Een vreemde benoeming

De Leeuwarder Courant bevatte onlangs een kritisch commentaar op de benoeming van de nieuwe Friese gedeputeerde voor culturele zaken. Deze portefeuille was tot voor kort in handen van de Partij van de Arbeid. De betreffende politica is inmiddels naar het Binnenhof getransfereerd, zodat de cultuur aldaar nu door de VVD wordt beheerd.

Dat is op zichzelf niet zo'n vanzelfsprekende keuze. Liberalen gaan ongetwijfeld met een zekere regelmaat naar schouwburg of concertzaal, maar van kunst hebben zij zelden verstand, laat staan van kunstenaars, een licht ontvlambaar volkje dat per definitie op de linksen stemt, kaboutertekenaar Rien Poortvliet niet te na gesproken.
Het probleem is dat de nieuwe gedeputeerde voor cultuur, ene Louis Lylkema, geen Fries spreekt. Toegegeven, zegt de Leeuwarder Courant, niemand is van mening dat deze betrekking is voorbehouden aan zo'n typische diepfries ‘die meent dat de Mesopotamiers het staartwassen al van de Friezen hebben afgekeken’.
Maar van een man die nooit Fries spreekt kun je niet verwachten dat hij ooit een Fries boek leest. En het Friestalige theater Tryater respectievelijk het Friestalige weekblad Frysk & Frij kent hij uitsluitend van de subsidie-aanvragen.
Nu moeten wij de importantie van de Friese cultuur niet overdrijven. Een Friese schilder is gewoon een schilder die in Friesland woont. Een specifieke Friese wijze van penseelvoering bestaat niet, noch een specifiek Friese manier om Mozarts pianoconcert KV 466 ten gehore te brengen.
Ten aanzien van de Friese taal ligt de situatie anders. Dat is wel degelijk een specifiek cultuurgoed. Een bedreigd cultuurgoed zelfs, waar zo'n cultuurgedeputeerde zich om moet bekommeren. En het is op zijn minst een vreemd gehoor als dit tijdens de statenvergaderingen in het Nederlands geschiedt.
Op zich hoeft een kunstpoliticus geen verstand van kunst te hebben. Dat is, landelijk bekeken, zelfs een soort traditie.
Kijk naar de diverse ministers van Cultuur die Nederland na de oorlog heeft gehad. Het waren op zijn best goedwillende dilettanten zonder veel visie. Marga Klompe pingelde 'Jesus, joy of mans desiring’ op de piano. Maarten Vrolijk heeft zelfs gedichten geschreven, al wilde hij dat liever niet weten, want die verschenen in de oorlog, in tamelijk foute blaadjes.
Maar hoe groot was de kunstzin van P.J. Engels, een minister die inmiddels door iedereen is vergeten? En die van Elco Brinkman, de echtgenoot van zijn ongetwijfeld allerliefst watervervende Janneke? Om over Andre ('Op Katendrecht zijn de nachten lang’) van der Louw maar te zwijgen, die het zelfs in zijn zwaarbesnorde hoofd haalde de kunstenaars te willen socialiseren, en goddank nauwelijks acht maanden op zijn stoel heeft gezeten.
Veel kwaad hebben zij uiteindelijk niet gedaan. Er zijn wat orkesten opgeheven, maar gelukkig hebben wij er nog een paar over. Voor de rest is de kunstenwereld zo hecht gestructureerd dat ook de meest a-artistieke minister weinig kwaad kan doen.
Kan men zich echter een Nederlandse cultuurminister voorstellen die geen Nederlands spreekt? Nee, net zomin als een Friese cultuurgedeputeerde die geen Fries spreekt. Het is het bewijs van 'de lichtheid van de Friese cultuur’, constateert de Leeuwarder Courant.
Beter gezegd, het is het bewijs dat de Friese cultuur, ook door de Friese politici, niet serieus wordt genomen, hoe diepfries er in raden en staten ook over dit onderwerp wordt gejeremieerd.