De dagboeken van Doeschka Meijsing

Een vrouw zonder familie

Schrijfster Doeschka Meijsing (1947-2012) hield vanaf haar veertiende een dagboek bij. Ze wilde schrijven. Ze wilde groot zijn. Ze wilde de liefde. En nooit klaar zijn met het leven.

Medium doeschka 203

Haarlem, donderdag 4 maart 1965

Ik ben gelukkig omdat ik zo enorm veel heb. Zo veel dat ik het haast niet allemaal in mijn handen kan houden noch in mijn ogen. En toch… Het komt doordat ik dr. Faust ben, omdat ik altijd naar meer verlang. Geniaal te zijn, dat is mijn wens, en zo lang ik naar een top streef, zal ik leven. Ik wil boven anderen uitsteken, hoewel ik weet dat ik door deze wens dieper zal vallen. Boven anderen uit te willen steken is de wens van de duivel. Ik kan er niets aan doen, maar ik wil beter schrijven dan de anderen, origineler zijn dan de anderen. Ik wil groot worden (maar geen volwassene).

Haarlem, woensdag 19 mei 1965

Gewoon Doeschka Meijsing zijn. Op school op de achterste bank zitten. Bekend zijn bij iedereen. Huiswerk maken. Slapen en dromen. Lezen over alles, maar vooral over leven en liefde. Een nieuwe bh aantrekken. Een boek schrijven. Een glimlach opvangen. Mensen haten en liefhebben. Xenophon lezen. Algebra oplossen. Maarten aankijken en aan Pollmann denken, maar Floor hebben. Koffiedrinken. Een douche nemen. Een kamer verven. Ergens naar verlangen. Een auto zien. Ninon herkennen met de blauwe vogel Pierrot. De zon onder zien gaan. Kousen wassen en thee zetten. Alles.

Dit is leven en ik zal er altijd mee doorgaan. Ik zal gelukkig en ongelukkig zijn, de enige indeling. Maar één ding is er altijd, één ding zal blijven: ik zal nooit klaar zijn, noch met de mensen, noch met mijzelf of met de levende of dode abstracties. En dat maakt het voor mij altijd waard om te leven: ik zal nooit klaar zijn. Niet met muziek, of met kunst of mensen. Nooit met leven.

Haarlem, zondag 26 juni 1966, half zes

Gisteravond heb ik gezien dat ik niet schrijven kan, omdat ik een woordenschat heb die te klein is, een beschrijvingstechniek die te eenvoudig is. Natuurlijk kun je zeggen dat je met weinig woorden precies het goede kan zeggen, maar die gave bezit ik niet, helemaal niet. Ik wil de taal hanteren zoals Evelyn Waugh hem hanteert, barok, ook al is het niet in de mode. Maar het enige wat ik kan, is dikwijls herhaalde zinnen neerzetten op papier en mezelf troosten dat juist achter die eenvoudige woorden de diepe waarheid schuilgaat. Maar dat is een _Dutch comfort, w_ant het is niet waar! De ideeën die in mijn hoofd nestelen zijn goed, maar de vormgeving is zo slecht. Het doet me denken aan de Grieken, die wel het positiestelsel kenden, maar het niet op schrift konden overbrengen. Later is het toch gelukt: misschien ben ik wel geen schrijfster, maar dan zal ik er een worden! Als ik eraan toegeef nooit te kunnen schrijven, zal dat mijn ondergang betekenen, want dan zal ik niet meer weten wat ik doen moet mijn zeventig jaren dat ik nog leven moet.

Laat ik toch in staat zijn de taal als een vlammend zwaard te hanteren.

Haarlem, woensdag 24 augustus 1966

Je bent in staat je hele leven omver te werpen. Ik bedoel: ieder mens is in staat zijn eigen leven in één klap in een andere richting te stoten. Soms denk ik er wel eens over om al mijn geschreven werk te verscheuren en nooit meer te schrijven. Of pas na een tiental jaren opnieuw te beginnen. Maar ik heb eenvoudig niet de moed om al die papieren op te nemen en ze stuk voor stuk door te scheuren. Ik heb er niet de moed toe.

Het is heel vreemd: ik wil schrijven, ik wil godvergeten graag schrijven, maar waar ik misselijk van word, wat me afschrikt, is de publiciteit die ze hier in Nederland rond schrijvers hebben. Ik wil niet over mezelf schrijven, ik wil niet zijn of worden als een Van het Reve of een Wolkers. Ik wil intens goede boeken schrijven, mooie boeken, lelijke boeken, waarheid, waarheid etc., maar ik voel een afschuwelijke weerzin om mezelf te moeten verkopen, om op stapels te liggen in de boekwinkel en door elke groenteboer gelezen te worden. Tussen Van het Reve en Hermans wil ik de kant van Hermans op gaan. (…)

Haarlem, zondag 26 maart 1967, eerste paasdag

Ik ben treurig. Waarom? Het vergt moeilijke woorden om het duidelijk te maken. Ik ben nu negentien jaar en sta op het punt om van school af te gaan. Als ik terugkijk op al die jaren, dan kan ik alleen maar tot de conclusie komen dat het leven me niets dan goeds geboden heeft. Ik heb de idiootste dingen uitgehaald, ben verliefd geweest, heb toneelgespeeld etc. etc. Als ik nu terugkijk, is het alsof ik al die tijd op een zonnige wei heb gelegen met vrienden, vriendinnen en dromen. Om die dromen gaat het nu. Ik heb altijd gedroomd over de toekomst. Als toneelspeelster of als schrijfster. Nu ben ik negentien jaar en sta op het punt om die dromen waar te moeten maken, maar nu weet ik dat al die dromen niet waar zijn.

Mijn moeder verwijt mij dat mijn schrijven een vlucht uit de werkelijkheid is. Nu pas weet ik dat ze gelijk heeft.

Haarlem, zaterdag 9 maart 1968

Vanmorgen tentamen gedaan en niet al te best. Nu maakt dat niet zo erg veel uit voor doctoralen, maar ik hoop niet dat ik te stom ben voor deze studie.

Ik moet studeren, zonder te zoeken; leven zonder te zoeken. Ik weet dat ik alles fout doe. Ik interesseer me nergens meer voor, ik ben niet geëngageerd, ik geef niet om links of rechts, ik zal nooit schrijven. Ik zal, kortom, nooit beantwoorden aan de verwachtingen die mensen van me hadden toen ik nog op de middelbare school zat.

Jawel, ik ben Doeschka, maar het heeft niets te betekenen. Doeschka betekent in modern Nederlands: een nulpunt, een in duizend stukjes gevallen beeld, een basis, een fundament van angst, vooral angst.

Later op de avond

Waarom verdedig ik Ter Braak? En niet zomaar verdedigen, maar met pijn in het hart en verdriet omdat hij aangevallen wordt? Is Ter Braak de Bijbel? Nee, Ter Braak is leven, mijn leven en ik heb niets anders. Al die zelfrelativering, die niet eens ophoudt bij de dood, niet eens bij het leven. Moed voor elke dag. Daarom verdedig ik Ter Braak. Omdat hij moed voor elke dag predikt en dat is het enige.

Haarlem, woensdag 5 februari 1969

Ik heb al een boel overwonnen, denk ik. Ik weet zeker dat, met regelmatige tussenpozen, de depressies terugkomen, maar toch ben ik iets harder geworden, er iets beter tegen opgewassen, lijkt het wel. Ik vecht er beter tegen, laat het niet gaan. Tenslotte zal het wel een kwestie van hormonen zijn en verdwijnt het nooit, maar er is buiten de depressies nu de wil om het niet tot het dieptepunt te laten komen. Zoals ik afgelopen jaar soms steeds dieper kon zinken zonder er iets aan te kunnen doen. Ook nu heb ik dat nog wel. Die plotselinge angst om plotseling weg te willen naar nergens. Niet dood willen gaan, maar alleen maar weg, weg, weg. Niet naar een andere plaats, of naar vrienden, neen, gewoon weg, zonder de mogelijkheid om uit het leven te stappen, want ik ben bang voor de dood.

Doeschka betekent: een nulpunt, een in duizend stukjes gevallen beeld, een basis, een fundament van angst, vooral angst

En toch boeit het me allemaal wel, in mijn goede tijden. Hoe het allemaal zinloos is en toch allemaal reilt en zeilt. Hoe alles, ondanks de saaiheid van de dagen, toch borrelt en bruist en morrelt en kookt. Daarbij ben ik, o hoogmoed, tot de ontdekking gekomen dat ik een gave heb, die ik met alle kracht wil gebruiken. Jan heeft het tegen me gezegd en Olga en Floor en ikzelf merk het: als ik mijn goede dag heb, dan kan ik elk gezelschap boeien, elk gezelschap in de hand houden. Ik merk het op verjaardagsfeesten, ik merk het in de kantine van het Instituut (Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam – red.), ze willen me erbij hebben, ze amuseren zich met me, ze vinden me een aanstelster maar boeiend. En ikzelf vind me dan ook een aanstelster, maar ik heb zo’n plezier in die situaties. Ik geniet ervan voor de volle honderd procent, ik hoor mezelf, ik zie anderen naar me kijken en alle joie de vivre stroomt zo volop binnen dat ik gelukkig ben. You can take it for granted dat ik te hoog opgeef van mezelf. Right. Ik geef te hoog op, maar ik heb er zo’n plezier in. Ik geniet zo van mezelf. En uit deze stemming haal ik alles wat eruit te halen valt, want ik bekoop het toch met depressies.

O joie de vivre, vivre pour vivre, bijna denken dat je boeiend bent, de dagen persoonlijk maken, lieveling van het Instituut, wie houden er allemaal van me? Uiteindelijk zet niemand zich voor me in, uiteindelijk ben ik alleen en ver, maar ik wil daarbuiten genieten van mezelf.

Haarlem, maandag 19 mei 1969

Het Maagdenhuis is door studenten bezet. (Leve de Revolutie.) Ik weet niet of het niet allemaal nogal achterhaald is, dat medebeslissingsrecht. Ik zie gewoon niet hoe het moet werken. De bezetting is een schoppen tegen de langzaam malende molen van de democratie, maar als het doel verwezenlijkt wordt, gaat alles nog trager. In ieder geval blokkeert het het studietempo, want toen ik m’n boeken af wilde halen vanmorgen, bleek dat het transport van het hulpmagazijn geblokkeerd was. Tralala, nu ben ik een van de grote hoop die gedupeerd worden.

Heb in de koffiekamer zitten discussiëren over de medezeggenschap. Alle discussie draait uit op wat een hopeloze staatsvorm democratie is, maar er is geen betere vorm. Misschien heft de universiteit zichzelf op, evenals good old Europe.

Medium doeschka 20vondelpark

Amsterdam, woensdag 28 april 1971

Waar moet ik beginnen? Hoe moet ik beginnen? Vanaf oktober in toenemende mate somber. Valiumtabletten van de dokter helpen zo lang als ze duren. Misschien ben ik ziek. Het is langzamerhand een eenzaam gevecht geworden. Ik probeer van alles. Ik probeer een regelmaat in m’n leven aan te brengen. ’s Morgens naar school, naar college te gaan, redelijke tijd te studeren. In de paasvakantie heb ik zes gedichten en drie korte verhalen geschreven. Lezen. ’s Avonds meestal op bezoek of mensen hier. Driemaal in de week naar de film. De boel schoonhouden, nieuwe meubels, goede voornemens.

Dat gaat allemaal wel. Maar hoe lang moet ik nog doorgaan tegen die steeds groter wordende droefheid? Ik kan geen straat doorlopen, geen mensen zien of horen, of ik sta op het punt om te huilen. Het wordt erger en erger. Soms geef ik het op en bedrink ik me hele avonden op m’n bed zittend. Het is iets in me dat woekert. Jaren geleden geplant is het nu tot volle bloei gekomen. Ik kan er alleen maar discipline tegenover stellen. En misschien de wil. Misschien gaat het dan op den duur beter. Er valt niet meer met iemand over te praten. Het is oncommunicabel geworden. Maar het zal me lukken, het moet me lukken. Ik moet nu doorschrijven. Het gaat goed nu. Ook al komt de vette angst me uit alle hoeken van de kamer bedreigen als ik schrijf, ik moet nu doorgaan. En er dan mee naar de tijdschriften.

Amsterdam, vrijdag 28 december 1973

Twee weken geleden: daar ligt het beginpunt van alles wat ik nu meemaak. Twee weken geleden, op donderdag de dertiende december, ben ik verliefd geworden op Gerda Meijerink.

Ik heb haar twaalf weken zitten bekijken op het college algemene didactiek. Ik heb twaalf weken een hekel aan haar gehad, twaalf weken agressief op haar gereageerd en de laatste keer word ik verliefd op haar. Een beetje vernederend dat ik niet door heb gehad waar die agressiviteit vandaan kwam. Donderdagavond om negen uur bij Keyzer zeg ik nog tegen haar: ‘Laten we eerlijk zijn, dit is onzin, we zijn niet verliefd op elkaar, je bent m’n type niet.’ Misschien een laatste verdediging. De week daarna heb ik per nacht drie uur geslapen. Verliefd tot over mijn oren, tot in de toppen van mijn vingers. Nu nog steeds, maar met elke minuut dat ik haar langer ken, is er iets meer. Wie is ze? Wat is ze? Als ik haar moet beschrijven: ze is groot en heuploos en lijkt op een jonge ritmeester. Ik weet niet waar deze toestand op uitdraait, maar ik voel me ertegen opgewassen. Ik weet niet wat het allemaal is: ik verlang naar haar, wil met haar praten, vrijen. De week vóór Kerstmis heb ik twee dagen van school gestolen en met haar doorgebracht: ’s nachts om twee uur met de taxi naar Badhoevedorp, laat in bed, de volgende dag in het Amsterdamse Bos.

Tuurlijk is het een probleem dat het een vrouw is. Niet voor mij, maar voor het maatschappelijk patroon, waar ik steeds minder in pas. Maar ik kan mijn leven niet tot mijn veertigste laten besturen door angsten om maatschappelijke patronen. Ook dat zal op den duur op te lossen zijn en misschien duurt het allemaal niet zo lang. Wat dat betreft heb ik een goede leerschool met Ko gehad. Het absolute en eeuwige bestaat niet en we zijn blij met elke dag die we hebben. (…)

Amsterdam, dinsdag 7 januari 1975

(…) Ben begonnen aan mijn roman. Soms denk ik dat hij te traditioneel is. Maar dat moet maar zo. Waarom geen traditie? Zelfs Picasso heeft geleerd van Frans Hals. Heb overigens het idiote gevoel dat ik eerst Freud zou moeten lezen om een roman te kunnen schrijven. Onzin: ik heb Vestdijk gelezen. Eerder zou ik moeten proberen los van Vestdijks al te grote invloed te komen. Ook is er een remming omdat het boek ook over mijn eigen jeugdervaringen zal gaan.

Langbroek, donderdag 30 december 1976

Ik wou dat dit dagboek was wat het nooit geworden is in al die vijftien jaar dat ik al een dagboek schrijf: een beeld van mijn denken. Zo zou de pen moeten zijn, een seismografische weergave van mijn denken. Maar zo is het niet. Alle gedachten hierin zijn kleurloos en grof, en mijn meest heldere, lucide gedachten komen hier nooit te staan. Het is een klaagschrift wat ik hier schrijf, een monotone zang van de eenzaamheid van mijn ziel, waar de vogels geen brood van lusten.

Thuisgezeten, heldere dagen met Kerstmis, heldere blauwe luchten over sneeuwlandschappen in het begin van deze week. Lange tochten over de bevroren velden. Laat uit bed, niet al te laat in bed. Iskander van Couperus gelezen. Kranten gelezen. Kortom: uitgerust. Naar ik hoop. Want er zit toch nog een onrust in me om de vele dingen die nog moeten gebeuren. Natuurlijk heb ik weer een veel te ambitieus programma opgesteld voor de vakantie. Waarom ben ik zo opgejaagd? Waarom toch zo opgejaagd? En zo verdrietig vaak? Het is niet mijn liefde voor Gerda. Die is groot en deze dagen genieten we van elkaar. Haar geurige hals, haar aanwezigheid. Maar toch blijft er zo nu en dan een hevige piek van verdriet opkomen. Het gevoel dat er niet genoeg tijd is, het gevoel dat ik het niet kan, dat het verleden weg is, dat ik gauw dood zal gaan, dat ik geen rust vind bij mezelf. Zo zelden kijk ik nog naar mijn gezicht in de spiegel. Het doet er zo weinig nog toe wat ik aan de buitenkant ben. Terwijl je dat niet kunt scheiden van de binnenkant. Toch interesseert het me niet. Wat ik zou willen is rust bij mezelf, geen angst voor anderen. Was ik vroeger niet veel zelfverzekerder? Trok ik me toen ook zo veel angsten aan? Ik heb het idee dat ik nog maar zo weinig tijd heb.

Wie weet is dit het afscheid van de jeugd. Dat iedere vrouw krijgt tegen haar dertigste. Ik, een vrouw zonder familie van vroeger, zonder kind. Al mijn kaarten gezet op het schrijven. Ik zei zonet tegen Gerda: ‘Waarom zou ik nog schrijven? Al die moeite om op je donder te krijgen, om uitgescholden te worden, om afgekraakt te horen je liefste bezit. Al die uren die je eraan gewerkt hebt, al die spanningen die het kost, al die angsten die je ervoor hebt dat je het niet kunt, die stijve rug als je het uit gaat typen, die moedeloosheid als je niet verder kunt, die opgejaagdheid als je met iets anders bezig bent. Dat allemaal voor een boekje van twintig gulden dat uitkomt opdat de heren critici erop kunnen kakken, of verwaand erover kunnen doen, of het kunnen negeren.’ En terwijl ik dat zei dacht ik: stel dat ik het écht opgeef. Op dat moment kwam er een bijzonder hevig verdriet in me op. Het liefste, het meest eigene van me, is mijn schrijven. Het is het enige diertje dat me warm houdt. Ik kan dat niet laten gaan. Het meest innige op deze wereld. Misschien niet meer uitgeven, maar altijd die vlinder van de verbeelding die onder anderen Nabokov me schonk.

Langbroek, zondag 11 december 1977

Gisteren, ’s middags, alleen naar het Van Gogh Museum geweest. Wat schildert die man. En weer met name de donkere aquarellen en schilderijen rond 1885, daar waar hij geen mensen schildert. Ontroering bij mij. Daarna elk uur door de donker wordende stad gelopen. Alles was zo mooi, de lichten die aangingen, de donkere nevel, de takken van de bomen in de grachten. Ik was opmerkelijk gelukkig. Op lichte voeten en met een nieuwe blik.

Boek loopt goed. Recensies gunstig. Het heeft niets dan goede tekenen. Ik voel me een schrijfster. Ben in gedachten bezig met het volgende boek. Maar niet te snel, niet te snel. Gelukkig? Ach, vandaag gaat het wel weer.

Het liefste, het meest eigene van me, is mijn schrijven. Het is het enige diertje dat me warm houdt. Ik kan dat niet laten gaan

Langbroek, vrijdag 17 augustus 1979

De week loopt ten einde. Maandag moet ik aan het werk. Vijf weken ben ik nu bij de krant weg en ik heb nog steeds geen zin om te beginnen. Een andere baan? Er bestaat voor mij geen andere baan meer. Dit is de leukste die ik kan hebben. Als ik over zeven jaar, vijf jaar misschien, nog twee goed lopende boeken geschreven heb, zal ik heel misschien een mager jaarinkomen hebben waar ik op kan leven.

Wat bevalt me niet aan de krant? Die voortdurende spanning van je artikelen. En erger nog: het clubgevoel, het ‘Wir haben’s so herrlich weit gebracht’. Ik hoor niet bij de club. Ik geef geen cent voor Vrij Nederland, behalve dat het m’n broodwinning is, en het een baan met veel vrijheid is waar ik mijn stukken in kwijt kan. O ja, het is beter dan school, beter dan de universiteit. Maar mijn probleem is dat ik altijd aan de roman denk, altijd rekening houd met het feit dat ik eigenlijk wil schrijven, wat ik vervolgens niet doe. Zo ben ik nooit ergens vast of thuis. Het is een vluchtmechanisme dat feilloos werkt om niets tot stand te hoeven brengen.

Aan de andere kant ben ik weer zo bezig met zelfonderzoek dat het alle energie opslokt. Ik zeg voortdurend tegen mezelf: ‘Stel jezelf de goede vragen.’ Maar wat zijn de goede vragen? En zo ben ik weer bezig en kom wel stapje voor stapje verder, maar ontduik al het andere dat ik moet doen. Juist nu ik deze vakantie weer zo gretig ben gaan lezen, erachter kom dat ik nog zoveel wil weten en zo weinig weet. Dom, ja, voel ik me. Het eeuwige probleem dat ik niet slim genoeg ben. Vaak dat gevoel als er vrienden zijn. Terwijl ik dan tegelijkertijd het gevoel heb dat we niet over de juiste dingen praten en denken. Veel gepraat stuit me tegen de borst.

Hoe kun je alleen gaan en goeie dingen maken? Als je een klein, granieten hart hebt? Waar alleen de echte dingen nog tekens op achterlaten?

Amsterdam, dinsdag 8 maart 1983

Ik weet niet wat ik moet doen. Schrijf het dus op. Ik heb niets te verwachten en niets te hopen. Het leuke gedeelte van mijn leven is afgelopen augustus afgesloten. En die boosheid kan ik niet overwinnen. Ik wil niet meer. Als ik alles overdenk, wil ik alleen maar dood. En tegelijkertijd – daarmee in verwarrende tegenstelling – ben ik met alle kracht verliefd. Is dat een wanhoopspoging om de dood te ontlopen? Dat zal dan wel uitlopen op Isphahaan.

Goed, ik ben verliefd en weet niet welke kant ik ermee op moet. De zon schijnt, het is warm voorjaarsweer en ik loop op straat en alle mensen en dingen beginnen te stralen omdat ik verliefd ben. Het is even hevig als tien jaar geleden bij Gerda, maar er is geen enkele kans op verwezenlijking. Ik heb hem een brief geschreven en hij heeft teruggeschreven maar de post is vertraagd. Vanochtend zijn stem aan de telefoon. Hoe vond hij mijn brief? Ja, hij had nog nooit zo’n brief gekregen, maar het was van mijn kant wel uit een veilige hoek. Wat veilige hoek? Omdat ik homoseksueel ben? Dat maakt het er alleen maar verwarrender op. En wat willen we trouwens? Hij heeft twee vrouwen en woont in Parijs, en ik heb een rotsvast en moeilijk huwelijk met Gerda. Ik wil bijvoorbeeld naar Parijs, en liever nog met hem twee weken naar Rome. O God, ik kan janken als ik daaraan denk: hoe ik gearmd met hem door de Villa Borghese loop, in het warme park, hoe ik met hem zou lachen, in bed na het vrijen samen met hem een boek zou lezen. Zijn gezicht is me zo dierbaar zijn stem. Hoeveel keer heb ik hem eigenlijk gezien: voor het eerst in 1978, tijdens de P.C. Hooft-prijs twee keer; toen twee brieven uit Parijs; toen een tekening uit Parijs in 1981; toen twee dagen achter elkaar in november 1982; laatst even bij zijn lezing. En pas die laatste keer realiseerde ik me dat ik al in 1978 op het eerste gezicht verliefd op hem was geworden. Maar het moest vier jaar duren voordat ik het wist. En hij? Ach, de eerste keer in Den Haag maakte hij een video-opname van me en vier jaar later vertelt ie me dat ie die bewaard heeft. Hij is begonnen met brieven, hij maakt een tekening van me. Toen ik laatst aan de telefoon zei dat ik hem een brief had gestuurd met ’n vraag: ‘ja?’ erin, antwoordde hij: ‘het antwoord is heel veel’. Nee, zei ik lachend, ik ook heel veel, maar dat is de vraag niet. Toen heeft hij ’n brief geschreven met mogelijke antwoorden (die er verdorie al lang had moeten zijn), waarbij ik weer vragen moet verzinnen. Ik ben verliefd op die man, op zijn stem, op zijn tederheid, op zijn manier van schrijven, op zijn boeken, op zijn grapjes.

Maar het is ’n dwaze verliefdheid, want er kan niets van komen. Hij heeft zijn twee vrouwen en ik begrijp genoeg van hem dat hij – net als ik – zijn verleden nooit los kan laten, dat elke stap die hij doet hem verder bindt in het labyrint. De man lijkt op mij. En verder zal ik toch altijd het lichaam van vrouwen aangenamer vinden dan dat van ’n man, hoewel Rudy een uitzondering is, ook in dat opzicht.

Amsterdam, dinsdag 5 april 1983

Ik zou strenger tegenover mezelf moeten zijn. Om dit leven goed te leven. Er is geen enkele lust tot schrijven in me. Ik weet niet of het er ooit nog van komt. De stap van m’n familie weg heeft me veel gekost. Sinds augustus 1982 voel ik me moe, slap, zwaar in de hartstreek. En verder neemt m’n verliefdheid te veel nutteloze tijd in beslag. Ik schrijf brieven, hij schrijft brieven – en het leidt allemaal tot niks. Met ’m naar bed kan niet, ik weet dat dat alleen tot rampen schaamte leidt en toch wil ik dat. Hij is zo lief en aardig en ik wil hem overal kussen en voelen. Maar mannen? Wat kan ik nou met hen? En zelfs hij met de lieve kindernaam: hij maakt net als ik rampen om zich heen.

Ik wil eindelijk een beetje fatsoen netheid in m’n leven. Maar daar komt hij plotseling m’n leven binnen. Ik heb al z’n boeken herlezen. Veel is om zelf geschreven te hebben. Jaloezie, jaloezie. De man is een genie. Hij weet over alles. En hij schrijft erover met ’n aardigheid tederheid die merkwaardig genoeg in veel mensen agressie oproept. Ik heb ’n foto hier voor me staan van tien jaar geleden. Zie dat hij niet mooi is. Maar ik vind hem zo prachtig, die ogen, die mond. Dat gezicht dat me zo vertrouwd is, alsof het altijd lacht en ik moet meelachen, of ik wil of niet, want ik weet waarom hij lacht. Alles wat hij schrijft heeft datzelfde, dat alsof het uit mij komt, alsof ik alles weet wat hij denkt (nee, vooral hoe hij denkt, hij weet veel meer dan ik, hij is honderdmaal intelligenter).

Ik vraag me streng af: is het omdat hij Rudy Kousbroek is? Nee! Niet dat zoiets onmogelijk zou zijn. En ik was natuurlijk in het begin gevleid door zijn aandacht voor mij, omdat hij Rudy Kousbroek was. Maar nu niet meer. Ik ben blij dat hij Rudy Kousbroek is, omdat hij schrijft als Rudy Kousbroek, maar it is not the world. ‘Niet voor de wereld maar voor jou’, schreef hij me, en zo is het. Niet voor de wereld. (Ik kan er trouwens niets mee. Niet trouwen, niet het minnaarschap. Ik kan niets anders dan verliefd zijn.)

Amsterdam, maandag 18 maart 1985

Op zondag 6 januari, exact een maand nadat ik weggelopen was uit Langbroek en besloten had niet meer zo’n soort leven met Gerda nog verder te leiden, viel ik op een avond ruggelings in een salto mortale van de trap van de Weteringdwarsstraat. Bij mij was Luce van Rooy, met wie ik die nacht sliep. Anderhalf jaar geleden had ik al een keer bij haar ‘gelogeerd’, maar na die keer hield ik alles af wat zweemde naar ander en meer contact. Dit keer gebeurde het opnieuw. De volgende dag had ik drie gekneusde ribben en ik was verliefd. Sinds die datum ben ik het alleen nog maar meer geworden. Dat ik zoiets kostbaars in mijn armen kan houden, het vult me met groot geluk.

Alle reserves die er in het begin nog waren – ik hield mezelf voor dat zo snel de dingen niet gaan, dat er verdriet en afstand overheen dienen te gaan, in ieder geval had ik dat ethischer gevonden van mezelf. Maar dit soort gevoelens doet niet aan ethiek. Dat woord staat niet in het vocabulaire.

Amsterdam, maandag 9 september 1985

Mooi weer. Fluitconcert van Vivaldi, 10.00 uur in de ochtend. Voor het eerst sinds lange tijd voel ik me weer fit en in staat achter mijn bureau te zitten in de ochtend. Eigenlijk zou ik dat elke dag moeten doen en in dit schriftje moeten schrijven om een soort discipline weer op te bouwen voor het schrijven van ander werk. Maar ik wil ook mijn liefje in mijn bed, en dan komt er van schrijven niets.

Eén ding heeft het schrijven voor de krant mij geen goed gedaan. Ik voel veel te veel ogen op mij gericht, ik ben veel te bang geworden. Wat moet het me kunnen schelen hoe de mensen willen dat ik schrijf! Maar het edele handwerk leren, daar gaat het deze tijd om. Benut de twee maanden niet drinken, Doeschka, laat het niet voorbijgaan zoals alle tijd toch al voorbijgaat. Schrijf elke dag, al is het maar in dit schriftje!


En de liefde in mindere mate

Doeschka Meijsing (1947-2012) hield tussen 1961 en 2009 een dagboek bij. Ze deed verslag van haar vriendschappen en verliefdheden, van de boeken die ze las, de conflicten die ze uitvocht en van de ernstige depressies waaraan ze leed. Al in 1962 – ze was toen vijftien – vertrouwde ze haar dagboek toe dat ze aan een roman werkte. De dagboeken verschijnen als tweeluik. Het eerste deel, dat deze week verschijnt, bestrijkt Doeschka Meijsings laatste jaren op de middelbare school, haar studietijd, de banen die ze had als docent Nederlands, eerst aan het Ignatius College en daarna aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam, tot haar vertrek als redacteur bij Vrij Nederland, toen ze van haar schrijverschap ging leven. De dagboeken zijn bezorgd door Doeschka Meijsings uitgever Annette Portegies en hoogleraar literatuur Ben Peperkamp.

(Doeschka Meijsing, En de liefde in mindere mate: Dagboeken 1961-1986, De Arbeiderspers, € 29,99)


Beelden: Foto’s uit Doeschka Meijsings fotoalbum