer slechts van betekenis in zoverre hij Marthe de kans geeft haar eigen zelfbeklag uit te meten. Is zij eenmaal 'klaar’ met zichzelf, dan is ook Otto niet meer nodig.
OKTOBER, OKTOBER is geen roman voor even tussendoor. Het is een lood- en loodzware, humorloze opeenstapeling van zinloze feiten, onnutte details, onbetekenende voorvallen; een voortdurend eromheen draaien bij gebrek aan handeling, aan verhaal, aan ideeen; een kleverige wolligheid van dingetjes en stukjes en beetjes en toestandjes. Het onge looflijk grote aantal 'alsof’- en 'als’-constructies maakt het geheel er niet transparanter op - op het onleesbare af gebruikt de schrijfster formuleringen als deze: 'Het landschap begint te glooien, even later is het weer plat. Alsof moeilijk besloten kon worden tot heuvels of niet.’
Wellicht heeft Marijn Sizoo in het spoor van K. Schippers een ode willen brengen aan dat wat zich normaal gesproken onttrekt aan ieders aandacht, en heeft ze datgene wat 'op de bodem van het blikveld drijft’, dat wat door anderen overbodig of verwaarloosbaar wordt geacht, een plaats in het volle licht willen geven. Daartoe laat ze haar vertelster (tweemaal) voortdurend focussen op overbodige, oninteressante, zinloze voorwerpen en gebeurtenissen. Het resultaat van die stortvloed aan beschrijvingen van het-steevast-over-het-hoofd- geziene, is een honderden bladzijden lang voortkabbelend murmelbeekje van brak, lauw woordenwater. Geen stroomversnelling, geen waterval, geen bochten, geen stuwingen, geen versmalling of verbreding - steeds maar weer dat ene, afgemeten, niet te smalle en niet te brede, ingetoomde riviertje, dat trage watertje van non-dramatiek, van levenloze vertelsels.