POPMUZIEK: Motörhead Röadkill

Een ware karpatenkop

pvv-Kamerlid Dion Graus fantaseerde vorige week in Het Parool over de film die wat hem betreft ooit over zijn leven zal worden gemaakt. De vraag die hem bezighield was wie het best een Dion Graus kon neerzetten. Tom Hanks? Nee, die had niet het gewenste hoofd. Geen ‘woeste karpatenkop’. Het was Reve die die term introduceerde, voor Tito, de dictator in zijn ‘internationale uniform der zelfgenoegzame bruutheid en domheid’. Dat ‘woeste’ dacht – en droomde – Graus er zelf bij.

Wie wél met recht een woeste karpatenkop mag claimen, is Lemmy Kilmister, de frontman van hardrockband Motörhead. Naar Lemmy kijken is hem horen. Uit dat grove gezicht, met dat statement van die pukkels en dat trotse hoefijzer van een snor, daaruit kan simpelweg geen ander geluid opstijgen dan dat van zijn stem: alsof hij voor iedere show gorgelt met grind.

Kilmister is even stijlvast als zijn band, die al sinds 1975 dezelfde, sterk door punk beïnvloede, opsmuk- en zijstaploze hardrock speelt, en nog steeds met tamelijk grote regelmaat albums uitbrengt (het volgende verschijnt volgende maand). Lemmy kleedt zich donker, draagt soms een grote hoed en lachen doet hij in het openbaar niet vaak. Hij is al zo lang een rockicoon dat hij weet dat herkenbaarheid zichzelf uitbetaalt.

In de documentaire Lemmy blijft hij eveneens in zijn rol, al is de jongensachtige lol die hij heeft om zijn enorme verzameling nazi-parafernalia bijna aandoenlijk. De scène waarin hij boos zijn vermeende sympathieën voor het gedachtegoed van de originele bezitters van die spullen weerspreekt door erop te wijzen dat hij een punker is, en dat als de joden net zulke mooie spullen hadden gehad hij die wel had verzameld, is hilarisch, vooral omdat hij zijn verhaal doet terwijl hij voor een Duitse tank staat. En de hele scène denk je als kijker dat Lemmy Kilmister exact weet wat hij hier doet: hij kent overduidelijk de taal van beeld.

Dat beeld stijgt ook op uit de foto-expositie Motörhead Röadkill die op dit moment in De Melkweg in Amsterdam is te zien. Fotograaf Pep Bonet mocht er vaak en lang bij zijn, maar dan nog was hij vaak en lang bij een band (maar vooral een man, want Lemmy is in alles een frontman) die zelfbewust is. En Bonet, geboren een jaar voor de band begon, fotografeert duidelijk vanuit bewondering – en uiteraard in zwart-wit.

Het gebrek aan verrassing betekent zeker geen gebrek aan mooie foto’s. Integendeel: eigenlijk is alles aan Motörhead cool en iconisch. De laarzen van Lemmy, de gitaarversterkers, de tattoos van de oude school, dat hemd open, de hand op die grote, grove gesp van zijn riem, de zware, logge loop, de manier waarop hij een sigaret vasthoudt alsof het een sigaar is, de onvermijdelijke fles whisky. Zo ziet hij er al bijna veertig jaar uit, en opeens valt op hoeveel bands Lemmy nadoen. Soms lijkt het zelfs of Lemmy zelf Lemmy nadoet.


De expositie Motörhead Röadkill is t/m 8 september te zien in De Melkweg, Amsterdam. Op de slotavond draait in de Cinemazaal om 20.00 uur de documentaire Lemmy