Dakota Johnson als Nina en Athena Martin als Elena © courtesy of Netflix

Wat ik niet snel zal vergeten zijn de perfecte billen van de toen zeventienjarige Scarlett Johansson, gevat in een dunne slip waarvan de tere perzikkleur alludeerde op de inhoud. Sofia Coppola zoomde dankbaar op ze in, in de openingsscène van Lost in Translation. Johansson speelde de verveelde Charlotte, door haar geliefde aan haar lot overgelaten in een hotelkamer in Tokyo.

Het was voldoende dat ze maar een beetje op haar zij op bed lag te liggen, in die heupslip, met die perfecte Maagdenburger halve bollen. Ik wist toen niet dat ze pas zeventien was. Achteraf gezien verklaart het een hoop, om te beginnen die perfectie.

Ik moest weer aan ze – de billen – denken toen ik naar mijn gevoel minutenlang moest staren naar de borstpartij van Olivia Colman zoals die, geperst in een zwart badpak, oprijst uit de Egeïsche Zee. Het is een scène vrij in het begin van The Lost Daughter. Wie weet is het een knipoog van debuterend regisseur Maggie Gyllenhaal naar crack Coppola. Een knipoog of iets minder luchtigs dan dat. Het doet iets met lichaamsdelen als je erop inzoomt. Ik weet niet of Gyllenhaal een statement wilde maken met het van dichtbij in beeld brengen van het ‘gewone’ volwassen vrouwenlichaam, mij liet het in ieder geval niet onberoerd.

Een goeie zaak ook natuurlijk, het werd een keer tijd, hoor je je dan te haasten om te zeggen. En ik meen het, wat iets anders is dan dat ik er rustig van word.

Olivia Colman als Leda en Ed Harris als Lyle © Yannis Drakoulidis / Netflix

Leeftijd zou er niet toe moeten doen, maar de praktijk van het vrouwenleven vertelt een ander verhaal. Elena Ferrante had haar roman over een vrouw op een scharnierpunt in haar bestaan ook 48 kunnen noemen, naar de leeftijd waarop vrouwen misschien wel steeds meer last krijgen vanTorschlusspanik. Ze noemde haar verhaal in plaats daarvan De verborgen dochter (La figlia oscura), dat door Gyllenhaal werd opgepikt om haar eerste film op te baseren, The Lost Daughter. De overlevering wil, op te maken uit Ferrante’s column voor The Guardian, dat toen Gyllenhaal haar wens of voornemen kenbaar maakte, ze volledige vrijheid kreeg van de schrijfster. Weliswaar was net dit boek haar speciaal erg dierbaar – ze schreef het naar eigen zeggen zonder reddingsvest – maar het belangrijkste was toch dat Gyllenhaal, een door haar gewaardeerd actrice, er ‘iets’ in had gezien, en om dat ‘iets’ zou het nu moeten gaan.

Was ze een man geweest, dan was het wat anders geweest, schrijft ze. Ferrante had er dan hoogstpersoonlijk op toegezien dat deze figuur niet met haar roman aan de haal was gegaan. De schrijfster gaat zich in haar column zozeer te buiten aan een potje womansplaining dat ik me alsnog afvraag of Ferrante niet toch het pseudoniem is van Domenico Starnone of een andere manachtige. Wij vrouwen hebben te lang in een mannelijke kooi gezeten, preekt ze, en nu die kooi aan het kantelen is moeten we vrouwen geen strobreed in de weg leggen, zeker niet als ze worden geïnspireerd door andere vrouwen.

Doe maar wiebelen, konijntje.

Gyllenhaal volgt overigens tamelijk nauwgezet het verhaal van de vrouw die door de aanblik van andervrouws moedergeluk en -getob zich geconfronteerd ziet met de afslag die ze zelf in haar leven heeft genomen. Het is een beladen afslag, behangen met taboes en stringente opvattingen over wat een moeder is en wat haar zou moeten bezielen. Leda is gescheiden, werkt aan de universiteit, en heeft haar beide dochters – neutraal geformuleerd – bij hun vader gelaten. De enige moederlijke zorg die ze nog heeft is ze één keer per dag telefonisch te woord staan. Dat ze weer in haar eentje haar leven kan leiden, doet haar goed, zowel geestelijk als fysiek. Ze begint zich zozeer weer haar oude, jongere zelf te voelen dat ze zin krijgt in een vakantie alleen.

Het zou moeten afleiden, maar in werkelijkheid is zwart op zekere leeftijd de kleur van let-niet-op-mij

In de roman huurt ze voor ruim een maand een appartement aan de Ionische kust, in de film vertrekt ze naar een Grieks eiland. Waar het om gaat is dat haar rust op het strand wordt verstoord door een grote Italiaanse familie, en dat ze met name geobsedeerd raakt door de jonge moeder in het gezelschap die speelt met haar dochtertje, dat op haar beurt een pop koestert.

De verborgen dochter is Ferrante’s beste roman, vind ik – compact in de pijnlijke en subtiele trefzekerheid waarmee hij over de ambivalenties gaat die het moederschap met zich meebrengt. Afgezien van het bekende verhaal van de moeder die langzaam leeggezogen en uitgeput steeds verder wegdrijft van wie ze dacht te zijn, vertelt de roman het lastiger onder woorden te brengen verhaal van gevoelens van vervreemding van en ergernis aan het eigen gebroed. Gyllenhaal brengt deze turbulenties via flashbacks in beeld, waarin een jongere Leda, gespeeld door Jessie Buckley, de strijd voert met haar echtgenoot over wie wat doet. Keelsnoerende scènes zijn het, van lieve goedbedoelende mensen die ten onder dreigen te gaan aan de primaire zorg voor iets dat niet in te dammen valt, het natuurgeweld dat ze zelf hebben ontketend.

Olivia Colman als Leda © courtesy of Netflix

Sterker dan in de roman wordt in de film ook de nadruk gelegd op de seksualiteit van Leda, die pas weer kan opbloeien onder vreemde handen. Vergeleken met die van de jonge moeder op het strand naar wie ze niet kan ophouden te loeren – Dakota Johnson op haar allerzwoelst – is haar seksualiteit echter iets heel precairs, het lachertje ligt altijd op de loer. Ze flirt met de jongen die de strandstoelen neerzet, een mooie rol van de jongen van wiens krachtige profiel we zijn gaan houden sinds Normal People, Paul Mescal, en hij gaat mee in het spel – wat een genot is dat. Des te harder is zijn verraad. Hetzelfde geldt voor de veel oudere huisjesbeheerder, een heerlijke ingedroogde Ed Harris. Wat wil hij van haar? Wat willen de mensen überhaupt van haar?

Het is indrukwekkend en aangrijpend hoe invoelbaar deze film het maakt dat Leda haar kompas verliest, daar in den vreemde, op haar eentje. Het ene moment danst ze vol overgave, in een signaalrode jurk, het andere moment haast ze zich naar haar huisje, sluit ze de rolluiken, dekking zoekend tegen wat en wie dan ook.

De kracht van zowel roman als film is de eenvoud van de plot: Leda grijpt in in het zoete tafereeltje dat ze iedere dag tandenknarsend gadeslaat. Ze eigent zich iets toe dat niet van haar is, en waarom? Tegenover de simpele verhaallijn staat een afgrond aan motieven, aan zwarte zielenroerselen.

‘Hoe oud ben je?’ vraagt de mater familias haar. ‘48’, bekent Leda. ‘Wát?’ Telkens weer moet het worden onthuld. ‘Ik ben 48…’ ‘Niet te geloven!’ ‘48…’ ‘Je ziet er veel jonger uit!’ Meer dan in de roman is het in de film telkens die leeftijd die moet worden benadrukt, om vervolgens ontkend te worden. ‘Je zou het niet zeggen!’

Je zou het niet zeggen, maar op een dag worden dit soort vleiend bedoelde opmerkingen belastend, alsof je een verschrikkelijke waarheid met je meetorst die beter niet onthuld kan worden. Ondertussen beken ik de werkelijke leeftijd van Colman te hebben opgezocht, niet kunnende geloven dat inderdaad ze ‘pas’ 48 is. Zo zie je maar. Een leven lang film kijken vertekent op dramatische wijze jouw en andervrouws werkelijkheid. Ook heb ik opgezocht hoe oud Gyllenhaal zelf is, de actrice die ik voor het laatst zag spelen in de serieThe Deuce, die ik niet kon uitkijken omdat ik haar, ik beken opnieuw, te oud vond voor wat ze moest verbeelden.

Ik denk zomaar dat de dus 44-jarige Gyllenhaal, zoals zoveel actrices die hun portie wel gehad hebben, een missie heeft. De waarheid die ze met deze film vertelt is dat Colman er geen jaar jonger uitziet dan ze is, een noviteit of in ieder geval een uitzonderlijkheid in Amerikaans filmland. En dus is het ook dat 48-jarige lichaam dat we voortdurend in our face krijgen. Dat zwarte badpak! Het zou moeten afkleden, zwart, zo wordt het altijd verteld, of sexy moeten zijn. In werkelijkheid is zwart op zekere leeftijd de kleur van let-niet-op-mij, een vorm van eigenrouw.

En toch, let’s face it, geef jezelf een klap en zet een andere bril op: Colman in de rol van Leda is om naar te blijven kijken, zo schijnbaar moeiteloos en snel wisselt ze van register, van onschuld naar woede, van extravert naar behoedzaam. Het is een wonder om te zien hoe de boekige interne monoloog door Gyllenhaal filmisch vertaald is, met kleine gebaren, betekenisvolle blikken, de zee en het strand, veilige oorden die zomaar in het tegengestelde kunnen veranderen.

The Lost Daughter is van begin tot eind een absoluut kijkfeest, en tegelijkertijd een belangrijke film die over grote thema’s gaat, net als het boek. Ferrante mag zich in haar handen knijpen.

‘Waarom denk je dat je mij in vertrouwen kunt nemen?’ vraagt Leda de jonge vrouw die haar appartement denkt te kunnen gebruiken voor een avontuurtje.

Wat ze eigenlijk vraagt, en dat weten we dankzij dat beweeglijke, ‘echte’, hele hebben en houden van Olivia Colman: Waarom ga je ervan uit dat ik ongevaarlijk ben?

The Lost Daughter is nu te zien op Netflix