Een waaier van ogen

IN 1994 VERSCHEEN er een opmerkelijke Amerikaanse roman, The Rifles van William T. Vollmann, die de sporen van de Britse ontdekkingsreiziger Sir John Franklin wilde natrekken. Franklin was in 1845 met een enorme Noordpoolexpeditie richting Baffin Bay westelijk van Groenland gegaan om de Noordwestpassage in kaart te brengen, die overigens al onder eskimo’s en walvisvaarders bekend was. Die expeditie verdween voorgoed uit zicht. Reddingsacties kwamen op gang, maar tevergeefs. Franklin en zijn mannen kwamen drie jaar later op King William Island van de honger om, ondanks hun heldhaftige overlevingspogingen. Maar dat nieuws werd pas veel later bekend, en Lady Franklin koesterde in de eerste tien jaar na de verdwijning van de Franklin-expeditie hoop dat haar man en zijn bemanning nog in leven was.

William Vollmann schreef zijn boek rond 1990, toen er niets meer te ontdekken viel, alles in kaart was gebracht en de eskimo’s in gedwongen nederzettingen hun verslavingen (drank, benzinesnuiven) mochten uitleven. Zelf noemt hij zich in zijn boek kapitein Ondernul, die wil weten wat het is om in min vijftig graden Celsius in een tent op de Noordpool te overleven, en schrijft hij een hartverscheurend verhaal over het blinde en zwangere Eskimomeisje Reepah. The Rifles is een soort symbolische geschiedenis - dat wil zeggen: een verslag van oorsprongen en metamorfosen die wel verwijzen naar feiten, maar door hun mythische eigenschappen diepere waarheden lijken te onthullen - die de kloof tussen fictie en documentaire geschiedenis wil dichten. Bovendien wil Vollmann tijden en plaatsen (‘Starvation 1848’ en 'Starvation 1990’) naar elkaar toe schrijven en trekt hij zich het lot van de gekoloniseerde en verdreven eskimo’s op een integere wijze aan. DIT PRACHTIGE BOEK van Vollmann vertoont opmerkelijke overeenkomsten met De reis van de Narwhal, een indrukwekkende roman van Andrea Barrett die vier jaar na The Rifles verscheen, hetzelfde thema heeft en ook jongleert met feit en fictie, documentatie en verbeelding. Een expeditie onder leiding van Zechariah (Zeke) Voorhees vertrekt in 1855 uit Philadelphia om levenstekens van de Franklin-expeditie te traceren, een open vaarweg naar het noorden te zoeken en natuurkundig-biologisch onderzoek te doen. Die expeditie is gefingeerd en gaat vooraf aan een echte expeditie van McClintock, die in 1859 ontdekt dat Franklin en zijn bemanning zijn doodgehongerd. Kapitein Zeke Voorhees groeit door zijn fanatisme en grenzeloos eigenbelang uit tot een soort kapitein Achab (uit Melvilles Moby Dick, ook zo'n roman waarin documentatie en fantasie, de feiten van de walvisvaart en de mythe van de Witte Walvis, vermengd worden). De expeditie wordt op vele fronten een mislukking. Ik noem zo nadrukkelijk twee inspiratiebronnen (Vollmann en Melville) om de literaire traditie aan te geven waarin Barrett zich thuisvoelt, niet om haar roman van zijn verbeeldingskracht te beroven. De hoofdpersoon van De reis van de Narwhal is de natuurvorser Erasmus Darwin Wells, vernoemd naar de grootvader van Charles Darwin (zijn broers heten Copernicus, Humboldt en Linnaeus). Hij gaat mee met de expeditie. Zijn zusje Lavinia blijft achter in Philadelphia en wacht als een Penelope op de terugkeer van haar verloofde Zeke Voorhees. De reis van de Narwhal is een verslag van een mislukking in de geest van Hermans’ Nooit meer slapen, hoewel er in Barretts roman wel een meteoriet wordt gevonden (daar zit een ziel in, denken de eskimo’s) die helaas verloren gaat. Erasmus is een victoriaanse inventariseerder van plantjes en dieren. Hij legt lijsten aan, prepareert huiden en verzamelt zaadjes. Zijn bijnaam luidt 'de zaadjesman zonder pit’. Zijn vriend, scheepsarts dr. Boerhaave, vergelijkt hem met Newtons derde wet van actie en reactie: 'Eenmaal in beweging gezet bleef hij doorgaan totdat iemand hem tegenhield; eenmaal tegengehouden, bleef hij stilstaan totdat hij weer een duw kreeg.’ BARRETT LAAT haar avontuurlijke reisverhaal voorafgaan door een lang citaat uit Lévi-Strauss’ Tristes tropiques, waarin het nieuwsbelang van reizen wordt gerelativeerd. Wat doen globetrotters anders dan 'besmette herinneringen verzamelen’ en de illusie scheppen 'van een werkelijkheid die niet meer bestaat…’? Als de illusie in de realiteit al op de loer ligt, waarom dan niet meteen de verbeelding ingetrokken? Zo moet Barrett gedacht hebben. Oude verhalen bevatten lessen over geruchten en verbeeldingskracht en over het gevaar de wereld 'niet rechtstreeks te observeren’. Barretts protagonist Erasmus verlangt ernaar overal tegelijk te zijn, een 'waaier van ogen’ te vormen. Hij ziet een uitwaaierend vertelperspectief voor zich dat iedereen en alles in de gaten houdt, hij wil zichzelf in honderd stukken splitsen om honderd dingen te zien. Dat verlangen geeft Barrett in haar roman gestalte door een vreemd soort alwetende verteller te introduceren die over de schouder van brievenschrijvers en dagboekaniers mag meekijken, de gedachten leest van bijna alle bemanningsleden en achterblijvers en op de hoogte is van de wetenschappelijke stand van zaken (Darwins Origin of Species is net verschenen), de literair-filosofische exercities van Henry Thoreau over burgerlijke ongehoorzaamheid en de dreigende opstand van de negerslaven. Dat alles maakt van De reis van de Narwhal veel meer dan een goed gedoseerd avonturenboek. De roman gaat evenzeer over de zin van het reizen, de vertekenende blik van pseudo-wetenschappers, het vertellen van verhalen en de onmogelijkheid om tussen feit en fictie een ondoordringbaar schot te plaatsen. WIE IS HELD, wie is lafaard? Wie spreekt de waarheid, wie liegt dat het gedrukt staat? Wie neemt alleen maar, wie wil ook geven? Wat zie je als je weg bent en wat mis je als je thuiskomt? Dit zijn enkele van de vragen die opkomen bij het lezen van deze uitzonderlijke roman, die door de consequent afstandelijke vertellerstoon ogenschijnlijk kil lijkt, maar op een andere manier dan Vollmann betrokkenheid toont. Twee van de vele perspectieven die Barrett heeft gekozen zijn die van de eskimomoeder en haar zoon die de doodgewaande kapitein Zeke Voorhees in 1857 meeneemt, of ontvoert, naar Philadelphia om zijn mislukte expeditie alsnog om te zetten in een succesvolle onderneming die geld in het laatje brengt. Annie en Tom, zoals ze heel prozaïsch worden genoemd, denken niet in feiten maar in metaforen die alles te maken hebben met hun leef- en denkwereld. De belezen dr. Boerhaave vraagt aan Erasmus wat het zou betekenen als je opgroeit met verhalen waarin 'waarheid en onwaarheid zijn vermengd als de mineralen in graniet’. Misschien heb je er dan begrip voor gekregen, antwoordt Erasmus, dat alles mogelijk is wat je je maar kunt voorstellen. En daar is De reis van de Narwhal een hartstochtelijk pleidooi voor, voor het peilen van de oceanen en ijszeeën in onze eigen donkere ziel. De roman is ook een hommage aan al die verlichte geesten halverwege de negentiende eeuw, belichaamd door dr. Boerhaave, die wisten dat ze het als wetenschapper niet zonder verbeeldingskracht konden stellen. Een van de hoogtepunten van De reis van de Narwhal is de beschrijving van de tocht die het hoofd van dr. Boerhaave maakt nadat hij tijdens een reddingstocht is verdronken. Dat hoofd is van zijn romp gescheiden en drijft op de stromingen naar het zuiden, waar het ergens op de kiezelstenen onder een klip met het gezicht omhoog aanspoelt. 'Tussen de afgeronde stenen was het hoofd onzichtbaar voor zijn vrienden, en het zangerige geluid van de wind die langs zijn kaakbeenderen streek, ging verloren in het gebulder van de golven.’