Een vorm van blauw

Je kijkt al denkend, en kijkend denk je: het komt allemaal samen in vormgeving. Of het nu de geometrie van Morellet of de curve van Kelly is.

Het luisterrijke schilderij Blue Curve van Elsworth Kelly is, wat zijn vorm betreft, zeker niet een segment van een cirkel. Geometrisch kan het stuk blauw misschien beschreven worden als een vervorming van een driehoek – dat wil zeggen een hoek die net iets breder is dan negentig graden, waartegenover de rechte zijde, de bovenkant van het paneel, een gerekte kromme is. Het schilderij is bijna vier meter breed en ongeveer de helft zo hoog, en als je ervoor staat (vrij dichtbij), kijk je naar een suggestieve en mooi bemeten ruimte van hemelsblauw. De ruimte opent zich voor onze ogen: vanuit het lage punt, onderin, zien we de twee rechte zijden wijken en opengaan als een waaier. De bovenkant van de vorm beschrijft ongeveer een boog die zou ontstaan als de twee zijden ruitenwissers waren op de voorruit van een auto, een vorm die, vanaf het onderste punt, geleidelijk breder wordt en dan door de kromme wordt beëindigd als met een zachte horizon. Wat ik zo zeggen wil is dat Blue Curve helemaal niet vanuit geometrie is gedacht. Voor Kelly is de overzichtelijke precisie daarvan een idioom waarin hij zich thuisvoelt, vertrouwd als een handschrift. Wat hij schilderde, op de manier van dat idioom, was een vorm van blauw die, net als dat gebeurt met wolken die in de lucht ­voorbijdrijven en grillig van vorm veranderen, onze ogen op wonderlijke wijze blijft bezighouden. Het blijft in het midden wat de blauwe vorm precies is. De omtrek ervan is geometrisch niet makkelijk te definiëren. Omdat die omtrek eigenlijk dubbelzinnig is en de vorm niet vastlegt, lijkt het alsof het blauw, tegen het wit van de muur, wat schommelend beweegt. In plaats van strak gesneden is de omtrek dus zacht, wat perfect past bij het hemelsblauw dat helder is waarin wat fluwelige schaduw lijkt te hangen. De vorm van Blue Curve is dus raadselachtig. In Peinture van François Morellet daarentegen, dat een precies vierkant is, is de compositie geheel langs geometrische ingrepen opgebouwd.

Eerst was het vierkant (als het ware) door kruisende diagonalen in vier driehoeken verdeeld en verder van elkaar onderscheiden door dunne, rode en witte strepen, horizontaal en verticaal. Doordat vervolgens de verticaal gestreepte driehoeken naar links en rechts werden geschoven, ontstond er een curieuze verschuiving in het rood-witte patroon. Als je van die verschoven driehoeken de korte zijde doortrekt, ontstaat er in het midden (denkbeeldig) een vierkante ruit.

Met enige fantasie kun je dan dit schilderij zien als een kanteling van een vierkant, als anekdote dus. De nauwkeurig in elkaar passende vormgeving van Peinture is, heel anders dan in het atmosferische Blue Curve, een modulatie van vorm die geheel door geometrische delingen in elkaar is gezet. Wat wij in dat schilderij aan uitgekiende vormverschuiving zien gebeuren, voltrekt zich, als bij een kaleidoscoop, geheel binnen de begrenzing van het vlak. Vanaf die rand beweegt alle vormgeving zich naar het centrum. Het schilderij is eigenlijk een interieur zoals in het klassieke kubisme. Dat geschuif met hoekige vlakjes heeft Morellet op het spoor gezet van zijn geometrische abstractie. Ondertussen kwam Kelly ergens in zijn vroege ontwikkeling in aanraking met de ongrijpbaar beweeglijke drippings van Pollock die zo vreemd onbegrensd lijken, en daarom is zijn blauw, door die raadselachtige vorm gedragen, zo weids en atmosferisch als blauw maar zelden was. Geen blauwe vorm dus maar, om precies te zijn, een vorm van blauw. De mooie excercitie van Morellet daarentegen is een vertelling over het gedrag van vorm.

Ik herinner me een notitie van Osip Mandelstam (van toen hij, begin jaren dertig, schreef over zijn reis naar Armenië) die opmerkte dat het oog een instrument van denken is en ook dat ornament gedachte is. Je kijkt dus al denkend, en kijkend denk je: het komt allemaal samen in vormgeving. In wat de dichter schreef, heb ik altijd een grote dromerigheid gevoeld. Ik ken ook een schilderij uit 1956 van Kelly met daarop twee vormen, wit op zwart en krom als maansikkels. Dat motief had hij niet gedacht maar gezien: het was de schaduw geweest van het montuur van zijn leesbril die op een blad papier was blijven liggen. Het heette, omdat het ook wijd in vorm was, Atlantic. Dat wil zeggen: schilderijen hoeven niet op iets te lijken. Misschien begon Blue Curve inderdaad als ruitenwisser en werd toen ruimte, genereus en dromerig. Het ­schilderij van Morellet is steeds dicht in de buurt ­gebleven bij waar het begon.