In de grootsheid van Japan

Een vroege ochtend in Kyoto

De essentie van het reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt. In Kyoto, op een ochtend, balt de geschiedenis zich samen. In het geluid van de ahornbladeren die boven een vijver bewegen is een oeroud gesprek hoorbaar dat hier in Japan nog steeds plaatsvindt. Over waarheid en leugen, geloof en ongeloof.

Japanse diertekeningen uit de Choju-jinbutsu-giga, de beeldrollen in de Kozan-ji-tempel in Kyoto. Gemaakt in de twaalfde en dertiende eeuw © Tokyo National Museum

2005, december. Een vroege ochtend in Kyoto. Wij staan bij bus 8 alsof het niets is, twee vreemdelingen die met bus 8 mee moeten, dat is alles. Er zitten maar een paar mensen in, één met een krant, de anderen kijken naar buiten of op hun telefoon. Dit is een gewone ochtend, ze gaan werken. Ik heb mijn geld neergelegd, een verzameling muntjes die je even hoort als ze het metalen bakje raken. Het bedrag moet kloppen, we gaan. De bus maakt het geluid van alle bussen. Niemand praat, en niemand kijkt naar ons, in Japan ben je vaak onzichtbaar. Bij elke halte klinken een paar woorden van een meisjesstem, heel hoog, bijna een liedje. Dan komen de huizen links en rechts verder weg te liggen, we laten de stad achter ons, rijden een smallere weg op. Er is weinig verkeer. Soms stapt er iemand uit en verdwijnt in het landschap. Bomen, hoog en zwaar, verder weg bergen. Bij elke halte kijk ik naar de chauffeur. Ik heb gezegd waar we uit willen stappen, maar hij geeft nog geen teken. Ondanks het geluid van de bus voel ik hoe stil het buiten is. Er zijn geen tegenliggers. Dan geeft de chauffeur me een teken, en wijst in de verte. Ik zie niets, maar we lopen de kant op die hij gewezen heeft. Het geluid van de bus sterft weg. Het is koud, adem in witte wolkjes. Geen geluiden van vogels. Ik zie een pad dat de heuvels in gaat, boomwortels die er bijna als treden uitzien. Dichte bossen, een keer een struik met plotselinge bloemen. We horen onze eigen stappen. We hebben een lange reis door het Noorden achter de rug, een uitgebreide pelgrimstocht die Saigoku heet, 33 tempels soms hoog in de bergen. De tempel die wij nu willen bezoeken hoort daar niet bij, een vriend die Japan goed kent heeft ons dit aangeraden. Kozan-ji, heel intiem, heeft hij erbij gezegd, na alle grote tempels trok me dat aan. Tijdens de grote tocht ben ik op een vroege ochtend verkeerd gevallen van een hoge rots, een gat in mijn hoofd, later behandeld door een dokter in Kyoto. Een paar dagen grote stad, even weer aan de mensheid wennen met een geschonden hoofd waar in dit land niemand naar wil kijken.

Aan het eind van onze tocht hadden we in een klooster in het hooggelegen Koyasan geslapen, de nacht voor mijn val waren we om zes uur opgestaan in ijzige koude, naar de tempel van het klooster gelopen. Ochtendnevel, de wereld nog onzichtbaar. Vijf kloosterlingen, vier mannen, een vrouw. Het diepe, dreunende geluid van hun stemmen, woorden die voor mij niets betekenen maar die toch tot me doordringen, af en toe een slag op hout, of het ijzeren schrapen en rammelen van instrumenten die wij niet kennen, dan een duidelijk gebaar dat we mee moeten lopen, en zo worden we een stoet van zeven. Buigingen, vingers die wijzen dat we van een schaal wat korrels moeten nemen, wierookachtig, we strooien het op een grote schaal zoals de monniken en de vrouw het doen, ik voel hoe het diepe geluid wil dat ik meebrom maar ik durf niet goed, neurie zachtjes en waarschijnlijk onhoorbaar wat mee om erbij te mogen horen, alles lijkt heel oud, we zakken terug in de tijd, ik zie het goud en het brons rondom me, de afbeeldingen om me heen kan ik niet duiden maar het maakt niets uit, met het hogere heb ik geen enkele moeilijkheid, er wordt een ander deel van me aangesproken alsof het elke dag zo gaat, ik word wel duizend jaar oud, en moet plotseling denken aan Heidegger, die toen iemand zag dat hij ergens in een kerk een kruisteken met wijwater maakte en vroeg waarom hij dat nog deed terwijl hij het geloof toch eigenlijk verlaten had, antwoordde: ‘Waar zoveel gebeden wordt heerst het goddelijke.’

Met vijf mensen die ik niet ken en van wie ik de taal niet versta stond ik daar in die versierde ruimte een beetje te zoemen en voelde me daar goed bij, even was de logica van het denken ontregeld en stond ik gewoon ergens in de bergen met een paar onbekenden die ik nooit eerder gezien had, zonder dat ik wist wat ik zong. De essentie van het reizen is dat je je overgeeft aan wat je overkomt.

Een kwartier hebben we nu gelopen. Een hoge poort, links en rechts woud, Japanse tekens, schrift dat iets betekent en dat, hoe langer je ernaar kijkt steeds mooier wordt. Ik ben jaloers op iedereen die dit schrift kan lezen, en probeer voor mezelf de tekens te beschrijven. Een streep met een kleine ophoging in het midden, daaronder een kleine rechthoek met ronde hoeken, daaronder een iets kleinere rechthoek met daaromheen een soort poort die rechtsonder nog een kleine bocht maakt en verder open is. Ik weet dat het een deel van de naam van de tempel moet zijn, maar lezen kan ik niets.

Een pad, grote stenen aan weerszijden, dan kom je in het klooster, een man met het gezicht maar niet de kleding van een monnik, hij loopt voor ons uit door een gang, rechts van mij zie ik tekeningen van dieren die men kennelijk kan kopen, maar aan het eind van de gang heb ik licht gezien, een veranda, een tuin, de man heeft een gebaar gemaakt dat in die verte wijst en laat ons alleen, andere bezoekers zie ik niet, we lopen naar voren, de wijde veranda op, iets lager het landschap van een tuin, een compositie van kleuren en vormen, iets van een vijver, zo stil heb ik het op deze reis nog nergens meegemaakt. En tegelijkertijd weet ik dat ik in dit land ook het tegendeel heb ondergaan, haast, lawaai, vulgariteit, openbare dronkenschap, stampvolle perrons, en toch, de hoeveelste reis naar en in Japan dit is weet ik al lang niet meer, maar ineens heb ik het gevoel dat dit is wat ik al die tijd gezocht heb, en ook dat is weer niet waar, er zijn ervaringen geweest die me diep getroffen hebben, ik heb oneindig veel geleerd, ik staar naar de bomen en planten tegenover me, een metalen ketting van glanzende schakels uit een metalen balk die uit het gebouw naar voren steekt, en waarlangs het regenwater omlaag sijpelt naar het mos op de stenen beneden, de kleur van het water in de kleine vijver, de gebogen vorm van een verweerde stenen lantaarn, en tegelijkertijd niet één van die beelden afzonderlijk, hier is in het vroege licht iets samengebald dat met tijdloosheid te maken heeft, met een gesloten wereld die zichzelf op dit ogenblik aanbiedt en je duidelijk maakt dat hij ook zonder jou bestaat, dat hij oneindig oud is, dat hij je vreemd is maar dat je welkom bent alsof je in een vreemd verhaal bent binnengelopen en niets anders moet doen dan kijken tot de rotsen, de schaduwen, de zo ongelofelijk verschillende vormen van de over elkaar heen hangende bladeren en het licht dat daar doorheen schemert, de waterlelies, de lage donkere struiken, de bergen in de verte je iets willen vertellen, iets over tijd, over stilte, iemand of niemand heeft ooit een compositie gemaakt, bedoeld om je stil te laten staan, en te proberen niet meer te denken en onzichtbaar te worden als een onderdeel van dit alles, en dat zo lang mogelijk te laten duren. Pas als ik me omdraai zie ik het beeld dat veel later, in een ander land een gedicht zal worden, een man die in de vork van een boom zit te mediteren. Zijn houten sandalen staan onder de boom. Het is een tekening, maar ik kan het niet helpen, misschien komt het doordat er niemand anders is, maar ik denk dat hij me ziet, en omdat ironie bedoeld is om ons niet in het onweegbare te laten verdwalen, denk ik aan de geweldige klap die mijn hoofd op die rotsen in het Noorden gekregen heeft, maar door het woord klap ook aan de opdonder die de meester in zen-verhalen aan zijn leerlingen kan uitdelen, en dan ben ik nog niets verder, want ogenblikkelijk sluit de stilte zich weer om ons heen, de bomen, de stenen, de regenkettingen en de gesneden vormen van de leuningen die de veranda afbakenen, alles spant samen om mijn aanwezigheid ongedaan te maken, ik ben hier helemaal niet, mijn ogen zijn hier, ik ben mijn kijken geworden en zie de man die mij niet ziet, zoals hij nu al eeuwenlang de wereld niet ziet.

Nu, zoveel later, weet ik wie hij is, een monnik uit de twaalfde eeuw, de stichter van deze tempel, een man die zijn dromen opschreef, die zijn leven lang naar het land van de Boeddha met de vele namen wilde gaan die hij vereerde maar die reis nooit mocht maken en in plaats daarvan dit klooster stichtte op de plaats waar ik nu sta en naar zijn beeltenis uit de dertiende eeuw kijk, een man die een deel van een tuin is, vastgegroeid in een boom. Al zou ik hier jaren staan zou hij mij nog niet zien, zijn gezicht is naar binnen gesloten. Zijn tekening aan de wand is oud, maar hij is het niet, zijn houding verraadt lenigheid, je zit niet zomaar in de vork van een boom alsof je zelf een levend deel van die boom bent, half verborgen tussen allerlei takken en bladeren, tegelijkertijd aanwezig en afwezig, zijn ogen streepjes, het geschoren haar op de lichte schedel bijna blond, wat speelt zich daarbinnen allemaal af? Pas later, als ik meer weet, zal ik beseffen hoeveel tijd en raadsel hier is samengebald, en pas in datzelfde later zal ik de woorden vinden die voor mij bij deze man horen, maar zal ik ook het gevoel hebben dat ik in een domein van de tijd ben geraakt met vertakkingen die nooit van mij zullen worden, lagen van geschiedenis waar ik geen toegang meer heb. Dan pas zal ik het gedicht schrijven dat bij deze man hoort, een gedicht van duizend jaar later dat hij nooit zal lezen:

© Tokyo National Museum
—————

Myoemediterend

Alles spant samen om mijn aanwezigheid ongedaan te maken, ik ben hier niet, mijn ogen zijn hier, ik ben mijn kijken geworden

Als ik verdwenen ben
zul jij er nog zitten,
kleine mond gesloten,
ogen gesloten vol hemelse leegte
je sandalen
onder de boom.

Denk je aan iets
of aan niets, je zo dunne
handen gevouwen,
je lichaam geborgen
in het zwart
van je dracht.

Het snoer
voor je gebed,
het kleine vat voor de wierook
hangen naast je in de boom,
je hebt ze niet nodig.
Elke keer dat ik je zie

is een seconde
vervlogen. Zo gaat het
al eeuwen. Dezelfde twee
vogels, de bomen die zachtjes
bewegen, steeds stiller
ben je geworden,

Noordenwind, regen en sneeuw
zijn door de heuvels getrokken.
Niets kon je beroeren, je bent
zo voor mijn ogen verloren
dat ik mij kan horen
vergaan.

—————

Wat weet ik van hem? Hij was een vereerder van Shakyamuni, de historische Boeddha, en dat ging in zijn geval heel ver. Nu moet ik massa’s tijd opzij duwen om in zijn buurt te komen. Hij heette Myoe. Er waren al een paar eeuwen voorbij sinds de Boeddha leefde, en nog veel meer eeuwen sinds hij dit klooster hier stichtte. Dat van die massa’s tijd klinkt eigenaardig, ik weet het, en toch, hier in de stilte op die veranda is het bijna fysieke werkelijkheid. Maar is klooster wel het juiste woord? Monniken zijn er niet te zien, de architectuur van het gebouw is een volstrekt natuurlijke verbintenis met de tuin aangegaan. Er is nog steeds niemand anders voorbij gekomen, er is alleen maar de onvoorstelbare eenvoud van de tempel, de bomen buiten, het portret achter me waar Myoe zit zonder ooit een beweging te maken. Toch was dat wat hij wilde, bewegen, heel langzaam was het boeddhisme door heel Azië via China naar Japan gekropen, Shakyamuni werd in Japan Shaka Nyorai, ik heb geprobeerd me dat voor te stellen, woorden die over een enorm werelddeel worden doorgegeven van mond naar mond en van taal naar taal, van naam naar naam. Op de Saigoku-tempeltocht heb ik geleerd hoe de godin van barmhartigheid die ik overal aantrof als Kannon met de duizend armen en soms ook met de duizend ogen, in haar lange gang van Zuidoost-Azië naar het Noorden niet alleen van naam maar ook van geslacht veranderd was, van de mannelijke Avalokiteshvara, naar de Chinese Kuan-yin en de Japanse Kannon. De magie van een leer die door alle talen van een werelddeel naar het Noorden schuift, niet alleen van mond naar mond maar ook van schrift naar schrift, van veranderende lettertekens, woorden die in steeds andere monden worden vervormd. Naar India wilde hij, naar de plek waar Shakyamuni gewoond, gemediteerd en gepredikt had. Tweemaal probeerde hij daarheen te reizen, gelukt is het niet. De leer vertakte zich, kreeg verschillende vormen, praktische en esoterische, commerciële en mystieke, sloeg zijwegen in maar de essentie bleef hetzelfde, bosatsu’s, bodhisattva’s en andere heiligen, kloosters op verlaten plaatsen, scholen, richtingen, legendes, een steeds groeiende gemeenschap van miljoenen in voortdurend andere vormen. De tempel waar ik zit en dit alles overdenk hoort bij de Shingon-sekte van het esoterisch boeddhisme, maar voor ik me er verder in waag en tussen alle leerstelligheden verdwaal herinner ik me Kobo Daishi oftewel Kukai, een heilige van het Shingon-boeddhisme die ik op mijn Saigoku-tocht herhaaldelijk ben tegengekomen, een pelgrim als iedereen om me heen, alleen hij met strohoed en staf en al honderden jaren dood, die, alsof hij mij tussen alle verwarring en raadsels had willen troosten, ooit in een al lang voorbije eeuw had opgeschreven:

—————

Uit het verre, duistere verleden van voor de herinnering,
zijn teksten overgeleverd in duizend en duizend boeken,
om boeddhistische en niet boeddhistische teksten uit te leggen.
Duister, absurd, onduidelijk
zijn honderd opinies en theorieën,
en elke beweert de ware weg te zijn.

Als je ze overschrijft en reciteert tot je dood,
hoe kun je dan doordringen tot de uiteindelijke Bron?

Je draait je om, staat stil, ziet dieren die de wereld als een spel begrijpen dat je vooral niet te ernstig moet nemen

Hoe ik ook er over nadenk, ik weet het niet.
De Boeddha, denk ik, hield zich hier niet mee bezig.
Hij had medelijden met verziekte geesten
en leerde ze geneeskrachtige kruiden te nemen, net als Shen Nun,
en wees de verloren zielen de weg
zoals de Hertog van Chou deed met _zijn__ kompas_.

—————

Eeuwen opzij duwen, heb ik hierboven geschreven. Kobo Daishi, die de woorden hierboven schreef voor zijn dood in 835, refereert aan een mythische Chinese keizer die vijfduizend jaar geleden leefde, de Hertog van Chou was een zoon van de ook al zo vroege Chinese koning Wen, die met de mysteries van de I Ching te maken had, het systeem van hexagrammen waar mensen hun lot in konden lezen. Kukai leefde van 774 tot 835 en was monnik, heilige en filosoof die leerde dat de kosmos een taal is, een tekst die gelezen moet worden om de wereld te begrijpen.

En zo zit ik nu hier, laat de woorden die al eeuwen oud waren toen Myoe hier achter me ze gelezen en overwogen heeft, heb dus heel even deel aan een oeroud en eindeloos gesprek dat hier nog steeds plaatsvindt, in het geluid van de ahornbladeren die boven de kleine vijver bewegen hoor ik de echo van hun voorbije gefluister. Kegon-boeddhisme, Shingon-boeddhisme, zweverig voel ik me niet, eerder door de woorden van Kukai ontheven van de plicht iets van deze woorden en namen te vinden, door de stilte wordt alles werkelijk, ze hebben geleefd en gedacht, ze hebben iets opgeschreven, ze praten nog tegen me, hun leer beweegt zich nog steeds in de wereld maar spreekt toch over leegte en onwerkelijkheid en terwijl ik dat overdenk voel ik de werkelijke wind die het riet in de vijver beweegt en kleine rimpels in het donkere water maakt.

De jaartallen van hun levens die ik vermeld heb zijn oud, maar het is niet zeker of 2020 een absurder getal is dan 835 of het stichtingsjaar van het klooster 1133, het is alsof ik een stel cijfers in een bak gegooid heb om ermee te spelen. Want wat is werkelijk? Het toevallige getal 2020 dat ik mijn heden noem zou het nummer van het jaar geweest zijn waarin ik was teruggekomen op de plek die ik in dit verhaal hier en nu genoemd heb, de veranda van Kozan-ji, 2020. Mijn reis naar Japan was vastgesteld,

ik zou hier geweest zijn om toch nog één keer deze tempel te bezoeken. Een onzichtbaar virus kwam ertussen dat zijn eigen geheime leer volgde, een speling van het lot, die mij in het werelddeel vasthield waar ik vandaan kom. Waarom wilde ik nog een keer terugkomen? Vanwege de stilte, vanwege de volmaakte lichtheid van het gebouw als natuurlijke voortzetting van een tuin, de aanwezigheid van de mediterende man op de schildering achter me, het kleine beeldje van Zenzai Doji die in de gang van het klooster leek te spelen, maar die zijn houding al evenmin veranderd heeft als Myoe. Maar er was nog iets, dat veraf leek te liggen van de esoterische gedachten waarover ik gelezen had, ver van het geluid van gezongen soetra’s, die ik in het verleden op een cd mee naar huis had genomen, ver weg ook van een leer vol aantrekkelijke geheimen waar ik met moeite in rondtastte, maar wel iets dat al even oud is en hier al die eeuwen bewaard werd, en dat al die ernst voor mij heeft omgedraaid en in zijn tegendeel veranderd, dat toen ik hier de eerste keer binnenkwam een lichtheid in de dag gebracht heeft waar ik niet op gerekend had.

—————
© Tokyo National Museum

Soms gebeurt het, je bent ergens voorbij gelopen, iets in je eigen gang heeft je gewaarschuwd, er stokte iets, je hebt iets gezien maar je bent toch doorgelopen, in de verte zag je de veranda, de tuin in het schitterende licht, en toch aarzelde je, je draaide je om, staat stil, kijkt naar een opengerolde scroll die een deel van de muur beslaat, ziet konijnen en apen, ziet lenigheid en beweging, ziet vossen met slimme gezichten, het zijn dieren die eruitzien als mensen maar toch dieren blijven, ze dansen, vechten, bespotten elkaar, buitelen over elkaar heen, vormen kleine partijen, dit zijn geen boeddhisten die soetra’s zingen en rituele buigingen maken, dit zijn door iemand bedachte wezens die ook in dit klooster wonen maar de wereld als een spel begrijpen, dat je vooral niet te ernstig moet nemen. Toen, die eerste keer, ben ik doorgelopen, naar het licht van de tuin, naar de kleine dwaas lachende kleuter, naar de bomen en de vijver, de stilte die bezit van me nam, naar de mystieke gestalte in de vork van de boom die zijn dromen duizend jaar geleden had opgeschreven, ik vergat de dansende dieren, maar toen ik er later weer voorbij kwam begreep ik dat ze, hoe anders ze ook waren, er toch bij hoorden. Toen maakte het ook niets meer uit dat het reproducties waren, dat ik niet wist of Myoe ze ooit gezien had en erom had kunnen lachen.

Ik wist dat ze nu in het Nationaal Museum van Kyoto en van Tokyo waren opgeborgen waar ik ze ooit zou willen terugzien, maar voor mij hoorden ze van dat ogenblik af bij de Kozan-ji, een volmaakte verzoening van tegenstellingen. Oud waren ze, dat wel, en vreemd genoeg was dat alleen maar van belang omdat ze zo volstrekt levendig waren. Twaalfde eeuw, wat betekent zoiets? In de kerken van onze twaalfde eeuw konden heiligen nog niet zo bewegen, niet dansen, niet lachen. In hun hiëratische poses leek het of er onder de gewaden van onze heiligen geen lichamen met spieren zaten, alsof ze misschien wel konden knielen, maar nooit zo buigen, met pijl en boog schieten, onze middeleeuwse heiligen konden heel goed heilig kijken maar nooit zo extatisch lachen als de dieren in deze tempel, er ontbrak vloeibaarheid, lichamelijke souplesse en vooral de nog niet voorhanden geestelijke vrijheid. Natuurlijk las ik later wie deze dieren misschien wel of misschien niet getekend zou hebben maar niets was zeker, namen kwamen voorbij maar of ze nu wel of niet het begin waren van de manga-cultuur die vanuit Japan over de hele wereld is getrokken bleef een open vraag, maar die laat ik graag over aan de kunsthistorici en de japanologen, wat ik zag waren karakters, dierpersonen, spotters, uitlachers, worstelaars, vechtersbazen, kikkers met grote monden, wezens die je niet meer aan een bepaalde tijd kon verbinden omdat ze volstrekt natuurlijk en daardoor van alle tijden waren.

—————

Theorieën las ik later genoeg over deze frolicking animals, en al weer liepen er voor mij verschillende Japans door elkaar, want op mijn lange reis langs de kloosters was ik nogmaals geconfronteerd met de Heian-tijd door de magistrale roman Het verhaal van Genji, in 1008 geschreven door Murasaki Shikibu, een hofdame uit een zijtak van de machtige Fujiwara-familie, een roman, en wat mij betreft de allereerste omdat ook hier een eigen wereld geschapen was die zich afspeelde aan het keizerlijke hof in Heian-Kyoto, toen nog de hoofdstad van Japan. Aan dat hof verbleven de ‘mensen die boven de wolken woonden’, een wereld die daarom nooit kon duren, maar voor altijd is blijven bestaan in het boek van Murasaki. Het zouden tektonische tijden worden voor Japan, tijdperken schoven over elkaar en botsten, de landelijke adel verzette zich tegen de almacht van de keizer, feodale heren, daymio’s die over kleine legers van samoerai beschikten, ik kijk naar hun vreeswekkende gestaltes met de merkwaardige hooggerekte zwarte hoofddeksels. Anders dan bij de Europese feodale adel zouden de oudste zonen de titel niet automatisch erven, de vader zou de zoon kiezen die de macht zou behouden, zijn samoerai zouden leven volgens de regels van bushido, een erecode die geen eerloze nederlaag toestond met zelfmoord als enige verlossing en zo hun daymio in het zadel houden terwijl de keizer zijn macht moest afgeven aan een daadwerkelijk regerende shogun maar als keizerlijk symbool het religieuze en goddelijke bleef vertegenwoordigen, een volstrekt andere vorm van macht waardoor het voor de shoguns van belang was dat hun afkomelingen in de keizerlijke familie zouden trouwen. Het is in deze woelige tijden dat de tekeningen in dit boek ontstaan zijn. Choju-jinbutsu-giga, in die naam zit iets van karikaturen, van spotternij, maar of de dieren klerikale hoogmogenden moesten verbeelden is niet duidelijk, en al evenmin of de geestelijke diepzinnigheid van het boeddhisme dat hier aan de orde was het tegenwicht nodig had van deze vorm. Hoe langer je naar deze zo fantastisch gemaakte tekeningen kijkt, des te meer krijg je het gevoel dat een tijdgenoot een opgelegde wereld opzij wilde schuiven, met pijl en boog zijn tegenstanders achterna wilde jagen in een orgie van bevrijding die duizend jaar later nog steeds van alles te vertellen heeft in een wereld waarin andere keizers en shoguns de wetten bedenken, waaruit wij ons, als apen, kikkers en konijnen verkleed, dansend en vechtend zouden kunnen bevrijden.