Een wáng…

Wat beter was, vroeg een vriendin me in kennelijke staat. Verliefdheid of diepe connectie? Intuïtief wist ze donders goed aan wie ze dit precaire vraagstuk voorlegde. Iemand die zich opeens herinnerde hoe ze in vergelijkbare existentiële nood een vriend opbelde: ‘Je moet iets nuchters zeggen!’ Omdat ze zelf nooit zo voor nuchterheid te porren is.

Of was?

Ik tuurde naar mijn rafelig gebeten nagels. De nauw bedwongen bloedsporen op mijn vingertoppen. We stonden samengedrukt op een zolderetage waar een hoofdstedelijke uitgeverij iets te vieren had. Ik had een blauw ribpak aan waarin ik me een werkmens voelde, de vriendin was zoals altijd in slank zwart. Ik hoefde niet te vragen hoe ze eraan toe was. Crazy pussy. Ik voelde een steek, womb-hoogte. Waarom denken mensen dat je op zeker moment in je leven de zeven zeeën bevaren hebt en ervan hebt geleerd bovendien?

Hoe mooi zou het zijn, schreef Andreas Burnier begin jaren tachtig in een brief aan een vriend, als je in je vorige levens zoveel had geleerd dat je in plaats van op je veertigste of vijftigste, al op je twintigste de stap van begeerte naar bewustzijn kon maken. Ergens in de vijftig was ze toen ze dat schreef.

Met alle vorige levens die ik heb geleid, kan ik dit moeiteloos opdiepen. Maar die cruciale afslag van begeerte naar bewustzijn heb ik geloof ik gemist.

Ja, en nu?

Het feestje dat afstevent op onlesbare dorst. Mijn ribpak met al die handige zakken, voor mijn telefoon, voor mijn handen, voor wat al niet. De maniakale blik in de ogen van die vriendin die het wil weten. Of ze er goed aan heeft gedaan de geliefde van wie wij de afgelopen paar jaar allemaal hebben leren houden aan de kant te zetten voor… Tja. Een oprisping zou ik zeggen. Zij het een oprisping die haar helemaal opnieuw aan het ontdekken is. Die haar complete gestalte van binnen en van buiten aftast als ware zij een extra-terrestrial wezen. Die haar hand langs haar wang legt en in verrukking zucht: ‘Een wáng…’ Diepe connectie zou hier hoogstens opmerken dat je huid wat onrustig oogt. Of je niet te veel chocola eet. Of je wel op tijd gaat slapen.

‘Ze stierf verliefd’, zei ze. Het klonk als een perversie, en als iets om nooit te vergeten

Hé. Wake up slomerd. Slapen kun je je hele leven nog.

Een andere vriendin dient zich aan in mijn geheugen. Een gek jongensachtig wezen met een schuinse lok, ironische lach. Met haar kriebelhandschrift schreef ze me in haar laatste brief dat ze niet genoeg tijd had, maar dat ze hoopte… Zoveel wilde ze nog lezen, schrijven, kletsen, liefhebben. Echt iets voor haar dat ze toen ze ten dode was opgeschreven, nog een heel nieuwe alliantie aanknoopte. Haar liefste vriendin, haar diepste connectie, sprak ons toe toen ze werd begraven. Dat haar geen groter cadeau gegeven had kunnen worden dan dat ze verliefd was gestorven.

Ze zei: ‘Ze stierf verliefd.’

Het klonk als een perversie, en als iets om nooit te vergeten. Waarvan akte.

Verliefd.

Ik vind het het engste woord op aarde. Het meest uitsluitende. Zegt iemand dat hij verliefd is, dan dooft het licht. En gaat er een heel ander licht aan, niet voor jouw ogen.

Ik lees het dagboek van een schrijfster die me nooit zo interesseerde. Dat is er zo geruststellend aan. De bestseller die ze schreef heb ik niet gelezen, en haar dagboek gaat over garnalen en schelpdieren vissen. Ik sus mezelf in slaap met details over Ierse weersomstandigheden en andere dingen waarvan ik de hele tijd kan denken: I couldn’t care less. Geen zier, nada, niks. Maar dan opeens treft me deze alinea: ‘Bij het avondeten zeiden we elkaar ineens wat we elkaar nooit hadden gezegd. Hij: “Er is veel aan mij wat je niet bevalt.” Zij: “Minder dan bij de meeste stellen. En vroeger leed ik eronder, nu ergert het me alleen nog maar.” Ze zegt er niet bij: wat een rust om niet meer lief te hebben. Of misschien juister gezegd: niet meer verliefd te zijn.’

Ik vraag het me af, die rust. Het zou op een bepaalde manier zo kalmerend zijn, als verliefdheid net zoiets zou zijn als geluk: een overschatte toestand. Maar ik geloof het niet zo.