Israël: Woorden doen ertoe

‘Een vrije natie in ons land’

We moeten de oorlog in Israël (ook) bezien door de blik van Hannah Arendt en David Grossman.

Israëlische politie arresteert een Palestijnse demonstrant in Sheikh Jarrah, een overwegend Palestijnse wijk in Oost-Jeruzalem. 5 mei © Ammar Awad / Reuters

‘Als je de gespannen situatie in Jeruzalem wilt laten escaleren, dan moet je twee dingen doen. Geweld plegen op de Tempelberg en Palestijnse families uit hun huizen in Oost-Jeruzalem verdrijven. Netanyahu besloot beide te doen.’ Aan het woord is de Israëlische jurist Daniel Seidemann tijdens het online symposium ‘Jerusalem in Crisis’. En hij voegt er nog aan toe: ‘Wie kan er dan verbaasd zijn als er een Palestijnse reactie komt op deze politiek van verdrijving en onteigening, die al jaren voortduurt?’

Aan het symposium, dat ik vanuit Amsterdam volg en mijn dochter vanuit Haifa, waardoor we toch even verbonden zijn, deden zowel joodse als Palestijnse juristen en vredesactivisten mee. Het bij vlagen geëmotioneerde betoog van Huda Abu Arqoub, directeur van de Alliance for Middle East Peace, onderstreepte nogmaals de noodzaak van een thuisland voor de Palestijnen, waar zij een veilig en volwaardig bestaan kunnen hebben. De gebieden waar zij tijdens de ‘Nakba’ (catastrofe) in 1948 bij de uitroeping van de joodse staat naartoe moesten vluchten, zoals de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, werden in 1967 door Israël bezet, met tot gevolg de vernietiging van de economie en de illegale vestiging van vele honderdduizenden joodse kolonisten. Zolang de bezetting van de Palestijnse gebieden niet wordt teruggedraaid en Palestijnen nergens veilig zijn, zal niemand dat kunnen zijn, zei Arqoub. ‘Waarom ziet de wereld ons niet?’ riep ze op zeker moment vertwijfeld uit. ‘Waarom noemt men dit een conflict, terwijl het een oorlog tegen de Palestijnen is? Je kunt niet zomaar een heel volk van de aardbodem vegen!’

Nee, en toch lijkt dat de intentie van de regering van Netanyahu te zijn. Human Rights Watch oordeelde eerder deze maand dat Israël een apartheidsbeleid voert, Palestijnen als tweederangsburgers ziet, hen steeds meer vrijheidsbeperkende maatregelen oplegt en blootstelt aan buitensporig politiegeweld. Vorige maand was dat onder meer het sluiten van de Damascuspoort in Oost-Jeruzalem, het met rubberen kogels en stungranaten binnenvallen van de Al Aqsa-moskee op de Tempelberg en de huisuitzettingen in de wijk Sheikh Jarrah.

Hamas stelde een ultimatum voor het terugtrekken van de politie rond de moskee en toen dat niet gebeurde vuurde het de eerste raketten af, waarop het Israëlische leger de Gazastrook begon te bombarderen. De Palestijnen hebben raketafweersystemen noch veel schuilkelders en dus vielen er opnieuw veel doden, nu al zo’n tweehonderd. Onder wie 45 kinderen, om over de materiële schade aan huizen en gebouwen nog maar te zwijgen.

In de meeste kranten lezen we dan dat ‘het conflict’ oplaait, alsof hier sprake zou zijn van een conflict tussen gelijkwaardige partijen, terwijl het feitelijk om een al vijftigjarige bezetting van de Palestijnse gebieden door een militaire en economische overmacht gaat. ‘We moeten de zaken benoemen zoals ze zijn, willen we ooit tot een oplossing komen’, zei Huda Abu Arqoub keer op keer.

Ruim zeventig jaar geleden deinsde de joodse filosofe Hannah Arendt (1906-1975) daar niet voor terug. Eind jaren dertig was zij, op de vlucht voor nazi-Duitsland, terechtgekomen in New York, waar ze deelnam aan de discussie over de vorming van een joodse staat in Palestina. In haar eerste artikelen kon Arendt nog enige sympathie opbrengen voor de alternatieve manier van samenleven die de joodse kibboetsen wilden realiseren, maar wat haar van meet af aan behoorlijk dwarszat, was dat de kibboetsbewoners ‘blijkbaar dachten dat ze zich op de maan hadden gevestigd’. Ze begreep niet waarom ze nooit ‘een pas op de plaats maakten om na te denken over de vele Arabische bewoners van het land’.

Halverwege de jaren veertig sloeg dit niet goed willen nadenken om in bewuste uitsluiting en onderdrukking, die Arendt in krantenartikelen ‘een gevaarlijke verrechtsing’ noemde. Ze vond het onbegrijpelijk dat nergens in de plannen voor de oprichting van een joodse staat over het land en de rechten van de Palestijnse bevolking – een grote meerderheid in die dagen – werd gerept. Vanaf 1944 wees ze ‘de joodse kolonialistische politiek’ in niet mis te verstane woorden af. In Zionism Reconsidered stelde ze dat de vestiging van een joodse staat in Palestina vooral tot onderdrukking van de Palestijnse bevolking en de toename van nog eens vele honderdduizenden stateloze Palestijnse vluchtelingen zou leiden. Het was onvoorstelbaar, meende ze, ‘dat een joodse minderheid van plan was om de rechten van een Arabische meerderheid af te pakken’. De joodse bevolking begaf zich hiermee doelbewust op oorlogspad en dreigde zich schuldig te maken aan dezelfde nationalistische en imperialistische politiek die zij bij de Europese staten zo scherp had veroordeeld.

Hannah Arendt probeerde met haar artikelen de vestiging van een onafhankelijke joodse staat op vreemd grondgebied te voorkomen, omdat dit volgens haar een staat van permanente oorlog zou opleveren. ‘Zelfs als de joden deze oorlog ooit zouden winnen’, schreef ze in 1948 in To Save the Jewish Homeland, ‘dan zal het land iets heel anders worden dan waarvan wij gedroomd hebben. De joodse staat zal van alle kanten omringd worden door een vijandige Arabische bevolking en de noodzaak tot zelfverdediging zal zo’n obsessie worden dat het geen ruimte meer zal overlaten voor andere zaken.’

Israël zal nooit een ‘homeland’ voor de joden of de Palestijnen kunnen bieden, schreef Arendt

Wat ooit als een sociaal samenlevingsproject was begonnen, ontaardde in het tegendeel. ‘De Israëlische politiek zal van nu af aan alleen nog over militaire strategieën gaan’, schreef Arendt, ‘en sociale experimenten als kibboetsen zullen als onpraktisch worden afgedaan.’ Ongeacht hoeveel joodse immigranten nog zullen toestromen of hoeveel land Israël nog van de Palestijnen zal innemen, ‘het zal toch altijd een klein land blijven en degenereren tot een van die kleine oorlogsstammen, waar we sinds de dagen van Sparta niet meer van gehoord hebben’. Het zal nooit een ‘homeland’ voor de joden of de Palestijnen kunnen bieden.

Tot eenzelfde conclusie kwam precies zeventig jaar later ook de schrijver David Grossman tijdens zijn lezing in 2018 op de Alternative Memorial Day in Tel Aviv, een gezamenlijke Palestijns-joodse herdenking. In zijn indrukwekkende betoog stond hij niet alleen stil bij hun gedeelde verliezen en rouw, maar ook bij het onrecht dat de Palestijnse bevolking wordt aangedaan. Grossmann, wiens zoon Uri tijdens de tweede Libanese oorlog in 2006 sneuvelde, sprak over het geweld van ‘arrogante nationalisten, voor wier leugens wij allergisch zijn geworden’. Want na al die jaren van oorlog ‘hebben we nog steeds geen thuis gevonden; Israel is a fortress, and not yet a home’. Het wordt zelfs steeds minder een thuis, vervolgde hij, zolang we ‘een apartheidsbeleid in de bezette gebieden voeren’ en ‘onze premier mensenrechtenorganisaties het land uit gooit en wetten buiten het Hogere Gerechtshof om invoert’. Het zal ook nooit een thuis worden, zolang ‘de Palestijnen geen thuis hebben’.

Eind jaren veertig waarschuwde Hannah Arendt dat de staat van permanente oorlog ‘tot een catastrofe zou uitgroeien’, maar dit leverde haar vooral boze reacties van de internationale joodse gemeenschap op. Aan een van de briefschrijvers, die haar een apocalyptische kijk op de joodse staat verweet, antwoordde ze nuchter: ‘In de politieke theorie houden we ons met waarschuwingen, niet met voorspellingen bezig.’ Het tragische is echter dat haar politieke ‘waarschuwingen’ wel degelijk het karakter van voorspellingen hebben gekregen.

Hoewel Arendt in de jaren daarna haar naam vestigde als een van de belangrijkste politieke denkers van de twintigste eeuw, onder meer dankzij haar studie over de werking van totalitaire regimes, werd ze tijdens haar leven nooit voor lezingen of gastcolleges in Israël uitgenodigd. Ook haar essays en columns werden door de Israëlische kranten en tijdschriften geweigerd. Tot aan het begin van de 21ste eeuw, schreef Moshe Zimmerman in zijn boek Hannah Arendt in Jerusalem (2001), was er op geen enkele Israelische universiteit een tekstboek te vinden waarin ook maar één fragment van haar werk stond afgedrukt. Pas de afgelopen jaren worden haar teksten in het Hebreeuws vertaald. Daarin valt te lezen dat ‘vrede alleen het resultaat kan zijn van onderhandelingen, van wederzijdse compromissen en een daaruit voortvloeiend akkoord tussen joden en Arabieren’, zoals ze in 1950 schreef.

In 2021 is de terugtrekking uit de bezette gebieden een van de belangrijkste voorwaarden voor het weer op gang brengen van het vredesproces. Vervolgens zal er opnieuw gesproken moeten worden over een staatsrechtelijke vorm die beide bevolkingsgroepen gelijke rechten en politieke beslissingsbevoegdheden geeft. Arendt zocht destijds de oplossing in de vestiging van een federale, binationale staat, waarin beide nationaliteiten zitting zouden nemen in een overkoepelende regering. Er kon dan geen sprake meer zijn van een joodse of islamitische staat, meende ze, omdat daarmee de rechten van een van beide volken boven de ander zou worden gesteld. Teneinde een veilig thuisland voor zowel joden als Palestijnen te scheppen, zal er van het model van de onafhankelijke joodse staat afscheid genomen moeten worden.

Het plan voor een federale, binationale staat is niet van Arendt zelf afkomstig, maar leefde al sinds de jaren twintig onder de leden van de intellectuele beweging Brit Shalom, waarvan onder anderen Gershom Scholom en Martin Buber lid waren. Arendt gaf de voorkeur aan een federale, binationale staat, omdat een tweestatenoplossing volgens haar tot een eeuwige strijd over de verdeling van de grondgebieden zou leiden, zoals overigens later ook uit de mislukking van de Oslo-akkoorden in 1993 zou blijken. Misschien zal Israël onder de toenemende internationale druk en met andere politiek leiders dan Netanyahu wel bereid zijn zich opnieuw over een tweestatenoplossing of binationale staat te buigen, waarmee er eindelijk een einde aan de oorlog kan komen.

Hier is uiteraard ook een belangrijke taak voor buitenlandse regeringen weggelegd. Te vaak wordt er in quasi-neutrale of ronduit eufemistische termen over deze oorlog gesproken, waarbij de waarheid over de verschrikkingen die het Palestijnse volk moet doorstaan zelden recht wordt gedaan. Waarom ‘hebben westerse regeringen geen oog voor het lijden van het Palestijnse volk?’, vroeg de Palestijnse dichter Mohamed El-Kurd zich op een ander online symposium af, ‘en herhalen ze alleen de leugens van Israël?’ Een voorbeeld hiervan werd afgelopen week overigens nog door Mark Rutte op Twitter geleverd, toen hij onomwonden schreef dat ‘Nederland het recht van Israël op zelfverdediging steunt’, zonder ook maar een woord aan het lot van de Palestijnen te wijden.

Woorden doen ertoe. De waarheid doet ertoe. Daarom moeten politici complexe situaties juist zo zorgvuldig en waarheidsgetrouw mogelijk omschrijven, en elke vorm van waarheidscynisme vermijden, meende Hannah Arendt in Truth & Politics. Rutte kan beter naar de joodse en Palestijnse vredesactivisten luisteren, die elke dag gezamenlijk demonstraties of online conferenties in Israël houden, waarin ze het stoppen van het oorlogsgeweld en het einde van de apartheid eisen.

Of anders de rede van David Grossman uit 2018 nog eens lezen, die eindigt met de hoop dat zijn land zich uit de bezette gebieden terug zal trekken en zich om alle inwoners gaat bekommeren, zodat Israël ‘op een dag wakker wordt en ziet dat het weer menselijk is geworden, en niet corrupt, niet agressief, niet onderdrukkend, maar solidair en gelijkwaardig’. Wie weet zullen dan over nog eens zeventig jaar, besluit hij, ‘onze kleinkinderen hier gezamenlijk staan, Palestijnen en Israëli, en beiden hun volkslied zingen, met zowel in het Arabisch als Hebreeuws die ene zin: To be a free nation in our land. En misschien zal dat dan – eindelijk – de accurate beschrijving van ons land zijn.’