De politiek van het optimisme

Een waanzinnig gaaf land

Als tegengif voor de populistische woede etaleren politieke partijen een optimistische visie op de stand van zaken in Nederland. Hoe effectief is deze montere levenshouding?

Medium hh 62708036
In het Provinciehuis in Groningen gaan de lijsttrekkers van landelijke politieke partijen in debat. Voor aanvang oefent Sybrand Buma met ellebogenwerk, 8 februari © Corné Sparidaens / HH

Op de website van de vvd stond afgelopen december een ludieke handleiding voor bij het kerstdiner. Mocht het gesprek aan tafel onverhoopt over politiek gaan, dan kon je met dit lijstje argumenten je ‘boze oom’ (lees: een pvv-stemmer) van repliek dienen. Als hij sombert dat dit land kapot wordt gemaakt, antwoord jij gewoon dat Nederland een economische grootmacht is. Schreeuwt hij dat de grenzen op slot moeten? Dan herinner jij hem er fijntjes aan dat handel drijven Nederlanders in het bloed zit; export is goed voor de spaarpot. En als hij bepleit dat het eigen risico moet worden afgeschaft, counter jij dat we de beste zorg van heel Europa hebben. Pas als je oom in ordinaire complottheorieën vervalt, geef je het op. Tegen zoveel irrationele stompzinnigheid kan zelfs de grootste optimist niet op.

Er zijn nogal wat boze ooms die weigeren in te zien dat we eigenlijk in een ‘waanzinnig gaaf land leven’ (dixit Mark Rutte, onze immer goedgeluimde premier). Nu de verkiezingen naderen zijn de politieke partijen ijverig op zoek naar een overtuigend antwoord op de pruttelende onvrede. In het geval van de vvd lijkt de strategie om tegengas te geven. Tegenover het geklaag van de demagogen benadrukt het programma van de regeringspartij vooral dat er ‘ontzettend veel goed gaat in ons prachtige land aan de Noordzee’. Zolang we maar ‘normaal doen’. Naast het opzichtige geflirt met de pvv-stemmer – ‘omdat we willen dat Nederland Nederland blijft’ – probeert de vvd zo ook de tevreden burgers te paaien, in de hoop dat zij een stille meerderheid vormen.

Mark Rutte is niet de enige die op de positieve toer gaat deze campagne. Kijk alleen al naar de titels van de boeken die de lijsttrekkers schreven als persoonlijk verkiezingsmanifest: Gert-Jan Segers (ChristenUnie) heeft Hoop voor een verdeeld land, Sybrand Buma (cda) vecht Tegen het cynisme, Alexander Pechtold (d66) is een Optimist in de politiek en Jesse Klaver (GroenLinks) droomt van De empathische samenleving. Zonder uitzondering willen ze tegenstellingen overbruggen om zo een weerwoord te bieden aan het pessimisme dat ‘als een donkere wolk boven Nederland en de wereld hangt’ (Pechtold).

De behoefte aan een hoopvol tegenverhaal is begrijpelijk. Degenen die een steen in hun maag voelen zakken bij de angstpolitiek van Geert Wilders en consorten snakken naar een opbeurend alternatief. Vandaar dat Klaver zijn toespraken naar die van Obama modelleert (‘het kán anders’). Vandaar dat Pechtold ‘wil opbouwen, niet afbreken’. Het is bovendien een beproefde strategie: wie kiezers wil trekken, kan maar beter een optimistische toon aanslaan. Waarom zou je stemmen op iemand die geen vertrouwen heeft in de toekomst? Doemdenkers zijn weinig constructief en mopperen liever vanaf de zijlijn over alles wat er mis gaat, in plaats van met frisse moed te ijveren voor een betere wereld.

Optimisme lijkt zo bijna verheven tot een politieke deugd an sich. Alsof politici geloven dat een montere levenshouding een zinvol tegengif vormt voor de populistische woede. Alsof de maatschappelijke onvrede weggenomen kan worden door gunstige cijferreeksen van het Centraal Bureau voor de Statistiek of een gloedvol pleidooi voor empathie. Maar een opgewekt verhaal is niet hetzelfde als een boodschap van hoop. Sterker nog, het holle optimisme van positivo’s kan in de weg staan bij het vormgeven van een andere, betere toekomst. Wie gelooft dat we al in een waanzinnig gaaf land leven, zal eerder geneigd zijn tot behouden dan tot hervormen.

Pessimisme heeft een beroerde reputatie, op zwartkijkers zit niemand te wachten. Constant worden mensen aangespoord om de toekomst met een zonnige blik tegemoet te zien. We hebben behoefte aan ‘optimistische doorzetters’, staat in het vvd-programma: ‘Mensen die positief in het leven staan en tegen een stootje kunnen.’ Het is een platte verheerlijking van optimisme die Terry Eagleton doet gruwelen. ‘Opgewektheid is een banale emotie’, schrijft de literatuurwetenschapper in zijn boek Hope without Optimism. ‘Er kunnen best een hoop goede redenen zijn om te geloven dat een situatie goed zal uitpakken, maar om dat te verwachten omdat je een optimist bent, is daar niet een van.’ Of je een glas ziet als halfvol of halfleeg heeft kortom geen enkele invloed op de inhoud van het glas.

Zelf is Eagleton naar eigen zeggen iemand die ‘het glas niet alleen ziet als halfleeg, maar ook nog eens verwacht dat het is gevuld met een vieze en potentieel dodelijke vloeistof’. Het weerhield hem er niet van een boek te schrijven over hoop, een concept dat tot zijn ergernis gemakkelijk als synoniem wordt gebruikt voor optimisme. Terwijl het twee totaal verschillende, soms zelfs tegenstrijdig begrippen zijn. ‘In tegenstelling tot hoop is optimisme geen deugd, net zo min als dat het hebben van sproeten of platte voeten een deugd is. Het is geen houding die men verkrijgt door diepe reflectie of gedisciplineerde studie. Het is simpelweg een karaktereigenschap.’

Toch is het een karaktertrek waar politici graag mee pronken. Tijdens de Algemene Beschouwingen afgelopen september constateerde NRC Handelsblad dat politici elkaar probeerden te overtreffen met optimistische retoriek. ‘Wij behoren tot de wereldtop van gelukkigste, gezondste en best opgeleide mensen ter wereld’, zei Alexander Pechtold. Premier Rutte verklaarde ‘de stem’ te willen zijn van ‘de mensen die wél vooruit willen, die zich afwenden van dat pessimisme en negativisme’. En Geert Wilders, de man die door zijn collega’s verantwoordelijk wordt gehouden voor dit negatieve klimaat, beweerde dat hij als enige Nederlandse politicus ‘al twaalf jaar lang hoop en optimisme predikt’. In 2010 heette het verkiezingsprogramma van de pvv zelfs letterlijk De agenda van hoop en optimisme.

Opmerkelijk, want de achterban van de pvv is veruit de meest pessimistische van alle politieke partijen, zo bleek uit het laatste kwartaalbericht van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In zijn ‘continu onderzoek burgerperspectieven’ koppelt het scp partijvoorkeur aan ‘netto-geluk’ en ‘netto-optimisme’. Wat blijkt? pvv-stemmers zijn ronduit ongelukkig en zien het somber in. Ook kiezers van de SP en de Partij voor de Dieren zijn, zeker op economische thema’s, behoorlijk ontevreden. Terwijl vvd’ers en d66’ers relatief gelukkig en optimistisch zijn. Het kan verklaren waarom Halbe Zijlstra (vvd) ontstemd reageerde toen Jesse Klaver tijdens de Algemene Beschouwingen de groeiende ongelijkheid in Nederland aan de kaak probeerde te stellen. Zijlstra werd ‘een beetje depressief’ van zo’n verhaal: ‘Ik zou tegen de heer Klaver willen zeggen: houd daar eens mee op en praat nou eens écht over hoop en optimisme.’

Maar waar hebben we het over als we over hoop en optimisme praten? In ieder geval niet over hetzelfde. Het zijn geen inwisselbare begrippen zoals Wilders en Zijlstra het doen voorkomen. Integendeel. De radicale voorstellen van de pvv klinken haar aanhang hoopvol in de oren juist omdát ze ongelukkig zijn met de status-quo. Somber zijn over de huidige situatie en hoop koesteren voor de toekomst ‘zijn twee kanten van dezelfde medaille’, schrijft Eagleton. ‘Men heeft hoop voor de toekomst, precies omdat men de weerzinwekkendheid van het heden confronteert.’ Een optimist zal huiverig zijn om te erkennen dat de zaken er grimmig voor staan, die gelooft dat alles uiteindelijk op z’n pootjes terechtkomt.

‘In tegenstelling tot hoop is optimisme geen deugd, net zo min als dat het hebben van sproeten of platte voeten een deugd is’

Een pleidooi voor politieke verandering begint dus bij het afwijzen van optimisme. In de woorden van Eagleton: ‘Enkel wanneer je een situatie als kritiek beschouwt, kom je de noodzaak van verandering onder ogen. Ontevredenheid kan een prikkel tot hervormingen zijn.’ Precies hierin verschilt optimisme van hoop. Waar optimisme in essentie conservatief is, is hoop een emancipatoire kracht. Hoop is gericht op een voorstelling van een betere toekomst, die weliswaar mogelijk moet zijn, maar niet direct binnen handbereik hoeft te liggen.

Natuurlijk kunnen er redelijke argumenten worden aangevoerd om te betogen dat somberen misplaatst is. Zo schreef de Britse journalist Matt Ridley in 2010 het boek The Rational Optimist, waarin hij harde cijfers in stelling brengt om een ‘weerwoord te bieden op het heersende pessimisme’. Want ondanks het overweldigende bewijs dat we als mensheid floreren als nooit tevoren hebben we de hardnekkige neiging om de toekomst te vrezen. Dat is nergens voor nodig, menen rationele optimisten als Ridley: in onze geschiedenis zijn genoeg aanwijzingen te vinden om aan te nemen dat er nóg betere tijden in het verschiet liggen. Keer op keer bleken de rampscenario’s van onheilsprofeten loos alarm. In het verleden behaalde resultaten bieden weliswaar geen garantie, maar wel reden tot optimisme over de toekomst.

Alexander Pechtold hanteert een soortgelijke tactiek. ‘De wereld was nog nooit zo welvarend en ontwikkeld’, schrijft hij in Optimist in de politiek. ‘We worden ouder en zijn relatief gezonder dan ooit. Een historisch aantal kinderen gaat naar school. En in steeds meer landen kun je zichtbaar jezelf zijn en liefhebben wie je wilt liefhebben.’ Hij vertelt het niet om de hedendaagse zorgen te bagatelliseren, haast hij zich te zeggen, maar het dient wel als een welkome herinnering dat we het nog nooit zo goed hebben gehad. Luistert u mee, boze oom?

Dat de gemiddelde aardbewoner nu beter af is dan in de negentiende eeuw, daar is geen speld tussen te krijgen. Dat het leven in de Middeleeuwen nog veel beroerder was, staat buiten kijf. Voor rationele optimisten is dat reden om te concluderen dat de menselijke geschiedenis in wezen een verhaal is van onstuitbare vooruitgang. Soms gaat dat met horten en stoten, maar wie iets verder uitzoomt ontwaart een trend van constante verbetering.

Tot frustratie van Johan Norberg raakt dát verhaal ondergesneeuwd door de pessimistische grondtoon van het dagelijkse nieuws. De Zweedse schrijver bracht onlangs een boek uit met de titel Vooruitgang: Tien redenen om naar de toekomst uit te kijken. Dwars tegen de alarmisten in betoogt Norberg dat we, als je de feiten op een rijtje zet, in de beste aller tijden leven. Wie de krant openslaat of naar het nieuws kijkt, wordt overspoeld door deprimerende berichtgeving, maar wat journalisten volgens Norberg consequent vergeten te melden is dat de mensheid als geheel steeds veiliger, rijker, gezonder en vreedzamer wordt. Bezien vanuit het grote perspectief gaat het eigenlijk verbluffend goed met de wereld.

‘De drijvende krachten achter de vooruitgang van de mensheid zijn algemeen bekend en geaccepteerd’, schrijft Norberg: ‘de groei van wetenschap en kennis, grotere samenwerkingsverbanden, de expansie van de handel, en de vrijheid om van dat alles ook daadwerkelijk actief gebruik te maken.’ Zolang we deze verworvenheden weten te beschermen tegen de vijanden van de vrije en open samenleving, zoals religieuze fundamentalisten of populistische politici, liggen er volgens Norberg enkel gouden tijden in het verschiet.

Het is een ‘verminkt Verlichtingsdenken’, concludeerde auteur Bryan Appleyard treffend in een artikel in The New Statesman. Dit soort ‘neo-optimistische geschiedkunde is in wezen een aspect van een sciëntisme’, het geloof dat ‘op elke coherente vraag een wetenschappelijk antwoord mogelijk moet zijn’. Het optimisme van Norberg en Ridley stoelt op de overtuiging dat dankzij de wetenschap en de Verlichting alle grote problemen de wereld uit geholpen zijn en de mensheid door kennis en technologie ook nieuwe uitdagingen zal overwinnen. Klimaatverandering, nucleaire wapens of economische ongelijkheid zijn voor deze denkers geen redenen tot ongerustheid, maar hoogstens negatieve bijeffecten van een doorlopend succesverhaal. Op den duur zullen ook die problemen verholpen worden door de ongekende vindingrijkheid en creativiteit van de mens. Aan de schaduwzijden van de moderniteit besteden ze liever niet al te veel aandacht.

Rationele optimisten beschouwen zichzelf graag als vaandeldragers van de Verlichting, het tijdperk waarin de notie van ‘vooruitgang’ werd geboren. Maar dat getuigt van een ‘historisch analfabetisme’, schrijft Appleyard. Want optimisme was helemaal geen Verlichtingswaarde. Het idee dat we in ‘de best mogelijke aller werelden’ leven, de overtuiging van de Duitse filosoof Leibniz die doorklinkt in het werk van rationele optimisten, werd juist belachelijk gemaakt door Voltaire. Optimisme, schreef het Franse boegbeeld van de Verlichting in Candide, ‘is de dwaze volharding dat alles op z’n best is, terwijl het slecht gaat’.

‘De wereld was nog nooit zo welvarend en ontwikkeld. We worden ouder en zijn relatief gezonder dan ooit’

Niet optimisme maar hoop is een basiswaarde van de Verlichting, stelt ook de Duitse filosoof Susan Neiman. ‘Optimisme is een foutieve perceptie van de werkelijkheid, hoop heeft ten doel haar te veranderen’, zei ze tijdens haar Socrateslezing in 2014. Een Verlichtingsdenker als Voltaire was doordrongen van de contingentie van de geschiedenis. Anders dan Leibniz vond hij geen troost in een almachtige god of een andere vorm van voorzienigheid. ‘De geschiedenis is weinig meer dan een tableau van menselijke mislukkingen en misdaden’, schreef hij. Rationele optimisten koesteren daarentegen een bijna dogmatisch geloof in Vooruitgang met een hoofdletter V: een rotsvast vertrouwen dat de toekomst simpelweg een verbeterde versie zal zijn van het heden. Paradoxaal genoeg gaat de lofzang op onze soort zo gepaard met een impliciet determinisme. Vooruitgang wordt voorgesteld als een anonieme, voortdenderende stroom waarop de mens zich als een machteloze speelbal laat meevoeren.

Voor Politiek met een hoofdletter P is geen plaats in het perspectief van de rationele optimisten: als het natuurlijke verloop van de geschiedenis vooruitgang brengt, dan moet besluitvorming er vooral op gericht zijn om grote schokken te voorkomen die deze opmars kunnen verstoren. Geen risicovolle vergezichten of omwentelingen, maar ‘koers houden’, zo omschrijft Pechtold zijn missie in zijn boek. Als inspiratiebron noemt de d66-leider een verkiezingsposter van de Vrijzinnige Democraten uit 1922. Het art-deco affiche toont een kolkende zee met een ‘Schip van de Staat’ dat tussen twee vervaarlijke klippen door manoeuvreert. Rechts een rode rots met daarop ‘Revolutie’ en links een zwarte met ‘Reactie’. De les die Pechtold hieruit trekt is dat de overheid het midden moet houden tussen ‘twee extremen: het streven om het verleden te willen herstellen en de ambitie om het heden omver te willen werpen’. Geen ommezwaai, maar verder varen op de route der Vooruitgang.

Medium hh 62760300
Groningen, 8 februari, meet-up met Jesse Klaver van GroenLinks in de grote zaal van De Oosterpoort © Corné Sparidaens / HH

Het is min of meer dezelfde strategie die Hillary Clinton de verkiezingen kostte, schreef Kate Jenkins onlangs in The Los Angeles Review of Books. Met optimistische teksten hoopte de Democratische presidentskandidaat een brede kiezersschare aan te spreken. Het bleek een fatale miscalculatie: ‘Het bewijs stond simpelweg niet aan de kant van het optimisme.’ In tegenstelling tot Obama’s campagne in 2008 was Clintons ‘positieve verhaal’ niet gericht op hoop en verandering. Waar Donald Trump brak met alle ongeschreven verkiezingswetten, met een on-Amerikaanse campagne vol woede en negativiteit, presenteerde Clinton zich vooral als de bewaker van de status-quo. Op Trumps slogan Make America great again antwoordde zij dat Amerika al great was. Een enorme tactische blunder, concludeert Jenkins: ‘Het leek wel alsof haar belangrijkste taak was om ons te waarschuwen voor de slechte voorstellen van de andere kandidaten, in plaats van zelf een visie voor radicale verandering te presenteren. Dat is het probleem met gematigde politici: ze projecteren een algemeen geloof dat alles min of meer in orde is.’

Er zijn evenwel genoeg redenen om dat te betwisten. Kijk alleen al naar de economische ongelijkheid, die de afgelopen dertig jaar sterk is toegenomen – een recent rapport van Oxfam becijferde dat de acht rijkste mensen ter wereld inmiddels evenveel bezitten als de armste 3,6 miljard. Zelfs in een relatief welvarend land als Nederland groeit één op de negen kinderen op in armoede. Wat hebben zij aan grafieken die moeten bewijzen dat we het nog nooit zo goed hebben gehad?

Of neem de ontwrichting van het klimaat. Het meest angstaanjagende is niet zozeer dat 2016 het warmste jaar ooit was, of dat de poolkappen in een schrikbarend tempo smelten, maar dat veel partijen de politieke implicaties hiervan nog altijd niet onder ogen komen. Zeker de optimisten niet. ‘Klimaatverandering is een businessmodel, in plaats van een bedreiging’, schrijft Pechtold. Het klinkt heerlijk positief, maar het miskent dat er meer nodig is dan een paar elektrische auto’s en windmolens om de opwarming van de aarde binnen de perken te houden. Technologische innovatie alleen is niet voldoende, er is een drastische koerswijziging nodig. En dat begint ermee te erkennen dat alles helemaal niet in orde is.

Toch bestaat er bij veel partijen een weerzin om een al te negatieve toon aan te slaan, niet in de laatste plaats uit angst voor het verwijt van populisme. Natuurlijk wordt er kritiek geuit, maar zo ver als Donald Trump of Bernie Sanders – die hun onverwachte populariteit volgens Jenkins te danken hadden aan de gemeenschappelijke bewering dat ‘de zaken behoorlijk shitty zijn, dus dat we alles maar beter in lichterlaaie kunnen zetten om opnieuw te beginnen’ – durft, behalve Wilders, vrijwel geen enkele lijsttrekker te gaan. Jesse Klaver zie je zelden boos; in plaats van nieuwe tegenstellingen te creëren doet hij zijn uiterste best om die te overbruggen. Verbinden is het toverwoord. Tijdens een van de meet-ups zei hij het zo: ‘Problemen vragen niet om zondebokken, maar om oplossingen.’

Maar wat als je geen pasklare oplossingen kunt presenteren? Iedereen die kritiek levert wordt automatisch geacht om een alternatief paraat te hebben. Na een analyse van wat er misgaat, volgt steevast de vraag ‘wat nu?’ Wie die vraag niet kan beantwoorden, dreigt zichzelf buitenspel te zetten. Van politici wordt ook nog eens verwacht dat de oplossingen die ze aandragen realistisch en haalbaar zijn. Hét verwijt aan het adres van populisten is dat ze loze beloftes doen. Optimistische politici zullen dus niet zo snel problemen aankaarten waarvoor geen eenvoudige remedie bestaat, hun toekomstplannen zijn zelden gekoppeld aan een diepgravende systeemkritiek. De pvda kan volgens haar partijprogramma ‘weer vooruitkijken en met optimisme onze voorstellen aan u voorleggen’, omdat ze gelooft dat het ‘de goede kant op gaat met Nederland’. Hillary Clinton kon een optimistisch verhaal verkondigen, omdat ze van mening was dat Amerika de zaakjes al redelijk op orde had. ‘Hun vertrouwen in een gunstige toekomst’, schrijft Terry Eagleton in Hope without Optimism, ‘is geworteld in een vertrouwen in de degelijkheid van het heden.’

Het maakt optimisme tot ‘een typische component van de ideologie van de regerende klasse’. Het kenmerk van anti-establishmentbewegingen, en de reden waarom ze vaak worden weggehoond, is dat ze helemaal niet positief zijn ingesteld. Ze zijn boos. Ze zien problemen die niet binnen de bestaande spelregels opgelost kunnen worden. Dat geldt voor de extreem-rechtse kopstukken wier woede gepaard gaat met xenofobie, maar evengoed voor de actievoerders van Black Lives Matter, die inzien dat racisme niet enkel afkomstig is van een clubje extremisten. Of voor klimaatactivisten die kolenmijnen bezetten en weigeren het gesprek met de fossiele industrie aan te gaan, omdat ‘systeemverandering’ nodig is om ‘klimaatverandering’ te stoppen.

Dit soort bewegingen worden niet alleen gedreven door onvrede, maar vooral ook door hoop – en hoop is een motor voor verandering, weet ook de Amerikaanse essayiste Rebecca Solnit. In 2003 schreef ze het boek Hope in the Dark. Het waren de hoogtijdagen van het Bush-bewind en voor progressieve activisten als Solnit zag de wereld er grauw uit. Als medicijn voor het defaitisme waar veel van haar vrienden onder gebukt gingen, zette zij zich aan een essay over hoop. De titel ontleent ze aan een dagboeknotitie van Virginia Woolf: ‘The future is dark, which is on the whole, the best thing the future can be, I think.’ Ze schreef het in 1915, terwijl de Eerste Wereldoorlog overal in Europa dood en verderf zaaide. Maar de toekomst is duister, en dat is maar goed ook. Met ‘duister’ bedoelt Woolf niet dat ze nog meer verschrikkingen verwacht, maar dat de toekomst ondoorgrondelijk is. Niemand weet wat ons te wachten staat. En precies die onkenbaarheid van de toekomst biedt zuurstof voor hoop.

‘Hoop is een gift die je nooit hoeft op te geven, een kracht die je nooit hoeft weg te gooien’, schrijft Solnit. Ze is geen optimist, want ‘overal om ons heen zien we bewijs van lijden en destructie’. Maar tegelijk weigert ze zich over te geven aan pessimisme. Zowel pessimisme als optimisme is namelijk een excuus om stil te zitten. Het eerste voedt apathie door een deprimerende verslagenheid, het laatste door een comfortabel vertrouwen dat alles toch wel goed komt. Hoop, daarentegen, kan aansporen tot actie.

Hope in the Dark is een hart onder de riem voor actievoerders die de straat op gaan om te demonstreren tegen oorlog, om te marcheren voor gelijkheid en klimaatactie. Soms lijkt het alsof dat soort protest futiel is, maar niets is minder waar, laat Solnit zien. Dit soort sociale bewegingen koesteren gedurfde toekomstvisioenen en dragen grootse dromen uit – dat die lang niet altijd worden vervuld, betekent niet dat er niets verandert. De afschaffing van slavernij, het afbreken van de Berlijnse Muur, het stemrecht voor vrouwen, het homohuwelijk, allemaal begonnen ze als onrealistische eisen van een stel idealisten. ‘Wat al deze transformaties gemeen hebben’, schrijft Solnit, ‘is dat ze beginnen met verbeeldingskracht, met hoop. Hopen is gokken. Het is wedden op de toekomst, op je verlangens, op de mogelijkheid dat een open hart en onzekerheid beter is dan somberheid en veiligheid. Hopen is gevaarlijk en toch is het het tegenovergestelde van angst, want leven is risico’s nemen.’

Het staat haaks op het idee dat de toekomst simpelweg een verbeterde voortzetting van het heden is. Nederland stap voor stap ‘elke dag een stukje beter maken’, zoals de vvd in haar verkiezingsprogramma belooft, of ‘koers houden’, het adagium van Pechtold – het is optimistisch, maar geen boodschap van hoop. ‘Hoewel een conservatief niet noodzakelijk een optimist is, denk ik dat er een grote kans bestaat dat een optimist een conservatief is’, merkte Henry James ooit op. Wie gelooft dat er nood is aan verandering en wil ijveren voor een andere wereld heeft weinig aan een opgewekt gemoed. De behoefte aan hoop is juist het grootst wanneer de situatie op z’n grimmigst is, zo merkte Rebecca Solnit. Een paar dagen na de verkiezing van Donald Trump was Hope in the Dark overal uitverkocht.