Maxim Osipov in Taroesa, Rusland, april 2020 © Privé-archief Maxim Osipov

‘Ik zeg wat ik denk en doe wat ik zeg.’ De gelegenheid om het tweede deel van deze strijdvaardige uitspraak waar te maken was de auctor intellectualis ervan niet vergund, het eerste deel wordt door zijn aanhang tot op de dag van vandaag als bewijs van politieke integriteit gezien – de anderen, is de impliciete beschuldiging, draaien eromheen, zijn te kruiperig of te laf de waarheid onder ogen te zien. Dat verwijt is meestal onterecht. Geen enkele vorm van min of meer vreedzaam samenleven zou mogelijk zijn als iedereen onverbloemd zou zeggen wat er in zijn hoofd opkwam. Vaak is zeggen wat je denkt eerder een vorm van lompheid, onfatsoen, gebrek aan beschaving. Het eufemisme en de dooddoener, het smoesje en de leugen, ironie, simulatie, mimicry of er domweg het zwijgen toe doen kunnen alleszins aanvaardbare middelen zijn om een delicate, ergerlijke of zelfs gevaarlijke verhouding toch niet onmiddellijk op de spits te drijven.

Geen auteur die dat met meer raffinement laat zien dan Maxim Osipov, de Rus die in eigen land en nu ook daarbuiten als een eigentijdse Tsjechov wordt gevierd. Ook Osipov is behalve schrijver praktiserend arts, en ook hij heeft een voorkeur voor het korte verhaal en de theatertekst. Dat hij als veelzijdig verteller uitblinkt, daarvan kan nu ook de Nederlandse lezer zich overtuigen: De wereld is niet stuk te krijgen bewijst dat er in het huidige Rusland nog altijd literatuur van het hoogste niveau geschreven kan worden. Aan Zivilcourage ontbreekt het Osipov allerminst. Svetlana Aleksijevitsj, toch niet de eerste de beste, ziet zijn verhalen dan ook als ‘een genadeloze analyse van het Russische leven’.

Met de daarin uitgedrukte lof kan ik moeiteloos instemmen, alleen niet met dat ene woord, dat ‘genadeloze’, want genadeloos is Osipov juist niet. Hij beziet het Russische leven, ook in alle treurige uitwassen, juist à la Tsjechov met compassie, of misschien liever – in de christelijke terminologie die hem eigen is – met erbarmen.

Maxim Osipov is in 1963 in Moskou geboren, maar hij bracht een groot deel van zijn kindertijd door in het stadje Taroesa, iets meer dan honderd kilometer ten zuiden van Moskou, in het huis van zijn overgrootvader Michail. Dat is de afstand – ‘101 kilometer’ heet het meestal, ook bij Osipov – die uit de Goelag teruggekeerde gevangenen in de sovjetjaren verwijderd moesten blijven van de stedelijke centra. Dat gold ook voor Michail, die ten tijde van Stalins artsenprocessen naar een strafkamp werd verbannen maar die gruwelperiode overleefde en zich na de Tweede Wereldoorlog in Taroesa vestigde. Na de implosie van de Sovjet-Unie werkte achterkleinzoon Maxim, inmiddels ook arts, een jaar aan een universiteit in San Francisco, specialiseerde zich als cardioloog en schreef met een collega een nog altijd veelgebruikt standaardwerk over klinische echocardiografie. Niet veel later vestigde hij zich in Taroesa, dus in de provincie, waar hij als bevlogen arts aan de weg timmert. Hij stichtte een ziekenhuis, leidt jonge artsen op en opende er een zeer succesvol cardiologisch centrum.

‘Of het nou in Moskou of de provincie is, het leven is angstaanjagend’

Deze biografische gegevens zijn van wezenlijke betekenis voor Osipovs schrijverschap. In veel verhalen speelt de arts een rol, niet zozeer als mensenredder aan de operatietafel maar als begenadigd, laconiek, tegelijk afstandelijk en betrokken observator van menselijk gedrag. Vaak zijn ze gebaseerd op toevallige, kortstondige ontmoetingen; niet zelden moet hij zijn eerste indrukken later bijstellen, zoals in het verhaal ‘Moskou-Petrozavodsk’.

De dokter, tevens verteller, zit, op weg naar een internationale conferentie, ruim veertien uur in de trein. Hij hoopt op een rustige reis, liefst zonder medepassagiers in zijn coupé. Maar dan is hij getuige van een pijnlijke gebeurtenis. In een belendende coupé wordt hinderlijk veel herrie gemaakt en stevig gedronken; een van die buren, getroffen door een alcoholdelirium, wordt op een tussenstation kort voor aankomst door een stel politieagenten met knuppels en vuisten in elkaar geslagen. ‘Dat is bij ons de remedie tegen delirium tremens – niet de meest zeldzame kwaal, laten we eerlijk zijn.’ Maar de dokter pikt het niet, hij gaat aangifte doen, wil onderzoek, gerechtigheid. Later blijken ‘die twee betreurenswaardige sujetten uit de trein’ moordenaars te zijn, ‘moordenaars, doodgewone mensen’.

In het inleidende verhaal, ‘in plaats van een voorwoord’, maakt Osipov duidelijk waarom hij voor de provincie heeft gekozen, de provincie in het algemeen – over het bijzondere karakter van Taroesa, waar behalve zijn overgrootvader onder meer Marina Tsvetajeva, Konstantin Paustovski, Andrej Amalrik en Andrej Tarkovski woonden, rept hij hier met geen woord: ‘De provincie is als een warm en niet al te schoon huis dat toevallig wel je eigen huis is. Je kunt het ook anders bekijken, oppervlakkig, als buitenstaander. Dat is wat veel mensen die er niet uit vrije wil zijn komen wonen doen: de provincie, dat is vieze natte sneeuw, duisternis. Nog het aardigste dat je over de bewoners kunt zeggen is dat ze niet te benijden zijn.’

Maar ach, enerzijds: ‘Om het even of het nou in Moskou, Petersburg of de provincie is, het leven is angstaanjagend.’ En anderzijds, daarmee niet eens in strijd: ‘Iedere plek is op zijn eigen manier aantrekkelijk.’ In Moskou gelooft men niet in tranen, ‘bij ons is dat het enige waar we in geloven.’ Ook de dokter zwicht ervoor, al weet hij dat het schandalig is; maar, zegt Osipov, ‘deze vrolijke deelname aan het constante bedrog versterkt de eenheid van onze natie niet minder effectief dan goede wetten’.

Bedrog en zelfbedrog, dat zijn telkens terugkerende motieven in deze verhalen. In ‘De Poolse vriend’ is het een vioolspelend meisje dat om praktische redenen – een argwanende douanier bij een vliegreis naar een West-Europese stad – een Poolse vriend verzint ter verklaring van een visum. Die vriend komt haar ook later goed van pas, bijvoorbeeld als ze ineens een dure viool krijgt, waardoor hij allengs van verzinsel verandert in een altijd op afroep aanwezige reële steun. De Poolse vriend is geen wonderdoener, dat weet ze maar al te goed, maar wel heel goed in staat ‘om troost te brengen’, al dan niet als droomverschijning. ‘Hij heeft geen naam, geen stem, geen gezicht, hij is simpel iets ongedefinieerd plezierigs. ’s Ochtends, kort voordat ze wakker wordt. Wanneer de Poolse vriend er is aan de vooravond van een belangrijk concert, betekent dat dat alles goed zal gaan.’

Een criticus mag zijn lezers niet bedriegen. Hij mag zich in de meest onmogelijke bochten wringen, tot het eind toe twijfelen en zijn oordeel omzwachteld formuleren. Maar smoezen en liegen mag hij niet. Het liefst zal hij – zoals in dit geval – onomfloerst zeggen wat hij denkt: het hele land, ja, de hele wereld mag op instorten staan, Osipov maakt het bitter-vrolijk duidelijk, de wereld is toch niet stuk te krijgen.