Een vriendelijk gevecht

Tonnus Oosterhoff, Kan niet vernietigd worden. Verhalen Uitgeverij Bezige Bij, 138 blz., 326,50
IN DE LITERATUURwetenschap waren het de Russische formalisten (Viktor Sjklovski en anderen) die formuleerden dat er geen literatuur kan bestaan zonder ‘vervreemding’.

Of, anders gezegd, dat de ‘literariteit’ (literaturnost) van een tekst - want in de literatuurwetenschap heet alles een tekst - wordt bepaald door de mate van vervreemding die de auteur bij de lezer weet op te roepen. Daartoe hanteert hij literaire procédés die van proza literatuur maken.
Literatuur begint waar het voorspelbare ophoudt, zou je kunnen zeggen. Daar waar de lezer iets anders krijgt voorgeschoteld dan hij verwacht, dan hij kent, waaraan hij gewend is. In die optiek is het in eerste instantie de taal zelf die doorslaggevend is voor de 'literariteit’ van een tekst, en de behandeling van de alledaagse woorden en zinnen door de auteur.
HET PROZA van Tonnus Oosterhoff (1953) kenmerkt zich door een hoge mate van vervreemding. Niet alleen op het niveau van de zin, maar ook verder, in de wijze van componeren en vertellen weet Oosterhoff de taal steevast zodanig te manipuleren dat de lezer zich geplaatst ziet tegenover een tekst die weliswaar herkenbaar is als proza, maar in verscheidene opzichten een frons op het voorhoofd, een krabben achter het oor of een andere uiting van vertwijfeling opwekt.
Nemen we het verhaal 'Roman’, dat ik hier graag in zijn geheel wil citeren:'Waar ben ik? Waarom naakt? Wie zijn jullie? Lea op weg… Afrika.* (*voetnoot: Advertentie uit het Algemeen Dagblad.)’
Wie een dergelijke tekst, nota bene een objet trouvé, als verhaal in een bundel plaatst en er de titel 'Roman’ aan geeft, is ofwel danig in de war, ofwel een curieus maar uiterst literair schrijver. Of wellicht een combinatie van die twee.
Drie vragen (waar, waarom, wie), een mededeling (er is een verplaatsing gaande) en een enkel woord dat door zijn context beladen wordt met mogelijke betekenissen. Is dat, volgens Oosterhoff, een roman? Waarom niet. Er is sprake van een verteller, of in ieder geval een vertellende stem, er worden wezenlijke kwesties aan de orde gesteld (met name de vraag naar de eigen identiteit en de eigen verschijning, en het probleem van de ander, wellicht de toegesprokene), er wordt verslag gedaan van een gebeurtenis (iemand, met de naam Lea is bezig zich ergens heen te begeven), en een mogelijke omgeving van de gebeurtenissen wordt aangegeven (Afrika, misschien het doel van Lea’s reis). Dat kan een roman zijn, inderdaad. Dat is een roman, in minder dan een notedop. Bij Tonnus Oosterhoff althans.
Ook het verhaal 'Romanfiguren worden geboren’ laat zich bijna in zijn geheel citeren: het is niet meer dan anderhalve pagina lang. Het is een ingehouden verslag van een verteller die op de achtergrond blijft en niets anders doet dan weergeven wat hij waarneemt. Er zijn duikers bezig in een beek te zoeken naar een kind. 'Een zesjarig meisje heeft gemeld: een jongetje is van de voetgangersbrug gevallen. Een vlindervleugel, toch? Zo'n getuigenis van een meisje van zes. Maar wat dat in gang zet!’
Zoals volgens de chaostheorie het fladderen van een vlinder ergens in Azië een wervelstorm boven New York kan veroorzaken, zo is de mededeling van het kleine meisje - een op zichzelf weinig beduidende boodschap, die zowel waar als onwaar kan zijn, werkelijkheid zowel als verzinsel - voldoende om een machinerie in gang te zetten van krioelende mensen in duikerpakken die ademloos en geconcentreerd alles in het werk stellen om een jongetje op te duiken. Want het gaat om leven en dood. 'Wat is een mensenleven waard? Weinig? Enorm veel?’ Maar, zo besluit de auteur zijn verhaal: 'Bij de politie wordt heel de dag geen aangifte gedaan van vermissing van een jongetje. Over de radio en via de kabelkrant wordt gevraagd naar het bureau te bellen “Als een kind met een nat pak is thuisgekomen”.’
Er voltrekt zich een geschiedenis die draait rond een vermoeden, een onzekerheid. De hele toestand is in gang gezet door een bericht van een onbetrouwbare boodschapper, die wellicht heel andere motieven had voor haar uitspraak dan de waarheid. Maar toch, ook al is de premisse onzeker en niet meer dan een twijfelachtig vermoeden, iedereen komt in beweging. Om ten slotte met net zo weinig zekerheid te eindigen als waarmee men begon.
DAT IS EEN typisch Oosterhoff-verhaal. 'Een vlindervleugel, toch? (…) Maar wat dat in gang zet!’ In zijn nieuwe bundel Kan niet vernietigd worden kiest Tonnus Oosterhoff steeds een vlindervleugelachtig uitgangspunt, dat vervolgens een springerig, onvoorspelbaar verhaal in gang zet. Elke vertelling opnieuw is een soort humoristisch oorlogje. Een vriendelijk gevecht met de werkelijkheid, de taal, de dingen, de woorden. Een strijd met het schrijven, het vertellen, en met de 'literariteit’ van literatuur. En telkens worden er meer vragen opgeroepen dan antwoorden geformuleerd.
Want is dat niet het wezen van de literatuur: vragen oproepen, het verwachtingspatroon van de lezer ontregelen, hem verwarren? Hem, inderdaad, vervreemden - vervreemden van zijn ingesleten verwachtingen. Van verhaal tot verhaal, van alinea tot alinea, van zin tot zin bijna ontregelt Tonnus Oosterhoff wat er te ontregelen valt, en het heeft er alle schijn van dat hij daarvan geniet, dat het hem plezier doet om op die manier te werk te gaan.
Zo wordt in 'Goudkleurig colbert’ door een verteller die (onzeker) naar zichzelf verwijst als 'wij’, gekeken naar het huis van de overbuurman. Op basis van de schimmige scènes die worden waargenomen, wordt een verhaal verteld waarin de overbuurman, zijn vrouw en hun kinderen de hoofdrollen spelen. Maar het is gebaseerd op vermoedens en leidt niet tot een duidelijk en afgerond slot. Belangrijker dan wat er gebeurt, is de handeling van het kijken, het voyeurisme van de verteller: 'Wie zijn we toch, wat zou er van ons zijn als niet ons hart uitging naar hen van de overkant? We liegen niet.’
IN 'LIE TZE spreekt een schedel toe’ is de kweker Meiland aan het woord, die op een goede dag heeft besloten de boel de boel te laten en de Noordzee in te lopen. Terwijl hij stukje bij beetje verder onder water verdwijnt, blijft hij vertellen. Over het leven, over de dood, over zichzelf en over de anderen. En over de woorden: 'Containers op een kade, met Chinese karakters erop en de woorden tiphook en sealand; een roetige ijswand uit het perspectief van een zeehond; de zeehond zwom weg, met de woorden “zeehond” en “zwartblauw” als jongen erachteraan, een gevoel van verlies, ook dat zwom achter de zeehondenfamilie aan, het donker in. Niets is eigen. Alles trad binnen en trapte op hem en trad uit hem in lange, kleurige rijen. Gardenia’s in de tropenzon, vrouwenhand, vrouwenhand, een rij groene Claas landbouwmachines langs witte steenslagweg, rode stropdas, rieten mat voor het raam.’
De dingen nemen menselijke trekken aan ('De voet kijkt de schoen na, maar moet, hiel in het zand, wachten tot hij is leeggeklopt’) en mensen lijken te verdampen, te verdwijnen, te ontbinden. Elk verhaal in de bundel is gecentreerd rond personages die er eigenlijk niet zijn, die door de auteur betrapt lijken op een moment van on-levendheid. Daarin lijken ze op de verteller uit 'Naar het oppervlak’: 'Groot inzicht verduistert. Ik weet me een blinde, dromende worm op de bodem van de werkelijkheid.’
Dat Oosterhoff een dichter is, loochent zich niet. De manier waarop hij de taal behandelt is typerend voor een schrijver die gewend is elk woord op zijn waarde te schatten en ten volle te benutten. Onverwachte wendingen, verrassende zinsconstructies en klankrijke formuleringen zijn talrijk, en samen met een prettig gestoorde verbeeldingskracht maken ze elk verhaal tot een literair landschapje waarin de lezer/wandelaar achter elke boom iets tegenkomt waar hij ogenknipperend en orenkrabbend naar blijft staan kijken. Om dan weer verder te gaan op weg naar de volgende verrassing, van de ene verbazing/verveemding in de andere vallend. Dat het hoge gehalte aan vervreemdende effecten in het zeer lange 'Een spookgeschiedenis’ enigszins nadelig uitwerkt (omdat een verhaal ontstaat dat te duister, te hermetisch is) moet voor lief worden genomen. De rest maakt dat meer dan goed.
Kan niet vernietigd worden is een bundel waarin de literatuur op haar literairst is, waarin alle elementen van de fictie uitgebreid de kans krijgen zich te presenteren, en waarin de lezer, of hij wil of niet, op een aangename manier kan verdwalen.