Een wagonlading violen

Géza Frid (1904-1989) ontvluchtte het Hongaarse fascisme en werd een van de vrolijkste mensen in het Nederlandse muziekleven. Frid was concertpianist, begeleider, pedagoog, recensent, schrijver én componist van nog altijd springlevend werk.

Als jongetje van zes zat Géza Frid op de schouders van Tolstoj en mocht een stukje piano spelen voor de grote Russische schrijver en pacifist. Hij moest van Tolstoj improviseren op een melancholiek muzikaal thema, dat vaag in zijn hoofd bleef hangen. Later ging hij twijfelen of het allemaal echt was gebeurd, tot hij 42 jaar later, in 1952, in een Belgisch klooster een oude pater ontmoette die het indertijd allemaal had meegemaakt en die hem het melodietje precies kon voorzingen.

Frids familie verhuisde in 1912 van de Karpaten naar Boedapest, zodat Géza, die het muzikale talent van zijn moeder had geërfd, aan de Muziekacademie leerling kon worden van Zoltán Kodály en Béla Bartók, met wie hij tot aan hun dood in nauw contact is gebleven.

Kort na 1918 veranderde het vooruitstrevende Hongarije in een benauwde, fascistische staat waar joden werden gediscrimineerd en weggepest. Frid zag Nederland in die jaren als een oase van vrijheid en tolerantie.

In 1927 vestigde hij zich definitief in ons land, eerst in Nijmegen, waar zijn vriend en muzikale partner, de violist Zoltán Székely, woonde, en vanaf 1929 in Amsterdam. Daar trouwde hij in 1937 met de zangeres en pianiste Ella van Hall, rijzig en blond, kind uit een voorname Amsterdamse bankiersfamilie. In 1939 kregen zij een zoon, Arthur. Het huwelijk hield tot verbazing van Géza zelf stand, hoewel hij eigenlijk te vrolijk en te springerig was om geen oog te hebben voor ander vrouwelijk schoon. In de oorlog kon hij als jood en wilde hij als antifascist alleen clandestiene huisconcerten geven. Hij was zijdelings, via de familie van zijn vrouw, bij het verzet betrokken. Hij moest onderduiken en was voor het eerst en het laatst zo depressief dat hij zelfs een tijdlang niet meer kon componeren.

Na de oorlog vatte hij zijn veelzijdige praktijk als pianist en begeleider – onder meer van de Nederlandse sopraan Erna Spoorenberg – weer op. Frid was zeer actief in het Nederlands muziekleven en hij was een belangrijke pleitbezorger voor het werk van zijn leermeester Bartók. Zelf meen ik me een vrolijke avond in het Concertgebouw te herinneren van een door Frid en anderen opgericht Janacek Genootschap, een cabareteske avond – want ook daar was Géza Frid, samen met pianist Wolfgang Wijdeveld (zoon van de architect) heel goed in. Met Godfried Bomans onderhield hij een intense schaakvriendschap.

Als componist was hij ook vanaf de jaren vijftig weer actief. Violist Christiaan Bor, die veel met Frid werkte, zei over hem tegen Wenneke Savenije: «De kracht van Frids muziek zit in zijn kernachtige ritmiek en de spannende ritmische contrasten. Net als zijn leraren maakte ook Frid gebruik van de Hongaarse folklore. Er zit pit en vaart in zijn muziek. Dat maakt zijn stukken heel levendig. Bovendien zit alles compositorisch gezien verschrikkelijk goed in elkaar.» En: «Frid was altijd goed gehumeurd, zat boordevol verhalen en was een en al joie de vivre.»

Frid was vrijheidslievend en tegen elke dwang, een uitbundig en sprankelend vat vol tegenstrijdigheden. Hij schrijft in zijn herinneringen ontroerend over zijn relatie met Bartók en hoe hij van leerling diens medewerker wordt. Hij vertelt hoe hij met dirigent Mengelberg in 1939 een avond en een nacht lang in het Amstel Hotel het Tweede Vioolconcert van Bartók doorneemt, waarvan hij met het Concertgebouworkest de première zal spelen en dat Mengelberg een beetje boven de pet gaat. Frid heeft ook enige malen Ravel ontmoet; één keer lopen ze ’s nachts met zijn tweeën, nadat er heel wat absint is gedronken, eindeloos rondjes om de vijvers van het Vondelpark in Amsterdam, en dan komt Ravel los: over de invloed van Debussy op zijn werk, over zijn problemen bij het componeren en hoe moeizaam dat soms gaat: «De stukken met weinig noten zijn altijd de moeilijkste», zegt Ravel bij die gelegenheid.

Hilarisch is het verhaal over het privé-recital dat Frid in 1929 samen met de violist Székely moet geven voor Mussolini. Ze spelen zeven stukken, van Tartini, Sinigaglia, J. Jongen, Manén, D’Ambrosio, Paganini en Bartók. De duce is zeer geïnteresseerd, spreekt vele talen en vertelt dat hij zelf elke dag ter ontspanning een half uur viool speelt. Hij vertelt ook dat hij toen dat bekend werd honderden violen ten geschenke kreeg, die nu in twee of drie treinwagons op Statione Termini in Rome liggen opgeborgen. Hij is van plan ze aan jonge talentvolle violisten cadeau te doen. Het is, schrijft Frid, voor het eerst dat hij dit edele instrument niet in zijn kwaliteit, maar als wagonlading heeft horen aanduiden.