Interview Joost Zwagerman

Een ware fabel

In ieder boek een nieuwe stijl. Het is verwarrend voor de lezer, maar Joost Zwagerman - ‘ik ben een kameleon, een Zelig’ - kan gewoon niet anders. Een gesprek over zijn laatste roman, zijn schrijverscrisis en het oprukkend straatrumoer.

Medium joost zwagerman

EERST MOET een misverstand uit de weg geruimd: hij had geen ‘samenzweringsplannen’ toen hij in 1994 het radioprogramma Ophef en vertier presenteerde. In zijn nieuwe roman Chaos en rumoer veegt Joost Zwagerman met duivels genoegen de vloer aan met de vluchtige wereld van de culturele radio.
Een wereld waarin een diepgaand interview hooguit twaalf minuten duurt, waarin geruzie voor de microfoon het toppunt van 'spannende radio’ is, waarin de presentator een boek hoogstens heeft 'angelesen’, en waarin de stunteligste eendagsvliegen en klungeligste halftalenten voor Grote Kunstenaars worden versleten. Hoofdpersoon is de weinig fortuinlijke schrijver Otto Vallei, die nadat hij zes maanden tevergeefs heeft geknoeid aan een nieuw roman, zijn pen aan de wilgen hangt en voor de radio gaat werken.
Het lijkt op wat Zwagerman zelf overkwam. 'Ik had net De buitenvrouw af en dat boek zou in oktober verschijnen’, vertelt hij. 'Voorheen had ik de tijd tussen inlevering bij de uitgever en publikatie als een zalig niemandsland ervaren. Ik merkte nu dat ik die tussentijd als deprimerend en zelfs bedreigend beleefde en ik had absoluut geen zin om onmiddellijk aan iets anders te beginnen. Ik belandde in het soort schrijverscrisis waarin ik Otto heb laten belanden. Ik had werkelijk het idee dat ik eens iets anders moest doen dan alleen maar thuis zitten en schrijven. Bij toeval meldde Ophef en vertier zich. Ik was daar een keer te gast geweest en dat ging vrolijk en welgemoed. Net als Otto in het boek heb ik een proefuitzending gemaakt. Dat is dus allemaal tamelijk autobiografisch.
Pas nadat ik met die radiopresentatie was gestopt en het schrijven nog steeds niet wilde lukken, dacht ik: waarom zou ik niet van m'n handicap m'n kracht maken en een boek schrijven over een schrijver die niet aan het schrijven komt. In het besef dat dat natuurlijk een levensgroot cliché is dat al is beetgepakt door uitgerekend het soort schrijver waar ik niet onmiddellijk juichend voor op straat ga staan. Het ziektebeeld en het boek dat eruit voortkomt is vaak nauw met elkaar verweven; het onderwerp levert vaak moeizame boeken op. Ik heb daarom geprobeerd er een aantal onverwachte wendingen aan te geven en het wat jankerige onderwerp te voorzien van een campertiaanse lichtheid.’
Chaos en rumoer opent met een motto van Philip Roth en het boek doet ook denken aan de romans van deze schijnbaar moeiteloos-realistische verteller die tegelijk de lezer steeds op het verkeerde been zet. Zwagermans roman is meer dan een satirische roman; hij speelt een heus spel met romanwerkelijkheid en verbeelding. Een gehate collega van Otto Vallei, de succesauteur Ed Waterland, blijkt het boek te schrijven dat Vallei zelf had willen maken. Tot overmaat van ramp blijkt hij zelf als personage in de fictie van Waterland verzeild te zijn geraakt.

VOOR ZWAGERMAN is dit literaire spel niet nieuw. Al in zijn verhalenbundel Kroondomein (1987) publiceerde hij dergelijke groteske geschiedenissen. 'Ik heb een lange omweg gemaakt, om het zo te zeggen. De realistische tendens heb ik tot in het uiterste toegepast, maar ik heb me daar nooit op willen vastleggen. In Chaos en rumoer heb ik het beste van beide werelden proberen te verenigen. Dit boek is tot in iedere vezel een fabel, een sprookje, dat is ook duidelijk aan de bizarre wendingen in het verhaal te zien, maar de ingrediënten zijn bijna controleerbaar realistisch, met name de bom bij de uitreiking van de Eurobank-prijs. Dat is onmiddellijk te verbinden aan de bommelding bij de Ako-prijs. Daarvan wist ik meteen toen ik het op de televisie zag: daar moet ik ooit wat mee doen. Ik hoop dat ik die schijnbaar onverenigbare grootheden, het hyperrealisme en de groteske, in elkaar heb weten te schuiven.’

ALLERLEI Droste-effecten stopte Zwagerman in de roman. De flaptekst van het boek is bijvoorbeeld letterlijk terug te vinden in het boek, alleen gaat die dan op voor de roman van Waterland. En er wordt een perfide spel gespeeld met de sleutelroman. De voormalige uitgevers Theo Sontrop en Martin Ros zijn eenvoudig te herkennen in Arnoud Zegel en Wout Rokershoofd. 'Maar dat zijn ook de enigen die je kunt herkennen’, zegt Zwagerman direct. 'Gek genoeg hoorde ik al dat Ed Waterland geïnspireerd zou zijn op Ronald Giphart. Volslagen onzin. Iemand anders stelde me tijdens een interview als eerste de vraag: “En hoe denk je dat Van der Heijden zal reageren op jouw toch niet al te vleiende portret van Ed Waterland?” Kennelijk projecteert men allerlei schrijversgestalten in die persoon.’
Dat is conform Chaos en rumoer, want daarin herkennen alle personages zich tot hun woede in de roman van Ed Waterland. Het probleem is dat ze alleen zichzelf identificeren en niet de anderen. 'Dat merkwaardige fenomeen heb ik aan den lijve ondervonden toen ik Gimmick! publiceerde. Toen waren er nogal wat kunstenaars die wel zichzelf herkenden, maar als ik dan doorvroeg en vervolgens zei: “Maar die persoon A is toch ook niet te relateren aan de werkelijkheid, die heeft toch allerlei eigenschapen van allerlei mogelijk bestaande mensen, en B is toch ook zichtbaar verzonnen”, dan gaven ze dat toe. Maar daarna zeiden ze toch weer: “Maar ik!”
Ed Waterland lijkt vooral op het vreemde portret dat ik van mezelf terugzag in de media nadat Gimmick! was verschenen. Als Waterland zegt “De Tweede Wereldoorlog, dat is toch die film met Bruce Willis”, is dat het enige moment waarop hij uit z'n rol valt, want die uitspraak is toe te schrijven aan Rob van Erkelens. Na Gimmick! werd ik een society-schrijver genoemd die alleen maar over de grachtengordel schreef. Ik heb zelfs geprobeerd mijn uiterlijk als een kleine karikatuur neer te zetten bij de introductie van Ed Waterland, zodat er geen misverstand over bestaat. Ed Waterland is een nachtmerrieachtige variant van mezelf, maar Otto Vallei is dat ook. De twee uitersten heb ik opgeblazen, uitvergroot en voorzien van vrolijke, karikaturale eigenschappen.
Paranoia en heden komen bij elkaar als Otto leest dat hij in het boek van Waterland zit te lezen. Dan krijgt het boek een verdikking en vanaf dat moment ontrolt het zich in een heel andere richting. Ik zag ooit een film met Arnold Schwarzenegger die als een klassiek jungleverhaal begon en halverwege het verhaal plotseling helemaal van sfeer veranderde, een soort Star Wars werd. Ik weet dat de Duitse kunstenaar Dokoupil daar erg van gecharmeerd was. Je verwacht te kijken naar een op de smaak van het publiek toegesneden amusementsfilm en je belandt plotseling in een postmodern experiment. In Chaos en rumoer heb ik geprobeerd dat ook te doen. Zo ongevaarlijk mogelijk beginnen, met superrealistische, satirische elementen en dat niet stukje bij beetje laten overgaan in een groteske, maar met een enorme wending.’

'TOEN IK Gimmick! schreef, wist ik al op voorhand dat dit eens maar nooit weer zou zijn. Het werd ontvangen alsof ik nu tot in lengte van dagen dit soort boeken zou schrijven. Dat was ook niet verwonderlijk, zo werkt dat meestal in de literatuur. Men vindt zijn stijl en gaat daar vervolgens in verder. Je moet Gimmick! zien in het corpus van al het andere dat ik heb geschreven. In dat opzicht ben ik een kameleon, als Zelig uit de gelijknamige film van Woody Allen. Zelig past zich steeds aan aan zijn omgeving, op het hysterische af. Ik pas mijn stijl aan aan het onderwerp dat ik te beschrijven heb. Dat doe ik zo radicaal en zo consequent dat het lijkt of die stijl voortdurend bij mij zou horen.
Daarom kijk ik gefascineerd naar Arjan Ederveen. Hij adapteert ook bepaalde stijlen. Hij kijkt naar een documentaire over de nadagen van de groepstherapie, om maar iets te noemen, bestudeert en detail de beeldtaal van die documentaire en maakt vervolgens een eigen documentaire waarin hij een van de therapeutes speelt. Het is bijna griezelig realistisch en tegelijkertijd is alles overduidelijk verzonnen.
Gimmick! was in zekere zin een satire en een pastiche. Het was voor mij een adaptatie van de schelmenroman. Zoals ook de stap van die schelmenroman naar een bijna naturalistische roman als Vals licht heel ongewoon en onverwacht was. Daarna kwam de stap naar de superkneuterige binnenhuisroman in De buitenvrouw. En in Chaos en rumoer is de stap gemaakt naar de satirische groteske met spiegelelementen. Hierna wil ik weer een ander soort boek schrijven, dat onvermijdelijk het tegenbeeld zal worden van Chaos en rumoer. Het moet een totaal verbrokkeld boek worden met verschillende vertelinstanties en verschillende schrijfstijlen die uitdijen en in elkaar vervlochten raken.
Maar hoe verschillend die stijlen ook zijn, ik ben wat betreft de thematiek natuurlijk met een streng verbonden aan mijn eerdere boeken. De angst voor de buitenwereld zoals je die bij de hoofdfiguur uit De buitenvrouw ziet, is de mijne. Die angst voor de buitenwereld heeft Walter Raam in Gimmick! ook, alleen is het op een totaal andere manier verbeeld. De houdgreep, Gimmick!, De buitenvrouw, het gaat steeds weer over een hoofdfiguur die obsessie verwart met verliefdheid. Daar ben ik nu een beetje van afgestapt, ik ben nu 33 en dan moet je eens afscheid nemen van deze adolescententhematiek.
Met De buitenvrouw had ik ook de behoefte om het verhaal van binnenuit te situeren in het soort milieu waarin ik ben grootgebracht. Ik ken het onderwijzersmilieu heel goed, mijn vader is nog steeds onderwijzer, mijn moeder was lerares. Ik kom uit de omstreken van Alkmaar, ik kom uit de nieuwbouwwijk, ik ben een kind van de jaren zeventig. Het moeilijke was om vervolgens een stijl te vinden die de lading dekt. De stijl van De buitenvrouw moest in overeenstemming zijn met de blik op de wereld van een leraar Nederlands uit een nieuwbouwwijk, en die blik is super-Hollands-realistisch en behoudend. Hij streeft naar een heel egalitaire levensloop, er mag niets gebeuren in zijn leven. Daar hoort dus een uitermate prozaïsche, Hollands-realistische schrijfstijl bij. Ik heb wel twintig opzetjes gemaakt voor De buitenvrouw en allemaal waren ze vervat in het soort taal waarvan ik vond dat het niet in overeenstemming was met de opzet van het boek.
Mijn stijl is gelegenheidsstijl, is adequaat voor het boek waaraan ik werk. Daarin zit het misverstand dat ik geafficheerd word met de toon van m'n laatste boek. De veeltonigheid zit niet binnen de boeken zelf, maar wordt per boek gepraktizeerd. Pas als mijn veeltonigheid in één boek terechtgekomen is, zal men denken: nu valt het op z'n plaats. Je zou kunnen zeggen dat ik een postmoderne werkwijze hanteer met supertraditionele middelen.’
Otto Vallei is, net als de hoofdfiguren uit Gimmick!, Vals licht en De buitenvrouw, een meelijwekkende antiheld. 'Daar beleef ik veel plezier aan’, zegt Zwagerman. 'Ik vind het leuk om iemand neer te zetten die voor de lezer zichtbaar, navoelbaar niet deugt. Ik vind het ook een uitdaging om met zo'n antiheld een personage te creëren met wie je je als lezer moeilijk kunt identificeren, omdat hij bestaat uit louter sukkeligheid. Maar toch, ondanks alles, voel je volgens mij deernis en deemoed bij de hoofdfiguren. Met de ouderwetse leeshouding van identificatie met de hoofdpersoon kun je niets beginnen. Maar ik hoop dat de lezer zich wel helemaal laat vangen door het decor waarin de antihelden zich bewegen. Die decors probeer ik zo nauwgezet realistisch te beschrijven dat je als lezer helemaal in die wereld gaat zitten.
Ik houd vast aan de antiheld, misschien ook omdat ik geen ander soort held durf te maken. De antiheld vergroot gevoelsmatig de afstand voor mij, maar tegelijkertijd bind ik de kat op het spek door veel van de antihelden formeel mijn biografie mee te geven. Mijn leeftijd. In Vals licht m'n achtergrond: student Nederlands. Mijn woonplaats. Ik bind ook in Chaos en rumoer weer de kat op het spek. Mijn onhebbelijkheden en dwanggedachten en neurosen heb ik in Otto Vallei gestopt. Zijn onrust en zijn kleinigheden, zijn zieligheid en zijn verkramptheid als hij de telefoon moet opnemen, zijn totale neurotische explosie als de deurbel gaat - dat soort dingen zijn mij niet geheel vreemd. Ik kan tamelijk onvast in het leven staan. Het is niet interessant om daarover te schrijven, behalve als je er een satirische draai aan kunt geven.
Ik ben gebiologeerd door de kopieerlust van het dagelijkse leven, maar dat moet het natuurlijk nooit alleen maar zijn, want dan zou ik mezelf snel gaan vervelen. Dus moet er elke keer een ander project aan vastgeklonken zijn. Toen Ton Anbeek zijn beroemde oproep publiceerde voor meer straatrumoer in de Nederlandse literatuur, vond ik dat een heel aangenaam geluid. Tegelijkertijd moet ik er niet aan denken dat alle schrijvers in Nederland er gehoor aan geven. Alleen werd die oproep gedaan in een tijd dat straatrumoer bij wijze van spreken verboden was en je een verdacht sujet was als je ook maar enigszins de voor iedereen waarneembare werkelijkheid in je boeken sleurde. Inmiddels heeft Anbeek niets meer te klagen, want we hebben de romancyclus van A.F.Th. van der Heijden, we hebben romans gehad als Het verdriet van België van Claus en De aanslag van Mulisch. Voskuil is het nec plus ultra van het realisme en dat vind ik niet meer te lezen, dat vind ik echt kopieerlust.’

HET IS BIJ VOORBAAT verdacht als een schrijver zich documenteert als het om het moderne leven gaat. Vals licht werd geringschattend 'een gefictionaliseerde documentaire’ genoemd. 'Volgens mij is er geen land ter wereld waarin het een schrijver wordt aangerekend dat hij zich documenteert’, zegt Zwagerman verontwaardigd. 'Wat is dat voor idiotie! In Amerika is het een teken van groot literair raffinement als blijkt dat je je enorm hebt gedocumenteerd voor het een of ander. Dat geldt zowel voor Thomas Pynchon als voor Tom Wolfe of David Forster Wallace. Dat zijn allemaal mensen die zich diep hebben ingegraven in hun onderwerp. Bijvoorbeeld Wallace in de medische cultuur en de apothekerscultuur. Het is toch bijna een vereiste als je een bepaald soort boek wilt schrijven.
Toen ik Vals licht schreef, woonde ik nog aan de overkant van de Hobbemakade, waar veel hoeren zitten. Toen heb ik ook met de bandrecorder dagen en dagen verhalen aangehoord. Je kunt niet alles verzinnen. De verhalen die ik bruikbaar vond, heb ik eruit gelicht en verliteratuurd, hoop ik dan. Iedere schrijver luistert goed naar andermans verhalen. Margriet de Moor heeft dat ook gedaan met haar laatste boek, zij heeft veel met zigeuners gesproken. Misschien geeft het iets meer cachet als je met zigeuners praat dan met hoeren. Ik heb het idee om in een volgend boek een van de personages een weekbladredacteur te maken. Dan zou ik graag stage willen lopen bij een weekblad, een of twee weken. Dat vind ik de gewoonste zaak van de wereld.
Het probleem is natuurlijk dat iedere burger een autoriteit is op het gebied van zijn eigen tijd. Daardoor brengen de dingen die ik schrijf nogal uitgesproken reacties teweeg. Omdat men het heel vaak leest op journalistieke merites. Omdat de werkelijkheid die ik schets anders is dan wat de lezer verwacht. Toen ik Gimmick! schreef, werd er vaak gemopperd dat het allemaal zo erg niet was, dat beeldend kunstenaars echt niet allemaal zo'n yuppieblik hebben op hun carrière en dat ik de uitgaanscultuur wel heel erg leeg beschreef. Nee, natuurlijk was dat niet zo, het is maar een facet van die subcultuur. Hetzelfde gold voor Vals licht: hoe ik het personage Lizzie Rosenfeld neerzette strookte toch niet met het beeld van de gemiddelde assertieve prostituée van de tweede feministische golf. Maar daar moet ik niet moeilijk over doen, dat is nu eenmaal een logisch gevolg van mijn werkwijze. Ik calculeer zulk soort reacties in.’


Foto: Bob Bronshoff