Een vorm van eerlijkheid

Op de Rozengracht in Amsterdam is een geldautomaat. Ik ging daar om half één ‘s nachts heen, toetste mijn pincode in en hoorde toen achter me: 'Geld’. Het klonk als ‘Gul’. Een man stak een mes in mijn rug. Ik voelde de punt duidelijk. Ik gaf hem de tweehonderd gulden. Ik draaide me om en keek in het gezicht van een jongen van zeventien.

‘Dat is mijn geld’, zei ik.
'Ik nodig’, zei hij.
Hij graaide mijn portefeuille uit mijn handen en rende weg.
Ik ging onmiddellijk naar het politiebureau en deed aangifte.
'Hoe zag hij eruit, mijnheer?’
Ik durfde het niet te zeggen - maar deed het toch: 'Marokkaan, zestien, zeventien jaar.’
'Hoe weet u dat het een Marokkaan was?’ vroeg de agent slim - en ik schaamde me dieper.
'Dat weet ik niet zeker, agent. Hij heeft nu mijn paspoort, ik niet het zijne.’
'Sprak hij goed Nederlands?’
Ik schudde mijn hoofd en herhaalde: 'Hij zei: Ik nodig.’ Opeens twijfelde ik. Misschien zei hij wel: Ik nood, en bedoelde hij te zeggen dat hij in hoge nood zat. Maakte niet uit - hij heeft mij niet te bedreigen.
De agenten, die overigens erg aardig waren, zeiden dat ze me zouden waarschuwen wanneer ze iets hadden gevonden.
'Meestal hoor je zeker niets’, zei ik.
'Meestal niet, mijnheer’, zei de agent.
Een half uur later werd ik gebeld en kon ik weer naar het bureau komen. Men had mijn portefeuille gevonden en de jongen gearresteerd.
Op het politiebureau vertelde men mij hoe en wat: een patrouillewagen zag een jongen heen en weer lopen. Ze hielden hem in de gaten. De jongen liep naar een geldautomaat waar iemand geld trok. Vervolgens zagen de agenten hem een mes trekken. Precies zoals bij mij - ze konden hem op heterdaad betrappen.
Op dat moment ging er een deur open en zag ik de jongen in het volle licht.
Hij had handboeien om. Hij zag mij ook, maar herkende mij niet. Ik merkte dat ik dat erg vond. Hij deed, schuldbewust, zijn hoofd naar beneden. Opeens richtte hij zijn hoofd op en keek mij nogmaals aan - niets, geen herkenning. Diepliggende ogen, een paar dagen niet geschoren, bleek. Hij werd weggevoerd naar buiten.
Ik kreeg mijn portefeuille terug. Het geld was weg, en daar maakte ik melding van. De politie wist niet waar het geld was. 'Waarschijnlijk afgegeven aan een broer of vriend, mijnheer.’
Ik knikte.
'Waar komt hij vandaan?’ vroeg ik.
'Uit Marokko. Hij is hier net een week. Illegaal.’
'Hoe weet u dat?’
'We hebben een agent hier die twee Marokkaanse talen spreekt.’
'Heeft hij geen familie?’
'Waarschijnlijk wel, maar daar zijn we nog niet achter. Dat mogen ze op het hoofdbureau uitzoeken.’
Ik hoorde in mijn hoofd zijn stem: 'Ik nodig’. Of: 'Ik nood’. Dat moet hem in een week geleerd zijn.
Het was een vorm van eerlijkheid, hoe je het ook bekijkt. Hij was tenslotte in nood en hij had geld nodig, want hij was hier illegaal en maar een week.
Hij wilde niet liegen. Het feit dat hij na de overval op mij rusteloos rondliep, duidt eveneens op grote nood.
Als hij mij geld gevraagd had, zoals de bedelaarster in de Westerstraat altijd doet, wat had ik dan gedaan? Dan had ik geweigerd. Wat had hij trouwens met mijn geld gedaan?
'Had hij nog meer op zak?’ vroeg ik.
'Dat mag ik niet vertellen, mijnheer’, zei de agent, 'maar misschien had hij wel drugs op zak.’ Ik knikte.
'Ik nood.’
Had hij moeten bedelen?
Had ik niet naar de politie moeten gaan?
Ik liep het politiebureau uit, de kansrijke nacht in.