Arlie Hochschild over de uitbesteding van onszelf

‘Een vriend doet ertoe’

De markt is aanwezig in onze slaapkamers, aan onze ontbijt­tafels, in ons liefdesleven, in ons plezier en ons verdriet. Iedere intieme ervaring lijkt een verhandelbaar goed te zijn geworden. Sociologe Arlie Hochschild onderzoekt dat.

Individuele emoties zijn sociaal. De maatschappij bepaalt immers wanneer we ons gelukkig of verdrietig behoren te voelen. Net afgestudeerd? Gelukkig. Vader ziek? Bezorgd. ‘Feeling rules’, noemt Arlie Hochschild (72) deze regels. Het is een van de vele termen die ze in haar lange carrière in de sociologie bedacht om het weerbarstige veld van menselijke emoties beter te kunnen onderzoeken.

‘Feeling rules’ zijn dus cultureel bepaald. Maar dat maakt Hochschild, een van Amerika’s meest vooraanstaande sociologen en auteur van klassiekers als The Second Shift en The Time Bind, beslist geen relativist. Met haar analytische intellect en met gepaste wetenschappelijke afstand lijkt ze voortdurend op zoek te zijn naar de intrinsieke waarde van bepaalde gevoelens. Naar de verschillende ‘waardesferen’ in onze maatschappij. In het bijzonder de waardesferen van zorg en onderlinge afhankelijkheid trekken haar aandacht. Omdat die zo zijn ondergesneeuwd door de steeds meer overheersende waardesfeer van de commercie, van de marktcultuur van het neoliberalisme. ‘In de wereld waar ik wil wonen is zorg voor anderen een bron van vervulling in zichzelf. Het betekent iets. In die wereld zou ik zeggen: dát is wie ik ben. Ik ben de persoon die een huis bouwt van oude rommel met mijn kleindochters. En waarom doe ik dat? Omdat ik het belangrijk vind. En waarom vind ik het belangrijk? Omdat het een waarde heeft. Ik voel me verbonden.’

Als kind van diplomaten voelde Hochschild zich in haar jeugd dikwijls vervreemd van haar omgeving, omdat het vaak lastig was om te achterhalen wat mensen nu werkelijk voelden. Waren de mensen om haar heen werkelijke mensen of waren het acteurs? Vaak vermoedde ze het laatste. En nog steeds, geeft ze toe, voelt ze zich vaak ‘een vreemdeling’ in deze wereld. ‘Dat is waarom ik socioloog ben geworden. En het is ook de reden waarom ik onderlinge afhankelijkheid en connectie koester. Want ik heb disconnectie meegemaakt in mijn jeugd en ik vond het niet prettig.’

de film The Truman Show uit 1998 maakte dan ook grote indruk op Hochschild. In de film volgen we de worsteling van Truman, die leeft op een televisieset en erachter komt dat elk detail van zijn leven vanaf zijn geboorte in scène is gezet. Zo valt het hem bijvoorbeeld op dat zijn vrouw telkens zijn koffiekopje in een bepaalde richting draait (zodat de camera het merk van de koffie in beeld kan krijgen). Steeds vaker heeft hij dergelijke ervaringen, waardoor hij zich langzamerhand realiseert dat zijn moeder niet zijn moeder is, zijn vader niet zijn vader en zijn vrouw niet zijn vrouw. Het zijn allemaal acteurs. ‘Deze film zette me aan het denken over de commerciële cultuur in Amerika die groeit en groeit, terwijl de overheid wordt bekritiseerd en ­afgeslankt en gemeenschappen worden gemarginaliseerd.’

Bovendien had ze in haar dagelijks leven zo nu en dan ‘Truman-momenten’, bijvoorbeeld toen ze voor het eerst las over de online service ‘rent-a-friend’. Ze legt uit: ‘Je kan natuurlijk zeggen: ach, het is humor, het klinkt lekker, goede branding. Maar dan denk je: wacht eens even, wat doet dat woord “rent” voor “a friend”? Een vriend is er toch voor je in de donkerste tijden van je leven? Een vriend doet ertoe.’

Dergelijke ‘Truman-momenten’ ­vormden de aanleiding voor haar nieuwste boek The Outsourced Self: Intimate Life in Market Times. Hochschild beschrijft daarin hoe Amerikanen steeds meer aspecten van hun persoonlijke leven aan de markt uitbesteden en hoe ze nieuwe grenzen trekken tussen wat persoonlijk gebonden is en wat niet. Ze volgt de levens­cyclus van de mens: vanaf de geboorte via dating, huwelijk, ouderschap, ziekte, tot aan de dood. Iedere intieme ervaring lijkt in de Amerikaanse service-industrie een verhandelbaar goed te zijn geworden.

Zo praat Hochschild met Grace, die na een tijd vruchteloos zoeken naar een partner besluit om de hulp in te roepen van Evan. Evan is een ‘love coach’ en eigenaar van e-Harmony, een bedrijf dat mensen helpt om een succesvol profiel aan te maken op datingsites en zo de slagingskansen op de relatiemarkt te vergroten. Op Evans advies wil Grace een ‘echte’ ervaring op haar profiel zetten, namelijk hoe ze ooit in een zenklooster bescheidenheid aanleerde. Op haar handen en voeten schrobde ze daar de badkamers. Met ingehouden humor beschrijft Hochschild Evans reactie. ‘Dat lijkt me iets te veel echtheid. Waarom bewaar je dat niet voor je eerste date?’ Evan verzekert Grace: ‘Het beste ware zelf is een gemiddeld zelf. Iedereen moet mikken op het midden om zijn markt te verbreden. Probeer nooit om je te richten op een kleine niche-markt.’

Als Grace haar profiel met aangepaste ‘echte’ ervaring eenmaal online heeft gezet, krijgt ze een stortvloed aan reacties. ‘Je hebt een goede roi, return on investment’, vertelt Evan haar. Het is een hels karwei om door alle reacties heen te gaan. Een van de services die Evan aanbiedt is om ook dit klusje uit handen te nemen en de reacties te filteren op geschiktheid. Dat nu ging Grace echter net een stap te ver. Het gebruik van een online datingservice was geen probleem, het inschakelen van de love coach Evan ook niet, maar het uitbesteden van de reacties? Nee, dat was te persoonlijk om uit handen te geven.

Grace correspondeerde met verschillende mannen. ‘Je moet vele kikkers kussen’, zei een vriendin. Evan sprak niet over kikkers, maar over cijfers. Iedereen in de online datingwereld heeft een cijfer, legt hij uit. Zo is een 10-vrouw een nooit getrouwde 24-jarige met de juiste maten, een gezicht als Nicole Kidman, een warme persoonlijkheid, een succesvolle maar flexibele carrière en een liefde voor gourmet koken. Grace was erg knap en sexy, maar ouder en gescheiden en ze had maar weinig tijd voor koken met haar drukke baan. Ze was dus ‘misschien een 6’. Op haar vijftigste verjaardag merkte ze direct aan de reacties online dat haar waarde nog verder was gedaald.

Hochschild schrijft met empathie over mensen als Evan en Grace. Ze beschrijft de gecompliceerde relatie van nanny’s en hun opdrachtgevers. Van zindelijkheidstrainers, huwelijksplanners en bejaardenverzorgers. Van mensen die tegen betaling ervoor zorgen dat een graf er gezellig bij blijft liggen, of dat de as van een dierbare overledene wordt uitgestrooid. Zelfs voor de ‘wantologist’. Het heeft volgens haar ‘geen zin om mensen te veroordelen’. Ze neemt dan ook uitdrukkelijk haar eigen zoektocht naar een geschikte verzorger voor haar superbejaarde oudtante als leidraad voor haar verhaal. Om te laten zien dat zij ook intieme taken van haar persoonlijke leven uitbesteedt. Dat ze ‘een van ons’ is.

Wat haar vooral interesseert is hoe al deze mensen nieuwe grenzen trekken en eenmaal uitbestede taken weer persoonlijk proberen te maken. Zo vond Grace het inhuren van een love coach geen probleem, maar vond ze dat ze wel zelf door de reacties heen moest gaan. Dat was iets wat in de persoonlijke sfeer moest blijven. Een andere geïnterviewde gebruikt een honden-uitlaatservice voor alle doordeweekse dagen, maar gruwt van mensen die dezelfde service ook op zaterdag gebruiken: ‘Als je je eigen hond niet eens op zaterdag meer kunt uitlaten, waarom neem je dan een hond?’

Een prachtig verhaal is hoe een huwelijksplanner probeert om een thema te ontdekken voor het huwelijk van een stel dat nauwelijks tijd heeft om hun eigen huwelijksfeest te organiseren. Na lang doorvragen komt ze erachter dat de man de vrouw ooit een citroenboom cadeau heeft gedaan en op dit gegeven borduurt ze voort en geeft de bruiloft het thema ‘de legende van de citroenboom’. Op de menubordjes staat ‘de legende van de citroenboom’ beschreven, overal liggen citroenen en de ruimte wordt versierd met gele decoratieve details. ‘Het is een voorbeeld van hoe mensen proberen een eenmaal uitbestede intieme taak weer opnieuw persoonlijk te maken’, zegt Hochschild.

Hochschild licht het begrip ‘outsourcing of the self’ nader toe: ‘Als we zeggen dat we onszelf hebben uitbesteed, dan betekent dit dat we de symbolen van het zelf waar we gehecht aan zijn geraakt, de symbolen van liefde en connectie, dat we die symbolen eerder in ons leven aan de productiekant van ons intieme leven hebben geplaatst.’ Vroeger zou je je liefde voor je vrienden misschien uiten door ze bij je thuis uit te nodigen en een lekkere maaltijd voor ze klaar te maken. Het symbool van je liefde en van je verbinding is dan dus het zelf koken en het uitnodigen in je huis: de productiekant. ‘Die symbolen van het zelf laten we nu geleidelijk aan vallen en we vervangen die door nieuwe symbolen. Het nieuwe symbool om uiting te geven aan mijn liefde zou dus kunnen zijn: ik hou zoveel van je en daarom ga ik nu deze magnetronmaaltijd voor je opwarmen.’ Het symbool is dan opgeschoven naar de consumptiekant.

Met haar boek wil Hochschild ‘de gift van het stellen van een vraag’ geven, zo legt ze uit. Die vraag luidt: aan welke kant van de lijn tussen productie en consumptie leggen we onze symbolen neer? ‘Ik denk dat we in het midden staan van een periode waarin we het zelf opnieuw aan het symboliseren zijn.’

Toch is het niet alleen een vraag die Hochschild stelt. Ze legt uit dat ze probeert om in haar boek heel voorzichtig met dit precaire onderwerp om te gaan. Want we worstelen er allemaal mee, maar we vermijden het om naar die strijd te kijken, omdat het zo wezenlijk en zo beangstigend is.

Toch is het duidelijk wat Hochschild zelf denkt van deze tendens en in het laatste hoofdstuk van haar boek gaat ze ‘los’. Ze schrijft: ‘Het is waarschijnlijk dat deze services alleen maar verder zullen uitbreiden in een wereld die gemeenschapszin ondermijnt, overheidsdiensten in diskrediet brengt, non-profitinstellingen marginaliseert, en gelooft in de superioriteit van alles wat te koop is. Een zelfvervullend mechanisme treedt in werking: hoe meer angstig en geïsoleerd we zijn, en hoe minder hulp we ontvangen van niet-marktgerelateerde bronnen, hoe meer we verleid worden om dat gat te vullen met aanbod van de markt… De markt is nu aanwezig in onze slaapkamers, aan onze ontbijt­tafels, in ons liefdesleven, vervlochten in ons diepste plezier en verdriet. En hoe meer de markt de belangrijkste speler is, hoe meer verslaafd we raken aan wat de markt verkoopt, en hoe meer overtuigd we raken dat we behoefte hebben aan betaalde expertise en dat we gewoon een nóg grotere service-supermarkt moeten bouwen.’

De overtuiging dat de markt alles beter kan dan wijzelf illustreert Hochschild met nieuwe termen in het Amerikaanse woordgebruik. Zo wordt inmiddels in Amerika gesproken van lekenzorg (lay-care), wat zoveel inhoudt als zelf voor je kind of moeder zorgen in plaats van dit over te laten aan een professionele aanbieder op de markt. Evan, de love coach, heeft het afwijzend over het volstrekt kansloze ‘dating in the wild’ waarmee hij doelt op het zoeken naar een partner irl (‘in real life’) in plaats van online. En een ‘non-professional birthday party’ is een verjaardagsfeestje met ezeltje-prik in je eigen huis, zonder professioneel entertainment.

Toch zijn sommige westerse vrouwen juist bijzonder gecharmeerd van deze service-industrie, nu deze hen in staat heeft gesteld om het huis uit te gaan, te ontsnappen aan de zorgtaken thuis en, net zoals mannen, carrière te maken. Inmiddels maken vrouwen de helft uit van de Amerikaanse arbeidsmarkt. Op universiteiten zijn vrouwen vaak zelfs oververtegenwoordigd, wat betekent dat er nog meer vrouwen op de arbeidsmarkt gaan komen dan er nu al zijn. Zorg wordt in theorie misschien gewaardeerd, maar stelt economisch nu eenmaal weinig voor en daarom wordt de hete aardappel van de zorg doorgegeven tot onder aan de economische ladder: vaak aan vrouwen uit derdewereldlanden die naar het Westen zijn gekomen op zoek naar een beter bestaan. Hochschild schreef hierover in haar boek Global Woman. Volgens haar is een dergelijke redenering een misvatting van het feminisme. Ze ziet haar boek als het oppakken van de ‘tweede vlag van het feminisme’. Onder de eerste vlag werd gelijkwaardigheid aan mannen voorgestaan. Maar de tweede vlag was wezenlijker en stelde een transformatie van de maatschappij voor. ‘Gelijkheid is prima, maar gelijk aan wat? Gelijkheid binnen welk systeem? Het vroege feminisme had ook kritiek op de problemen die mannen hadden. We wilden geen loonslaven worden, meer dan tien uur per dag werken, hartaanvallen krijgen en meedraaien in die wereld.’

Het herwaarderen van zorg en van gemeenschap is cruciaal, maar ‘omdat we leven in een individualistische maatschappij en ons bezighouden met het zoeken naar individuele oplossingen zien we niet dat er sprake is van een groter probleem. Of denken we dat, als er al een probleem is, dit ons persoonlijke probleem is.’ Die herwaardering van zorg interpreteert Hochschild als een onderkenning van onderlinge afhankelijkheid: ‘Want Amerika heeft geen onafhankelijke cultuur; Amerika heeft een anti-afhankelijke cultuur.’ Daarmee bedoelt ze een cultuur die ‘een hekel heeft aan afhankelijkheid’.

Dit jaar schreef Hochschild een nieuw nawoord bij haar wereldberoemde boek The Second Shift waarin ze destijds beschreef hoe vrouwen na hun werk buitenshuis thuiskwamen voor hun werk binnenshuis: voor hun ‘second shift’.

‘Ik schreef in 1989 dat we vastzaten in een gestagneerde gender-revolutie. Dit jaar schreef ik in het nieuwe nawoord dat we nog steeds vastzitten. Het is een andere plaats waar we vastzitten, maar we zitten nog steeds vast. Om die stagnatie te doorbreken, hebben we die tweede vlag nodig. Je kunt niet zomaar oude definities als “deeltijdwerk” naar de nieuwe wereld slepen. Deel van wat? Wat is dan het geheel? We moeten de definitie van werk opnieuw formuleren.’

Hoewel veel mensen denken dat een ‘outsourced self’ nu eenmaal de toekomst is en daarom onafwendbaar, wijst Hochschild erop dat in het verleden ook bewegingen hebben bestaan die decommercialisering tot doel hadden. Denk aan de beweging tegen slavernij. ‘Slavernij was economisch ook waardevol, maar mensen vonden het gewoon niet de juiste manier om te leven.’

Ze is dus optimistisch. Er is immers al zo veel veranderd gedurende haar leven. ‘Vrouwen zijn de helft van de arbeidsmarkt! Hoe kunnen we niet de basisstructuren veranderen?’ ‘Vrouwen zitten in de “pijplijnen”, maar de vraag is of die pijplijnen leiden naar dezelfde oude problematische structuren of dat we die plek waar ze naartoe leiden gaan veranderen.’

Ze verwijst naar verschillende private initia­tieven die volgens haar tezamen een nieuwe tegenbeweging aan het vormen zijn: ‘Deze tegenbeweging heeft verschillende gezichten en verschillende uitingsvormen.’ Zo is er de eenvoudsbeweging in Washington State en de beweging New American Dream waar men zich afvraagt waar die droom nu precies uit bestaat. Er is de Do-It-Yourself-beweging en de homemade-trend. In Berkeley, waar Hochschild woont, zijn overal biologische groenten verkrijgbaar of krijgen mensen groenten van een lokale boer. Mensen maken zich zorgen of de koffie wel fair trade is. Ze vragen zich af of hun voedsel genetisch gemanipuleerd is. ‘Ze stellen de prachtige, grote vragen’, aldus Hochschild. Op een bepaalde manier trekken ze die productiekant weer terug. ‘Cultureel gezien maken ze van een verhandelbaar goed weer iets wat persoonlijke aandacht behoeft.’ Hochschild is het ermee eens dat dit voornamelijk speelt bij een bepaalde groep hoger opgeleiden, maar dat is volgens haar geen probleem: ‘Er zijn zo veel dingen bij elites begonnen. Goede en slechte dingen. Dat uitbesteden is per slot van rekening ook bij de elite begonnen en nu wil iedereen het.’

Een voorbeeld dat haar positief stemt en waarover ze ook heeft geschreven zijn de zogenaamde ‘common security clubs’, die nu ook wel ‘resilience circles’ worden genoemd. Deze groepen werden post-2008 opgericht door mensen die alles waren kwijtgeraakt: hun baan, hun huis. Ze besloten elkaar te helpen en begonnen een ‘skill sharing system’ waarbij verschillende taken worden uitgewisseld. ‘Als ik een verpleegster ben en jij een computerreparateur, dan kijk ik naar je kinderen als ze ziek zijn terwijl jij mijn computer maakt als hij stuk is.’ Ze kopen gezamenlijk eten in en halveren daarmee hun kosten voor boodschappen. Ze werken samen om hun huizen beter te isoleren en houden daarna een pizza-party. Op die manier hebben ze hun energierekeningen al gehalveerd. Interessant genoeg was het grootste probleem van deze ‘resilience circles’ om mensen zo ver te krijgen hulp te aanvaarden. Iedereen wilde dolgraag anderen helpen, maar mensen vonden het maar wat moeilijk om hulp te krijgen. Niemand wilde de hulpbehoevende zijn. Hochschild: ‘Dat komt door die anti-afhankelijkheidcultuur. Mensen moesten weer helemaal opnieuw leren wat het betekent om een gemeenschap met elkaar te hebben.’ In die coöperatieve beweging schuilt echter wel de hoop voor de toekomst, denkt Hochschild.

Toch is er nog een lange weg te gaan. Het meest extreme geval van uitbesteding en vervreemding vond Hochschild in India, waar een trotse Indiase arts de leiding heeft over een surrogaatmoederkliniek en waar rijke mensen de baarmoeder van een arme Indiase vrouw kunnen huren voor het dragen van hun kind. Ook hier laat Hochschild zien hoe de surrogaat­moeders nieuwe grenzen trekken. Zo veroordelen ze hun ‘collega’ die meer dan drie baby’s draagt. Die wordt te commercieel en ‘doet het alleen maar voor het geld’. Kennelijk ligt de nieuwe grens bij twee of drie zwangerschappen.

Op instructie van de arts proberen de vrouwen hartstochtelijk om ‘niet gehecht’ te raken aan de baby in hun buik en hun eigen baarmoeder te visualiseren als een ‘transportmiddel’. Ze mogen geen borstvoeding geven en het liefst de baby ook niet vasthouden na de geboorte. Degenen die de baby wél hadden vastgehouden maakten melding van ‘sterke gevoelens’. Die gehechtheid ontstaat echter toch. Omdat het dragen van een kind nu eenmaal een intrinsieke waarde heeft. Omdat we verbonden raken aan nieuw leven dat in ons groeit.

Een vriendelijke embryoloog vertelt Hochschild: ‘Uiteindelijk is een moeder een moeder, toch? In de bevallingskamer is er de surrogaat, de dokter, de verpleegster, de assistent van de verpleegster en vaak de genetische moeder. Soms huilen we allemaal.’