Een vreemdeling in nederland

Verleden week won hij de Thorbecke-prijs voor politieke welsprekendheid. Is Bolkestein dan zo welsprekend? Nee, maar in het land der blinden is eenoog koning. Het succes van de VVD-voorman weerspiegelt vooral de fletsheid van zijn tegenstanders.
TOEN FRITS BOLKESTEIN na een zestienjarig verblijf in het buitenland voor Shell in 1976 terugkeerde in Nederland, bleek hij zo vervreemd van zijn vaderland dat hij niet eens wist wat een tostie was. Het mag symbolisch heten dit in zo'n korte tijd zo ingeburgerde welvaartsvoedsel voor de Amsterdamse patricierszoon slechts vraagtekens opleverde. Heel Nederland was hem een raadsel geworden, een raadsel dat hem vooral angst inboezemde. De glorieuze welvaartsstaat van Joop den Uyl, waar macht, kennis en inkomen royaal onder het volk werden verdeeld, was hem een gruwel.

Het waren de hoogtijdagen van wat laatdunkend als ‘biefstuksocialisme’ werd aangeduid. Begrippen als 'ontplooiing’ en 'zelfbewustzijn’ zongen als mantra’s van een nieuwe beschaving rond. Nederland zeeg in stadsparken neer voor free popfestivals, strooide vrijelijk met subsidie ter indamming van potentiele maatschappelijke brandhaarden en was broederlijk vereend tegen dictators als Pinochet.
Het revolutionaire levensgevoel van de sixties was langs de weg van de opperste redelijkheid omgezet in een ongekend fijnmazig opererende sociaal-democratie, waarbinnen de solidariteitsgedachte van links werd gecombineerd met de vrijheidsliefde van het liberale Amerika, en tegelijkertijd de poorten werden opengezet voor de wijsheid uit de Orient. De jaren zeventig vormden in Nederland een ongekende uitschieter op de civilisatieladder, en wie er vandaag de dag over begint, oogst bij binnen- en buitenlanders in de regel louter melancholieke verzuchtingen over zoveel schoons dat verloren ging in de maalstroom van een steeds bruter wordende tijd.
ZO NIET FRITS Bolkestein. Toen hij in 1976 terugkeerde in Nederland was hij, zoals het zo mooi heet in een gedicht van Francois Villon, 'een vreemdeling in een vreemd land’ geworden. De jaren zestig markeerden voor hem een overgang naar een vrees inboezemend anarchisme, een verval van normen en waarden, het verdwijnen van sociale cohesie. Uit al zijn schotschriften tegen die vermaledijde periode komt vooral een totaal gebrek aan werkelijke kennis over die tijd naar voren.
Neem zijn tirade tegen de geest van de jaren zestig zoals die werd afgedrukt in de Haagse Post van 2 juni 1990. Onder de noemer 'Tegen de rede’ geeft Bolkestein daar zo'n karikaturaal beeld van de sixties als 'absurdistisch, anti-democratisch incident in de tijd’ dat het (geheel onbedoeld, want humor is niet zijn sterkste kant) bijna weer geestig wordt. 'Individualisme werd beleden maar conformisme was troef’, zo poogt de liberale leider de postmoderne lezers van het blad wijs te maken. 'Alternatieve mannen droegen snorren en lang haar, of kaftans. Voor vrouwen was er veel zwarte oogmake-up, witte lipstick, kousen van kant en zwarte plastic jassen de rigueur. Zo kort mogelijke rokken. Als het even kon, geen ondergoed. En zo min mogelijk wassen. Eerst was er pot en hasj. Toen kwam LSD. Dat kreeg je soms zonder dat je het wist: in je glas, in je cake, in je soep. Succes was onbelangrijk. Zakendoen was verwerpelijk. Werkloosheid bestond niet. Voor het eerst gingen kinderen naar de universiteit zonder aan een baan te denken. Die studenten hadden dan ook niet het flauwste benul van de economische systeem. Wie werk zocht, kreeg toch gelijk een baan? De alternatieve psychiatrie kwam in de mode. Wie in de war was, moest dat zelf kunnen verwerken. Medicijnen of schoktherapie waren daarbij niet nodig. Op een avond liet psychiater Ronnie Laing zijn verpleegde patienten de straat op gaan: dat zou ze goed doen. Wartaal kwekkend liepen ze rond.’
Ziedaar de jaren-zestignachtmerrie van Frits Bolkestein. Alles verraadt dat Frits Bolkestein ver weg was in die tijd. Terwijl hij namens de Koninklijke Olie over de vlaktes van Ethiopie en Somalie en de pampa’s van El Salvador en Honduras trok, liep Bolkestein een onherstelbare achterstand op ten opzichte van de sociaal-psycholigische ontwikkelingen in zijn vaderland en de rest van de West-Europa. Dat hij die achterstand uiteindelijk politiek wist te kapitaliseren, zegt dan ook meer over de identiteitscrisis waarin het Nederland van de jaren negentig zich bevindt dan over Bolkesteins persoonlijke talenten. Het is een komedie van de opperste verwarring en radeloosheid, waarover we binnenkort, zodra het huidige mentale neerwaartse conjunctuurgolfje van benepenheid, rancune en egoisme is overwonnen, hopelijk allen weer opgelucht kunnen lachen als een 'temporary setback’.
WAAR BOLKESTEINS innige haat jegens de ontwikkelingen van zijn eigen tijd en zijn eigen generatie precies vandaan komt, is niet zo moeilijk te raden. Hij miste de boot.
Waarschijnlijk was zijn politieke wraakexercitie ons bespaard gebleven als hij in 1957 na drie maanden redacteurschap bij het Amsterdamse studentenblad Propria Cures niet was weggestuurd. Binnen die redactie werkte Bolkestein samen met latere Hollandse sixties-helden als Hugo Brandt Corstius, Renate Rubinstein, Aad Nuis en Theo Sontrop, en dat gezelschap had hem natuurlijk als geen ander wegwijs kunnen maken in de naderende culturele revolutie in het Koninkrijk der Nederlanden. In 1957 had er nog van alles kunnen gebeuren met Frits Bolkestein. Hij stemde zelfs nog PvdA, en zijn chaotische en slepende studieverloop (een kandidaats in de wis- en natuurkunde, een doctoraal in de filosofie, een blauwe maandag Grieks) van die dagen verried een avontuurlijke geest, klaar om te worden ondergedompeld in rockmuziek, bewustzijnsverruimende paddestoelen of desnoods speciaal voor hem bereide LSD-erwtensoep.
In dat geval had Bolkestein misschien kunnen ontdekken dat gekken er inderdaad bij gebaat zijn om af en toe eens op straat te komen in plaats van achter de gesloten deuren van de inrichtingen hun hersens tot pulp te laten koken met elektrische schokdraden en lithium. Misschien had hij een boek als One Flew Over the Cuckoo’s Nest kunnen lezen. Misschien had hij, om kort te gaan, niet die fatale angst opgebouwd voor het vreemde.
Maar helaas: Frits Bolkestein werd genadeloos weggehoond bij Propria Cures. Omdat hij te stijf schreef en dacht. Slechts een kwart jaar duurde zijn verblijf bij de schrijvende boheme van de hoofdstad, en dat was te kort om hem 'on’ te turnen, 'in’ te tunen en 'out’ te doen droppen, zoals het gevleugelde recept van sixties-profeet Timothy Leary indertijd luidde. 'Frits vertrok naar Afrika om voor Shell de zwartjes uit gaan persen’, hoonde ex-redactiegenoot Brandt Corstius later. 'Als hij, na zijn jaren als secretaris-generaal van de Verenigde Naties, kandidaat is voor het presidentschap bij de Verenigde Naties van West-Europa, zullen de fotootjes en ooggetuigjes ons daar vreselijke dingen over melden, maar voor mij waren het jaren waarin niet aan Frits werd gedacht.’ Het is een indicatie voor de hardhandige wijze waarop Bolkestein uit de redactie van Propria Cures werd gezet. Het maakt de rancune die de machtigste politicus van het huidige Nederland in de ban houdt ook begrijpelijk.
IN HET BESLOTEN milieu van Shell - met types als Henri Deterding en Hendrikus Colijn van oudsher al niet bepaald een broeibak voor het progressieve gedeelte van de mensheid - verloor Frits Bolkestein zijn laatste contact met zijn tijd en groeide hij definitief uit tot een conservatieve hardliner.
In 1976 koos Bolkestein voor een carriere in de Nederlandse politiek. Zijn politieke belangstelling had hij overigens niet van een vreemde: Bolkesteins grootvader was minister in het oorlogskabinet van Gerbrandy in Londen. In het begin van zijn parlementaire loopbaan, die in 1977 begon, pochte Bolkestein altijd dat zijn keuze voor de politiek volkomen autonoom was en dat hij daarmee een groot persoonlijk risico nam, zowel carrieretechnisch als financieel. Later bleek dat zijn werkgever hem zeer nauw had bijgestaan. Een imposante gouden handdruk vrijwaarde hem van alle persoonlijke sores, terwijl Shell hem ook nog eens intensieve mediatrainingen gaf ten behoeve van zijn nieuwe loopbaan.
Het is, om kort te gaan, niet overdreven oud-links om te zeggen dat Bolkestein gewoon door zijn werkgever in de politieke arena werd geparachuteerd. Zijn missie was dan ook van het begin af aan heel duidelijk geprononceerd, zoals Hans Wiegel zich nog duidelijk herinnert: het afrekenen met de uyliaanse verzorgingsstaat zoals die nog maar zo vers was ontworpen. Niet voor niets valt Bolkesteins debuut in het parlement bijna samen met de unieke 'dreigbrief’ die de tien grootste ondernemingen van het land - waaronder ook Shell - in de landelijke kranten lieten opnemen: een uiterst fel getoonzet betoog tegen het door het kabinet-Den Uyl gekozen beleid van spreiding van macht, kennis en inkomen.
'Ik had rustig bij Shell kunnen blijven, maar ik vond dat Nederland de verkeerde kant opging’, zo verklaarde Bolkestein in november 1993 tegen het blad De Humanist. 'Ik heb lang in het buitenland gewoond maar voelde me toch sterk betrokken bij Nederland. Een gevoel van burgerzin. Ik wilde er iets aan doen.’ De drijvende motor van al deze spontaan ontloken politieke actiebereidheid was, aldus de spreker zelf, een diep wantrouwen tegen het opgewekte mensbeeld dat Den Uyls sociaal-democraten erop nahielden. 'Je hebt mensen die goed zijn en mensen die slecht zijn. Dat wil ik graag aanvaarden’, zo lichtte Bolkestein zijn persoonlijke mensbeeld toe. 'Daartussen bevindt zich een grote massa van tachtig of vijfentachtig procent die best welwillend is maar ook een beetje kortzichtig en gemakzuchtig. De calculerende burger waartoe u en ik misschien ook behoren. Zoals water altijd naar het laagste punt stroomt, zoekt elk mens zijn eigen voordeel. Je moet dan ook de sociale zekerheid niet afstemmen op de mens die volstrekt goed is maar op de grote massa. Het gebeurt maar al te vaak dat mensen iets doen wat hen goed uitkomt, in de hoop dat een ander dat niet merkt. Ja, het vlees is zwak. Een overheid die streeft naar een ideaal voor allen is een overheid die eindigt met de Goelag, met een totalitair stelsel.’
HEEL VAAK BLIJKT het liberalisme van Bolkestein een vorm van gepolitiseerde misantropie, een schreeuwend wantrouwen tegen de ware wensen en motieven van de massa, die voort lijkt te komen uit een diep ingebakken klassebewustzijn. Het was dan ook onder zijn leiding dat de VVD in haar liberale Weltanschauung enige decennia werd teruggedraaid. Onder de verlichte liberaal Joris Voorhoeve definieerde de VVD het liberalisme nog uiterst mensvriendelijk en democratisch, met een grote rol voor de staat als hoeder der mensheid: 'De staatsorganisatie dient niet alleen passief vrijheidsrechten te schenken, maar ook kansen te bieden op individuele ontplooiing en te stimuleren om van die kansen gebruik te maken. Het moderne ervan is dat de staat mag stimuleren.’ Dat was helemaal in de geest van naoorlogs Nederland. Nadat Bolkestein Voorhoeve deskundig had gewipt, stortte de VVD zich op de mismoedigst makende definitie van het liberalisme die zich maar denken laat: 'Men kan gemakkelijk te ver gaan met het toekennen van sociale rechten aan het individu. Herverdeling met het oogmerk de verschillen tussen de diverse individuen te verkleinen, past niet in de waarborgstaat. Herverdeling dient er alleen toe om ieder een bepaald niveau aan middelen te garanderen. De situatie boven het minimum is volstrekt irrelevant. Deze staatsconceptie is de onze.’ Zo stond het in 1988 in een mede door Bolkestein ondertekende publikatie van de Teldersstichting, het wetenschappelijke bureau van de VVD. Voortaan was schraalhans keukenmeester bij de VVD. Zwartgalligheid werd tot ideologie verheven en later dan ook aangevuld met toefjes xenofobie en politiek revanchisme op ieder mogelijk terrein.
Het was een boodschap die er om verschillende redenen goed in ging bij de maatschappelijke bovenlaag, niet in de laatste plaats bij de vermoeid en tevreden geraakte linkse ridders van weleer, van de om een 'vechtmaatschappij’ smekende ex-hippie- econoom Arie van der Zwan tot de theatraal tegen de 'geitenwollen-sokkendictatuur’ agerende Jan Blokker.
OP GROND VAN zijn monsterzege bij de Provinciale Statenverkiezingen van 8 mei jongstleden zou je bijna gaan denken dat de rest van Nederland inmiddels ook is gerecruteerd bij Bolkestein Kill the Sixties-beweging. Het vermoeden dat er in de persoon van de VVD-leider eindelijk weer eens een politiek genie van de eerste orde is aangetreden, is inmiddels tot vervelens toe in alle mogelijke bewoordingen herhaald.
Toch lijkt het vooralsnog realistischer om ervan uit te gaan dat het succes van Bolkestein vooral voortkomt uit de verschrikkelijke zwakte die zijn politieke concurrenten de laatste jaren aan de dag leggen. In het land der blinden is eenoog koning. Zo won Bolkestein verleden week de Thorbecke-prijs voor politieke welsprekendheid. Is hij dan zo welsprekend? Wie de man hoort praten, meent al snel naar een vooroorlogs dictafoon-apparaat te luisteren, zo onnatuurlijk strooit de spreker met zijn klemtonen - vooral de loodzwaar geaccentueerde n’s aan het einde van zijn woorden maken een potsierlijke indruk.
De grootste kracht van Bolkestein bij de afgelopen verkiezingsslag was het volkomen gebrek aan concurrentie. De enige politica die instinctief aanvoelde hoe Bolkestein dient te worden bestreden, was de arme Hanja Maij-Weggen, die op het hellende vlak wees waarop Bolkestein zich steeds meer begeeft. Dat het CDA daarna probeerde de tegenvallende uitslag op de schouders van de Europarlementarier af te wentelen, spreekt boekdelen over de crisis in christen- democratische kring.
De verkrampte wijze waarop PvdA, D66 en CDA het electorale oprukken van Bolkestein hebben aangezien, zegt alles over de lamlendige staat van deze partijen, maar nog niets over de daadwerkelijke slagkracht van de VVD. Pas na het vallen van het doek werden er antwoorden bedacht. Zo sloeg het verwijt van Wolffensperger, uitgesproken tijdens de verkiezingsuitzending van Nova, natuurlijk precies de spijker op zijn kop: ja, inderdaad dreigt Nederland onder Bolkestein een zo rechtse en behoudende natie te worden dat er geen plaats meer is voor intermenselijke solidariteit. Maar Wolffensperger sprak deze woorden uit alsof hij er zelf niet helemaal in geloofde en daar zit hem natuurlijk de crux.
Bolkestein moet om de oren geslagen worden met zijn inktzwarte visie op het menselijke bestaan. Hij moet alsnog worden ondergedompeld in een spoedcursus Sixties, te kijk worden gezet als de politieke misantroop die hij is. Alleen dan zal de VVD weer kunnen worden teruggebracht tot de geruststellende proporties van weleer, tot de overzichtelijke conservatieve clan die zij behoort te zijn. Het zal onder meer moeten inhouden dat met name PvdA en D66 weer eer gaan scheppen in de traditie waaruit zij voortkomen, en rondborstig idealistisch zijn. Dan zal blijken dat Bolkestein niet meer is dan een wraakzuchtig gestemde achterblijver, in plaats van de pionier waarvoor hij nu in sommige kringen per abuis wordt aangezien.