Op de vlucht voor eerwraak

«Een vrouw is minder dan een stuk vee»

Uit eerwraak werd het Palestijnse herderinnetje Souad in brand gestoken. Door een wonder overleefde ze de aanslag. Nu, twintig jaar later, doorbreekt ze haar zwijgen met het boek ‹Geschonden›. «Het is een overwinning, want als ‹charmuta› ben ik eigenlijk dood.»

«Dank je dat je naar mijn verhaal hebt willen luisteren», fluistert Souad na afloop van het gesprek een paar keer, terwijl in de foyer van een Amsterdams hotel cameraploegen en journalisten klaar zitten voor de volgende serie interviews. Als dochter van een tirannieke brullende vader en een keiharde, zwijgende moeder en als lid van de roddelzieke gemeenschap van een piepklein dorp heeft Souad in haar nieuwe bestaan als getrouwde moeder van drie kinderen «ergens in Europa» haar nederige houding niet helemaal afgeleerd.

Maar Souad, naar schatting in 1957 geboren op de Westelijke Jordaanoever, geniet met volle teugen van alle aandacht tijdens haar tweedaagse bezoek aan Nederland om haar boek te presenteren. Als ze spreekt over haar leven toont ze zich strijdbaar, zelf bewust: «Met dit boek is er een last van me af gevallen. Mijn kinderen weten eindelijk álles.»

Het is, zegt Souad met gebalde vuisten, niet alleen een overwinning op haar familie, dorpsgenoten en Arabische mannen, die volgens haar «allemaal slecht» zijn, maar boven alles op zichzelf. Twintig jaar na de moordaanslag heeft ze het op aandringen van anderen aangedurfd haar leven te vertellen. De pijnlijke herinneringen die ten dele terugkwamen, vond ze bevrijdend: «Dit boek heeft me meer goed gedaan dan negen jaar psychologische begeleiding. Het maakt me sterk. Ik ben heel gelukkig», zegt ze met een stralende lach in het Frans. Het Arabisch is ze bijna vergeten. «Dat heb ik verdrongen.»

Omdat Souad analfabeet is — ze kan wel langzaam lezen — heeft ze haar boek «gepraat». De Franse Marie-Thérèse Cuny heeft alles in een sobere, registrerende stijl opgeschreven tot Brûlée vive (Levend verbrand), dat nu in het Nederlands is vertaald als Geschonden. Het aangrijpende relaas wordt uitgebracht in 22 landen. Maar niet in de Arabische wereld, zegt Souads Franse uitgeefster, die met haar mee is gereisd en geen seconde van haar zijde wijkt: «Dat ligt te gevoelig. We zijn nu met één uitgever in gesprek.» Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar Souads verhaal kan door extremisten verkeerd uitgelegd worden, als een aanval op de islam als geheel. En dat is beslist niet de bedoeling: het is een persoonlijk verhaal. «Het gaat hier om pre-islamitische gewoontes», benadrukt ze. Gedurende het hele gesprek interrumpeert de Française bij elke vraag met een verwijzing naar een mogelijke relatie tot de islam. Ze is duidelijk bang voor verkeerde beeldvorming en is er beducht voor dat dit boek binnen het toch al zo gepolariseerde klimaat een aanjager van geweld wordt.

Die angst wordt bevestigd door de ongewone veiligheidsmaatregelen rond de Palestijnse overlevende van eerwraak. Alle journalisten moeten zich ruim van tevoren legitimeren. Tassen worden doorzocht. In het hotel en tijdens het gesprek staan twee mannen met brede nekken en oortelefoontjes zwijgend de ruimte te observeren. De kleine vrouw lijkt nergens last van te hebben. Ze beseft goed dat deze publiciteit niet erg welkom is bij «bepaalde groeperingen». Bovendien is ze in haar dagelijks leven gewend om op haar hoede te zijn. Souad zal ook nooit meer kunnen terugkeren naar haar oude grondgebied en haar familie, want in haar land bestaat ze theoretisch niet meer; het verbrande meisje is van de kaart geveegd, een spook geworden.

Souads relaas is in één woord gruwelijk. Wie het boek leest, kan zich nauwelijks voorstellen hoe haar leven ooit was. Naar westerse maatstaven is het een waanzinnig verhaal over een verstikkende, beklemmende leefwereld vol achterdocht en haat. Als derde kind van niet onbemiddelde ouders groeit Souad op in de jaren zestig in een primitief Palestijns dorp, waar de tijd wordt gemeten aan de hand van de seizoenen en berekend in samenhang met de ramadan, de oogsttijd en de vijgenpluk. Met haar zusjes werkt ze zeven dagen per week van zonsopgang tot zonsondergang keihard. Ze laat de geiten en koeien grazen in de velden, maakt de stallen schoon, helpt kalveren ter wereld en melkt elke ochtend alle dieren. In het huishouden doet ze haar plichten zo goed als ze kan: wassen, schoonmaken, en vooral: haar vader en broer bedienen. Wie als meisje of moeder een foutje maakt, kan rekenen op slaag met de riem of de stok van vader. Voor Souad is een dag zonder slaag niet normaal. Regel matig wordt ze een nacht lang vastgebonden in de stal tussen de beesten, met haar handen op haar rug, haar benen aan elkaar en met een sjaal om haar mond zodat ze niet kan schreeuwen.

Al heel jong signaleert Souad het enorme contrast in behandeling tussen jongens en meisjes. In haar boek staat: «Als ik naar mijn broer keek die door de hele familie wordt aanbeden en door mij ook, dacht ik vaak: wat heeft hij nu meer dan ik? Hij is uit dezelfde buik gekomen. Daar had ik geen antwoord op. Het was gewoon zo. Wij moesten hem dienen, zoals mijn vader, kruipend en met gebogen hoofd. Zo ging het in dat dorp: de wil van de mannen was de wet. In andere huizen werden meisjes en vrouwen ook iedere dag geslagen. Daar hoorde je ook schreeuwen, dus het was normaal.»

Souads broer, Assad, is de enige zoon. Als kleine prins mag hij alles: paardrijden, naar school, door het dorp zwerven, naar de bioscoop in de stad, veel eten, schoenen dragen, de baas spelen over iedereen, om de eenvoudige reden dat hij na de vader als man borg staat voor de veiligheid van het hele gezin. De geboorte van ieder meisje betekende een regelrechte ramp. Souad legt uit: «Een vrouw is minder dan een stuk vee. Als een koe ziek was dan werd het dier naar de dokter gebracht en verzorgd. Meisjes waren dan wel harde werkers, maar uiteindelijk uitsluitend een last. Alles draait erom zo snel mogelijk uitgehuwelijkt te worden tegen een goede bruidschat. Daar was mijn vader mee bezig zodra we rijp waren. De vader was de koning, de almachtige man. De man neemt de vrouw om zonen te krijgen en opdat zij hem als slavin kan dienen met meisjes die geboren worden als zij het ongeluk heeft die te baren.»

De sociale structuur die Souad beschrijft is weliswaar onthutsend maar niet geheel onbekend. De verhalen zijn eerder opgetekend in boeken. Ook zijn de levens van veel Turkse en Marokkaanse migrantenvrouwen, veelal afkomstig uit vergelijkbare geïsoleerde plattelandsdorpen, enigszins vergelijkbaar geweest, en soms zijn ze dat in een afgeleide vorm nog steeds binnen de westerse wereld. Wat wél volkomen nieuw is — en misschien nog meer shockerend dan het fenomeen eerwraak — zijn Souads beschrijvingen van pasgeboren meisjes die direct na de bevalling routinematig worden verstikt in schapenvachten. Een keer ziet ze hoe haar moeder op de grond in de kamer ligt te bevallen en vlak na de geboorte de baby dooddrukt. Souad heeft berekend dat het vaker moet zijn gebeurd, omdat haar moeder, die op haar veertiende trouwde met een 34 jaar oudere man, veertien keer zwanger is geweest, en beviel van levende kinderen, maar slechts zeven kinderen overhield. Ze vraagt zich af waar ze bleven: «Werden ze ergens begraven? Werden ze aan de honden gevoerd? Mijn vader en moeder kleedden zich dan in het zwart.»

Ook is ze getuige van de moord op een ouder zusje, Hanan, die door haar zo aanbeden broer op bevel van haar vader in de gang wordt gewurgd met het snoer van de telefoon. Deze meisjes waren nog te jong (nog niet geslachtsrijp) om «overtredingen» te begaan. «Het enige wat ze fout hadden gedaan was als meisje te worden geboren», vertelt Souad zonder zichtbare emotie. «Alleen toen wist ik precies wat er gebeurde. Nu ben ik realistisch en weet ik dat het misdaad was.»

Over dit aspect treedt tijdens het gesprek enige verwarring op. Op de vraag of dit uniek is en wellicht meer iets zegt over haar moordlustige ouders dan over een structurele traditie haast de Franse uitgeefster zich dit te relativeren en zegt dat «dit vroeger ook bij katholieke gezinnen op het Franse platteland gebeurde». Op mijn opperste verbazing reageert ze met: «Nou ja, meisjes waren vroeger ook een vloek bij ons», en gebiedt over dit onderwerp verder te zwijgen.

Souad glimlacht. Zoals ze in haar boek beschrijft, doet ze dat altijd op pijnlijke momenten.

Souads leven op de Jordaanoever eindigt als ze verliefd wordt op een knappe jongen uit het dorp. Omdat ze niet kan wachten tot eerst haar oudere zus getrouwd is, bang is de risee van het dorp te worden omdat ze «al de oude leeftijd van ongeveer zeventien jaar heeft» en vreest de rest van haar leven te moeten zuchten onder de wreedheden van haar ouders, neemt ze het heft in eigen handen. Tijdens het ophangen van de was zoekt ze oogcontact met de jongen. Dat leidt tot een paar ontmoetingen in het veld. Drie keer vrijt ze met deze Faiez, die zweert met haar te zullen trouwen. Al snel blijkt het ergst denkbare waar te zijn: Souad is zwanger en haar aanstaande bruidegom neemt uit angst «voor de ogen van de vader» de benen. Aan haar groeiende buik en haar misselijkheid ziet Souads familie wat er aan de hand is. Ze is een charmuta: een hoer. Nooit zal ze normaal kunnen trouwen, het bloedbevlekte laken na de huwelijksnacht buiten aan het balkon kunnen hangen en het goedkeurende zahruta (het hoge gegil van Arabische dorpsvrouwen) horen, haar wenkbrauwen mogen epileren en juwelen kunnen dragen. Wat haar lot is, weet ze.

Souad kent de procedure: familieberaad (ooms, tantes, getrouwde zussen, zwagers, broers, vader en moeder), de beslissing, de ouders die «een dagje naar de markt gaan» terwijl de meisjes thuisblijven en «iemand» het vonnis uitvoert. Souad luistert op afstand mee en hoort het: haar zwager Hoessein zal de familie «in een klap van haar ontdoen».

Als de dag aanbreekt, trilt Souad van de zenuwen. Ze staat het vuur op te porren voor de wasketel. Hoessein komt naast haar staan, glimlacht en gooit plotseling «iets kouds» over haar heen. Het volgende moment rent ze stinkend naar benzine en brandend het huis uit. Ze springt over een muurtje, waar twee vrouwen haar zien. Niet wetend wat er aan de hand is, brengen ze Souad naar het ziekenhuis, waar ze met derdegraads verbrandingen op haar bovenlichaam door de artsen en verpleegkundigen zonder medische verzorging in bed wordt gelegd om te sterven, want «het is een ingewikkelde familiezaak».

Souad vertelt het moeiteloos; dit onderdeel van haar leven heeft ze al heel vaak verteld. Ze vervolgt: «Mijn moeder kwam langs in het ziekenhuis met een gifbeker in een tweede poging me alsnog te doden.» In alle eenzaamheid baart Souad haar zoon, twee maanden te vroeg, door de kwellende pijn van haar brandwonden heen. Marouan wordt haar onmiddellijk afgenomen en in een weeshuis geplaatst, terwijl Souad wacht op verlossing door de dood.

Dan neemt haar lot een andere wending. Als door een godswonder wordt Souad gered door een medewerkster van Terre des Hommes, die met hulp van een «dappere Palestijnse jonge arts die in Engeland zijn opleiding heeft genoten» met Souads familie onderhandelt om haar mee te krijgen, zogenaamd om «haar elders te laten sterven». Deze Jacqueline weet zelfs met veel over redingskracht de baby («als hoerenzoon zou hij geen leven hebben gehad») uit het weeshuis los te peuteren. Samen vliegen ze naar Zwitserland, waar Souad liefdevol wordt verzorgd. Ze wordt 24 keer geopereerd, onder meer om haar kin, die door de hitte is samengesmolten met haar borstkas, weer vrij te krijgen.

Met hulp van «veel geduldige mensen» begint Souad moeizaam een nieuw bestaan. Geleidelijk krijgt ze vertrouwen in mensen, en ze ontmoet op een terrasje haar huidige echtgenoot Antonio. Met hem kan ze uren praten. Hun platonische verhouding resulteert na twee jaar in een liefdesrelatie, een huwelijk en de geboorte van twee dochters, Laetitia en Nadia, die uiteindelijk worden herenigd met Marouan, die was opgegroeid in een Frans pleeggezin.

Wat rest zijn Souads littekens. Op haar ziel, zoals ze zacht zegt, maar vooral ook op haar lichaam. Ooit liep ze zwaar gesluierd als een mummie over straat. Niet vanwege haar geloof, maar uit schaamte voor haar uiterlijk. «Nu is dat voorbij, ik ben van mijn littekens gaan houden», zegt Souad en stroopt de mouwen van haar zalmroze coltrui demonstratief op. Diepe groeven, ruw weefsel, maar haar knappe gezicht is vrijwel ongeschonden gebleven, ook al is haar kin getekend en is ze haar oren kwijtgeraakt. «Ik heb gebeden, tegenover een ‹algemene god›, om vergeving. Voor mezelf, niet voor mijn familie. Nooit zal ik hen kunnen vergeven. Dit boek heb ik gemaakt als wraakactie tegen over mijn dorp: zij denken dat ik dood ben. Ik wás gestorven, geestelijk en lichamelijk. Een menselijk wrak. Nu leef ik. Ik weet dat ik met dit boek spreek namens al die vrouwen die eremoord niet hebben overleefd. Vrouwen die in de positie verkeren zoals ik ooit deed, wil ik hoop geven!»

In de Arabische wereld draait het leven van vrouwen volgens Souad om maar één ding: voorkomen dat ze charmuta worden. Of de schijn te wekken dat ze een gevallen vrouw zijn, wat al kan als een meisje met omhoog gerichte blik alleen over straat slentert. Eerwraak is een extreme straf, die volgens berekeningen van vrouwenhulp organisatie Surgir wereldwijd (ook in Europa) zo’n zesduizend keer per jaar wordt uitgevoerd, de zelfmoorden en «ongelukken» niet meegeteld. Langzaam maar zeker worden deze misdaden door overheden erkend, en wordt deze traditie die blindelings van generatie op generatie wordt doorgegeven aan banden gelegd. Souad weet niet of het er in haar dorp nog steeds zo aan toegaat.

En waar draait volgens Souad het leven van een vrouw in Europa om?

Ze is lange tijd stil. «Dat is een moeilijke vraag», vindt ze. «Hier is een vrouw een vrouw. Het gaat hier om het woord. Dat is mij door toeval edelmoedig geschonken. Vrouwen zijn vrij om ‹nee› te zeggen. Ze kunnen werken, naar de kapper gaan, met hun kinderen spelen en praten. Lachen, plezier maken, de liefde leren kennen. Ik heb niet méér opleiding genoten dan een geit. Ooit was ik me er niet van bewust een mens te zijn met gevoelens en gedachten. Ik kende niet het kleinste gevoel van geluk of een vredig moment. In Europa heb ik lang geleefd in een soort mist, vol schaamte en depressies. Ik was niks meer, ik was lelijk, ik moest me verbergen om anderen niet te hinderen. Soms had ik het idee dat ik een dier was dat moest leren als een mens te communiceren. Ik ben opgestaan uit een graftombe. Nu ben ik klaar om echt te leren lezen en schrijven. Ik reis en ontdek de wereld om me heen. Er is nog zo veel… Ik ben nog jong…»

Als het gesprek wordt beëindigd, gaat deze keurig geklede en gecoiffeerde dame naar de volgende journalisten die op haar staan te wachten. De Franse uitgeefster draagt een wit maskertje, dat Souad voor haar gezicht zal houden als ze spreekt voor de camera’s. Ze moet voor de buitenwereld onherkenbaar blijven. Want haar leven zal nooit veilig zijn. «Jamais, jamais.» De wurggreep van eerwraak kent geen grenzen.

Souad

Geschonden

Arena, 221 blz.,