Slachtpartijen in Braziliaanse gevangenissen

Een wasmand vol ledematen

Brazilië heeft twee soorten gevangenissen: mooie ruime penitentiaire inrichtingen voor rijke mensen. En opslagplaatsen voor de armen, de zwarte bevolking uit de sloppenwijken. ‘Het gaat hier puur om het wegwerken van mensen.’

Medium 8fdb0ff126ef41f993e380ec14907166 0
15 januari, de Alcaçuz-gevangenis in Nisia Floresta © Frankie Marcone / Futura Press via AP / HH

Het schooltje van Maria Arlete de Santana ligt midden op het gevangenisterrein. Ook de directie en de gevangenbewaarders zitten daar, achter een muur, ter ‘bescherming’ tegen de meer dan veertienhonderd gevangenen die in twee kleine paviljoens zijn geperst. Haar leerlingen komen soms verkreukeld in de les. Met bulten en gescheurd T-shirt vanwege de ‘Poolse corridor’ waar de militaire politie hen doorheen jaagt als ze naar het schooltje komen. Rennen voor je leven, terwijl agenten met knuppels op je inslaan. Het gebruik is zo oud als de slavernij in Brazilië. Soms wordt de corridor toegepast als straf, meestal gewoon omdat het kan. ‘Het resocialiseren van gevangenen is hier niet echt een doel’, concludeert De Santana door de telefoon.

Tekenend vindt ze de mishandeling van haar lesboeken. Als de speciale politietroepen de cellen binnenvallen op zoek naar wapens en mobieltjes worden de gevangenen naakt afgevoerd naar de binnenplaats. ‘Zo gaat dat overal in Brazilië.’ Gebogen ruggen onder de tropenzon. Zelfs met hun handen mogen ze hun schaamte niet bedekken. Hoe vaak heeft zij ze zo zien zitten. Een weerloze massa mensenvlees. Uren, soms dagen zitten ze daar. Tot alle cellen overhoop zijn gehaald. En steeds worden dan de schoolboeken vernield. ‘De gevangenis moet toch een plek zijn waar mensen die fouten hebben gemaakt betere mensen worden? Dat ze leren, en een nieuwe kans krijgen?’ Gelukkig maakten driehonderd van de iets meer dan vijfhonderd gevangenen die haar schooltje bezochten eind december hun schooljaar af. ‘Je moet doorgaan te geloven dat de mensheid kan verbeteren’, schreef De Santana op haar Facebook-pagina.

Twee weken later stort de wereld van Maria de Santana in. Op vrijdagochtend wordt ze gebeld door een collega: ‘Ga niet naar de gevangenis. Kijk naar het nieuws!’ Die nacht brak de hel los in de gevangenis van Boa Vista – 33 gevangenen werden aan stukken gesneden door medegevangenen. Het bloedbad begon toen de daders de cellen openbraken van gevangenen die niet bij een van de twee bendes hoorden. Met zelfgemaakte messen hakten ze op hun slachtoffers in en zetten de filmpjes op internet. ‘Ik maak je af hoerenzoon! Nu je andere oog. Zo. Kun je nog wat zien? Nee? Mooi. Want dit is je hart dat ik er nu uitsnij, stuk stront.’ Beelden van een dode jongen met zijn eigen hart in zijn hand. Afgehakte hoofden. Een wasmand vol ledematen. Een gang met achteloos weggegooide stukken romp. Het kostte de patholoog anatoom dagen om de lichamen weer in elkaar te zetten.

Maria de Santana weet het nog precies. ‘Ik stond in de dierenwinkel een medicijn voor mijn hond te kopen, toen de lijst met de 33 doden naar buiten kwam’, vertelt ze. ‘De jonge verkopers lazen de namen aan elkaar voor van hun telefoontjes. Toen zei een van hen: het hadden er minstens vijfhonderd meer moeten zijn. Iedereen lachte.’ In shock verliet ze de dierenwinkel. Op de lijst stonden twaalf van haar leerlingen en medewerkers. ‘Thuis vroeg mijn dochter wat er was. Ik zei dat ik niet meer het huis uit ging tot dit drama vergeten was. Overal zeggen de mensen hetzelfde: het zijn er te weinig. Hoe kun je zoiets zeggen?’

De slachtpartijen in de Braziliaanse gevangenissen leiden tot een golf van haat, internet kookt over. ‘Ik ben voor reïntegratie van de bandiet in de maatschappij’, staat er boven een plaatje van een doodshoofd: ‘Zijn organen moeten gedoneerd, zijn skelet naar biologieles, en de rest op de mesthoop.’ De mensenrechtensecretaris van Rio leek het een goed idee om dit bericht op Facebook te delen.

In Manaus vond de grootste slachtpartij tussen gevangenen ooit plaats – 56 mannen werden door medegevangenen met knuppels en messen vermoord en aan stukken gesneden. ‘Hadden we elke week maar zo’n bloedbad’, verzuchtte de staatssecretaris van Jongerenzaken tegenover de grootste krant van Brazilië. ‘Dit zijn er veel te weinig.’

Wat is er aan de hand in Brazilië dat zelfs mensen in openbare functies zulke uitspraken doen? Advocoaat Carlos Nicodemos haalt zijn schouders op. ‘Niets. Althans niets nieuws’, zegt hij in zijn kantoor in het centrum van Rio. ‘Anders dan bij jullie op het oude continent is gevangenschap hier nooit bedoeld geweest als resocialisatie.’

Nicodemos is de oprichter van Projeto Legal, een Braziliaanse mensenrechtenorganisatie die opkomt voor gevangenen. ‘Het gaat hier puur om het wegwerken van mensen’, legt hij uit. En dan vooral de armen, de zwarte bevolking uit de sloppenwijken. ‘De wegwerpmensen’, zegt hij schamper. ‘Waarom denk je dat we hier officieel twee soorten gevangenissen hebben? Er zijn de mooie ruime penitentiaire inrichtingen. Maar die zijn alleen voor mensen met een hogere opleiding. De armen gaan naar de depots, de opslagplaatsen. Wij zijn het enige land ter wereld waar rijk en arm zelfs formeel niet gelijk zijn voor de wet.’

Brazilië is met meer dan 620.000 gevangenen na China en Amerika het derde land ter wereld qua gevangenispopulatie. De wet staat alternatieve straffen toe, maar rechters geven die niet aan de armen. Het ergste, zegt Nicodemos, is de overbevolking. ‘In Manaus zaten er 1825 gevangenen in een gebouw dat maximaal 590 mensen kan bergen. In Boa Vista zaten er drie keer het maximum.’

De gevangenissen vormen volgens Nicodemos onderdeel van een systeem dat hij ‘de punitieve controle van de armoede’ noemt. Een manier om het ‘overschot van de maatschappij’ in bedwang te houden en te disciplineren. Elk jaar vallen in Brazilië zestigduizend doden door geweld. ‘Vrijwel allemaal zwarte jongens uit de sloppenwijken.’ Eén op de vijf wordt door de politie vermoord. En elke dag zijn er twee lynchpartijen met dodelijke afloop waarbij burgers het recht in eigen hand nemen. ‘Degenen die niet gedood worden, krijgen dezelfde behandeling als de slaven vroeger. Dezelfde vernederingen, zoals haren afscheren. Dezelfde martelmethoden, zoals het ophangen van een geboeide gevangene aan een stok terwijl hij zweepslagen krijgt.’

De afgelopen tien jaar is de gevangenisbevolking verdubbeld. ‘Dit kan alleen zo doorgaan omdat er aan de basis een ethisch – of beter gezegd onethisch – sociaal contract ligt’, legt Nicodemos uit. ‘Sinds de afschaffing van de slavernij is het dominante motto in de Braziliaanse maatschappij: een goede bandiet is een dode bandiet.’

Eerst is er het geluid. Het rammelen van de tralies. Kermen, hoesten, geschreeuw. Het duurt even voordat ik iets zie. Van de felle middagzon naar deze donkere kerker van het huis van bewaring in São Gonçalo, vlak bij Rio. Opeens zie ik handen. Tientallen handen die door de tralies worden gestoken. Met de duim tegen de rest van de vingers maken ze het Braziliaanse gebaar maken van ‘vol’. Nog meer handen, als een kolonie zeeanemonen. Hoeveel mensen zitten er in godsnaam in deze cellen? ‘Wil je het zien, gringa?’ De jongen heeft zijn halfnaakte lichaam dicht tegen de traliedeur geperst. Zijn donkere huid is groenig. Als een bezetene krabt hij zijn armen. Hoe lang hij hier zit? ‘Twee jaar, 48 dagen en zeven uur’, zegt hij met een grijns. ‘Dat vergeet je niet.’

Zijn het er twintig, dertig of veertig? Overal ontnemen lichamen me het zicht op weer andere lichamen. Ik sta in de cel van de jongen, een zwak peertje is de enige bron van licht. De meeste mannen staan dicht op elkaar geperst. Sommigen zitten ineengedoken met acht of negen tegelijk op de betonnen stapelbedden die tegen de zijmuren zijn gemetseld. Er zijn geen matrassen. Zelfs op de grond onder de laagste bedden ontwaar ik mensen. Ik vuur mijn vragen af. ‘Heeft iemand van jullie ooit een advocaat gezien?’ ‘Nee’. ‘Een rechter?’ ‘Nee’. Weten ze wanneer hun zaak voorkomt? ‘Nee’. Mogen ze ooit luchten of daglicht zien? ‘Nee’.

Het is bijna veertig graden en vochtig. Ik ruik het riool, en de lucht van verrotting en zweet. Hoe houden mensen dit vol? ‘We proberen zo’n beetje te overleven’, klinkt het boven mijn hoofd. Daar zie ik een man in een hangmat liggen. Naast hem een ventilatortje. Nu pas merk ik dat er meer mannen comfortabel aan het plafond hangen. Dit zijn dus de machtigen. ‘Hoe slapen júllie?’ vraag ik de staande jongens om me heen. Er gaan er een paar lepeltje-lepeltje op de vloer liggen. ‘Maar je krijgt nooit genoeg slaap’, zegt de kleinste. ‘We slapen in ploegen’, verduidelijkt een ander. ‘Terwijl de ene ploeg slaapt moet de andere staan’, zegt de kleinste. ‘Hoe oud is hij eigenlijk?’ ‘Zeventien’. ‘Dan mag je hier helemaal niet opgesloten worden tussen de volwassenen.’ De jongen haalt zijn schouders op: ‘Weet ik, maar de politie zag me aan voor mijn broer.’ Hoe lang zit hij hier al? ‘Meer dan een jaar. Ik wacht nog steeds tot ik word voorgeleid.’

‘Sinds de afschaffing van de slavernij is het dominante motto in de maatschappij: een goede bandiet is een dode bandiet’

Dit is de hel.’ Politiecommissaris Orlando Zaccone doet hoofdschuddend de ketting terug op de celdeur. Hij opent een roestig hekwerk. Nog meer donkere gangen en volle cellen. ‘We moeten de leden van de verschillende bendes van Rio hier ook nog van elkaar zien te scheiden’, zegt de man die verantwoordelijk is voor de ‘slavenschepen van Rio’, zoals hij zijn huizen van bewaring noemt. Alleen al in deze gang moet hij 480 gevangenen in tien cellen zien te houden. ‘Zonder daglicht, zonder sanitair.’

Zaccone schudt wat handen die hem door de tralies worden toegestoken. Bij een van de cellen blijft hij staan. Hij informeert naar de gezondheid van een man met een paardendeken over zich heen. Een uitgeteerd gezicht in de schemer. De man hoest en rilt, ondanks de hitte. ‘Er heerst hier tuberculose’, vertelt Zaccone als we verder lopen. ‘Die ziekte verspreidt zich snel. Maar van de staat krijg ik geen dokters of medicijnen. En slechts één maaltijd per dag.’

In het kantoortje van de bewakers ligt een gevangene op zijn buik. Hij klemt zijn kaken op elkaar. Ik zie hoe een vrijwillige verpleegster zonder verdoving een kogel uit zijn rug snijdt. ‘Politiekogel?’ vraagt Zaccone. De man sluit zijn ogen en knikt van ja.

‘Een drugsdelict, altijd hetzelfde’, zegt Zaccone terwijl hij het dossier van de man terug op tafel legt. ‘Negentig procent van de mensen hier is opgepakt op verdenking van detailhandel of gebruik. Zelfs dat onderscheid wordt niet gemaakt.’ Hij wijst naar de kreunende man. ‘Ziehier de gevolgen van onze war on drugs. De grootste, meest perverse nonsens ter wereld. Deze jongens zijn zwart en arm en overleven door de verkoop van drugs. Dan sluit je ze in dit soort omstandigheden op met doorgewinterde criminelen. Het zijn de bendes die de gevangenissen regeren. Hoe denk je dat dit soort jongens er later uit komen?’

Als bevroren zit ik voor de tv. Er wordt live verslag gedaan van de opstand in de Alcaçuz-gevangenis in de noordoostelijke deelstaat Rio Grande do Norte (RN). Ook hier zijn een paar dagen eerder tientallen gevangenen door de leden van een rivaliserende bende onthoofd, in stukken gesneden, of levend verbrand. ‘We hebben de boel onder controle’, zei de gouverneur. Maar het spektakel dat we krijgen voorgeschoteld vertelt iets anders.

Medium 6ec318014efc48ea8a61385af7bc19a4 0
3 januari, Manaus, Anisio Jobim Penitentiary Complex. Familieleden van gevangenen proberen onherkenbaar te blijven terwijl ze wachten op de namen van de gedode gevangenen © Michael Dantas / AP / HH

Honderden gevangenen in blauwe bermuda’s gaan elkaar te lijf op het rulle zand tussen de gevangenismuren. De agenten op de wachttorens slaan de veldslag gade. Buiten de muur patrouilleert het leger om te voorkomen dat er iemand ontsnapt. ‘Mata os, vermoord ze!’ Een aanval met messen en knuppels wordt ingezet op de povere barricade waarachter honderden andere gevangenen zich verschansen. De meesten hebben hun witte T-shirts als een masker om hun hoofd gebonden. Met zelfgemaakte schilden proberen ze elkaars slagen af te weren. Ik zie hoe een man een ijzeren lans in de buik van een ander steekt. Vanaf het dak van een van de paviljoens regent het dakpannen op de aanvallers. De gevangen die zich daar verschansen dragen zelfgemaakte vlaggen met de letters pcc. Op een ander paviljoen wapperen de letters cv-rn.

De paviljoens zijn compleet onttakeld. Maar dat waren ze al sinds de vorige opstand, toen het hele binnenwerk van cellen gesloopt werd.

De bendes zijn de baas in deze gevangenis. Gewonden worden door medegevangenen in winkelkarretjes afgevoerd. De hele dag gaat de strijd door. In de bijtende zon. De blauwe zee op de achtergrond. Twaalfhonderd miserabelen bevechten elkaar op leven en dood onder het oog van de camera. ‘Je zou geweren boven ze moeten uitwerpen, dan gaat het sneller’, twittert het publiek. ‘Nee, dat kost weer munitie. En minder plezier voor ons.’

Wat is er met Brazilië aan de hand? Waar komen dit extreme geweld en het leedvermaak vandaan? ‘We leven in een maatschappij van koningen en baronnetjes waarin het grondwettelijk vastgelegde ideaal van democratie en gelijkheid niet bestaat’, schrijft de Braziliaanse antropoloog Roberto DaMatta naar aanleiding van het gevangenisgeweld. Hij wijst erop dat de gouverneur van Rio tijdens zijn regeerperiode meer smeergeld ontving (honderd miljoen dollar) dan er jaarlijks naar alle gevangenissen gaat.

Hij geeft ook het voorbeeld van de overheidsstichting in Rio die is opgericht om bij te dragen aan het inkomen van herintredende gevangenen. Het hele budget ging op aan de riante salarissen van de meer dan zeventig personeelsleden van de stichting zelf. Stuk voor stuk persoonlijke beschermelingen van de directeur, die weer een broer is van de rechterhand van de gouverneur. ‘Alleen met volledige onderdanigheid en blinde loyaliteit verwerf je in dit land bescherming en een plekje voor jezelf. Dat geldt zowel buiten als ook binnen de gevangenis’, schrijft DaMatta. ‘Een nieuwe gevangene vindt alleen bescherming bij de bendes die de gevangenissen beheersen. Die benden zijn een weerspiegeling van een staat die gevangenen bewust weigert bescherming te bieden, omdat het ontmenselijken van gevangenen deel uitmaakt van ons idee van straf.’

Zo kan het dus gebeuren dat de leider van de grootste drugsbende van de Amazone op 2 januari vanuit een gevangenis honderden kilometers verderop een telefoontje naar zijn onderdanen in de gevangenis van Manaus pleegt met de opdracht: ‘Je dringt nu de vleugel van de pcc binnen, en doet met die teringlijders wat je moet doen, broeder.’ Drie uur later zijn alle 56 pcc-leden in de gevangenis vermoord. Dat zijn de gevangenen die trouw hadden gezworen aan de bende van São Paulo, het grootste drugssyndicaat van het land.

De Primeiro Comando da Capital of pcc heeft 130.000 leden en werd in 1993 als ‘zelfbeschermingsorganisatie’ opgericht in de gevangenis van São Paulo. Een jaar eerder waren daar 111 gevangenen geëxecuteerd door de militaire politie. ‘Dopen’ heet de maffia-achtige ceremonie waarbij iemand lid van een bende wordt. Je kunt alleen lid worden als je wordt voorgesteld door een bendelid dat als ‘beschermheer’ optreedt.

In de ceremonie zweert de peetvader garant te staan voor de ‘absolute gehoorzaamheid’ van zijn pupil. Daarop laten beiden een druppel bloed uit hun wijsvinger in een glas rum vallen en drinken ieder de helft. De pupil krijgt een kopie van het statuut van de organisatie, en zweert trouw aan de broederschap ‘tot in de dood’.

‘De bende of broederschap is niet alleen noodzakelijk voor het overleven in de gevangenis, maar ook voor het leven erbuiten’

De slachtpartij in de gevangenis van Maria was een vergelding van de pcc voor de moorden in Manaus. Zowel in de Amazone als in de andere deelstaten begonnen de lokale bendes in de gevangenissen zich te verzetten tegen de groeiende macht van de pcc in hun gevangenissen. ‘Een jaar of twee geleden kwamen die pcc-lui uit São Paulo ook bij ons binnen’, vertelt een ex-gedetineerde me door de telefoon. ‘Het was of de Talibán binnentrokken, man! Gelijk commanderen. Jullie mogen dit niet en dat niet. Alles wat van de regels afweek werd gelijk bestraft met messteken of de dood. Lachen is er niet bij met die mensen. En we moesten ook meteen meer beschermgeld betalen.’

Veel lokale bendes zochten daarop bescherming onder de paraplu van het op één na grootste drugssyndicaat van Brazilië: het Comando Velmelho, oftewel Rode Commando uit Rio, kortweg CV. ‘Met name in de noordelijke deelstaten drong de pcc zich op een nogal arrogante manier in het beheer van de gevangenissen binnen’, bevestigt politieonderzoeker Lincoln Gakiya. Volgens hem sluit de rechtlijnige, uitsluitend op efficiëntie gerichte cultuur van de bende uit het zuidelijke São Paulo niet aan bij de losse cultuur van het noorden. ‘Die voelen zich beter bij de geïmproviseerde sambacultuur van de bende uit Rio.’ Niet voor niks noemt de pcc uit São Paulo zichzelf ‘de partij van de misdaad’. Terwijl de groepen die zich hebben gelieerd aan het CV uit Rio het bondgenootschap aanduiden met ‘de vakbond van de misdaad’. ‘Zij zien het meer als een onderlinge samenwerking. Terwijl de pcc uit is op het exclusieve beheer van alle lokale drugsmarkten.’ Gakiya voorziet nog een veel grotere explosie van geweld. ‘Want wie de gevangenis beheerst, beheerst ook de drugsmarkt. De bende of broederschap is niet alleen noodzakelijk voor het overleven binnen de gevangenis, maar ook voor het hele leven erbuiten.’

Ilha Grande is een paradijselijk eiland voor de kust bij Rio. Witte stranden met azuurblauw water. Hier lig de oorsprong van de Braziliaanse bendecultuur. Tien jaar geleden kwam ik er voor het eerst. Een lange tocht over de smalle paadjes door het oerwoud. En daar lag het. De resten van de zwaarste strafkolonie van Brazilië, bijgenaamd ‘de kookpot van de duivel’. Eerder werden er opstandige slaven, melaatsen en choleralijders opgesloten. Vanaf de Tweede Wereldoorlog was het de eindbestemming voor zware misdadigers. ‘Ilha Grande was het postdoctoraal van de misdaad’, schreef de bankovervaller Willian da Silva die er in 1974 terechtkwam. ‘Wie erin kwam als dief, kwam eruit als psychopaat.’

In zijn boek beschrijft Willian de vernederingen door de bewakers. De dwangarbeid en de verzengende hitte. En ook de uitgehongerde verzwakte gevangenen die elkaar doodstaken om een restje eten. Verkrachtingen waren normaal. En een paar zware jongens die zich de ‘falange van de kaaimannen’ noemden hieven tol over elke levensbehoefte.

‘Je moest zelfs betalen om naar de wc te gaan’, herinnerde de oude Seu Júlio zich. Een gegroefde zwarte man met een witte baard was de laatste gevangene die ik er trof. Als een oude Papillon leidde hij me rond tussen de resten van dit Braziliaanse Duivelseiland. ‘Hier was onze keuken.’ Een paar verroeste ketels. ‘En daar de kerker.’ Ik zag alleen overwoekerde resten beton. Maar ik wist wat de ‘kerker’ was: het paviljoen waar de politieke gevangenen tijdens de dictatuur werden opgesloten.

Om zich in te dekken tegen de toenemende kritiek uit het buitenland besloot het regime in 1974 ook bankrovers in die ‘kerker’ te zetten. Daar ontstond een merkwaardige chemie. De politieken gaven de bankrovers Marx en Che Guevara te lezen. Maar die waren niet gevoelig voor ideologie. Wel voor iets anders. De bandieten verslonden werkjes als Klein handboek voor optimale stadsguerrilla. Ze bewonderden de organisatie van de politieken. Ze namen het idee over van een gezamenlijke ‘kas’, om advocatenkosten, smeergeld en de ondersteuning van familieleden mee te bekostigen.

Zo ontstond in 1979 het Rode Commando. Na een zoveelste moord braken de bankrovers uit de ‘kerker’ en namen de hele gevangenis over. Ze maakten een eind aan de terreur van de Kaaimannen, en dwongen alle gevangen een front te vormen tegen de directie en de bewakers. Vanaf dat moment golden in de strafkolonie de regels die tot vandaag het statuut vormen van elke bende. Dood aan iedereen die verkracht of steelt. Geen rivaliteit in de gevangenis. En verplicht bijdragen aan de kas. Al snel breidde het Rode Commando zijn bijdrageplicht uit naar alle bankrovers en dieven van Rio. Halverwege de jaren tachtig stapten de meesten over naar de meer lucratieve detailhandel in marihuana en cocaïne.

Net als in de gevangenissen is ook in de Braziliaanse favelas de staat afwezig. De overheid zorgt niet voor vuilafvoer, water, licht, onderwijs of gezondheidszorg. De meeste favelas staan niet eens op de kaart. De politie komt er alleen schietend binnen, om zich daarna snel terug te trekken. Het zijn de bendes die sinds de jaren tachtig de favelas regeren.

Ook de sloppenwijk naast mijn huis is ‘van’ het Rode Commando (CV). De ‘baas’ van de wijk ken ik al jaren. Soms maak ik een praatje met hem. Dan zit hij rustig op zijn teenslippers op straat marihuana te knippen. Samen met wat andere gewapende bendeleden. Hij regelt de bevoorrading van de drugsverkooppunten in de wijk, doet de administratie, berekent de afdrachten aan het CV en betaalt zijn gewapende soldaten en verkopers. Ook de politie moet hij wekelijks betalen. Meestal twintig tot dertig procent over de totale drugswinst.

Daarnaast zorgt hij dat er water is en de afgetapte elektriciteit in de wijk het doet. Om de haverklap komt er iemand naar hem toe, die in zijn oor begint te fluisteren. Dan moet hij een burenruzie oplossen, of ervoor zorgen dat die oude mevrouw uit die derde steeg achter een operatie in het ziekenhuis krijgt.

Zo vormt het CV in de wijk een parallelle staat, met ‘mijn’ drugsbaas als absoluut monarch. Gelukkig is hij geduldig en bedaard. Een ‘verlicht despoot’. Toen hij onlangs in de wijk terugkwam na een jaar in de gevangenis werd hij onthaald met gejuich door de bewoners en geweerschoten in de lucht van zijn soldaten. Toch moet ook hij de ‘wet van de favela’ van het CV toepassen. Dat betekent vuurgevechten leveren met de politie, en soms ‘eigen mensen’ executeren. Bijvoorbeeld drugsverkopers die hun waren onderhands verkopen, of geld achterhouden. In de favela aan de andere kant van de weg heb ik meegemaakt dat de drugsbaas twee van zulke jongens levend in stukjes liet snijden.

Waar komt het extreme geweld zowel binnen als buiten de gevangenis vandaan? Toen ik de vraag aan ‘mijn’ drugsbaas stelde zei hij: ‘Ik was drie toen ik mijn eerste lijk voor de deur zag. Ben jij opgegroeid waar wij opgroeien?’

De Nederlandse psychologe Saskia Schoolland die in Rio jarenlang voormalige drugssoldaatjes begeleidde heeft nog een ander antwoord. ‘Voor hun is het oorlog. Het is wij of zij met de politie of andere benden.’ Ze merkte dat ex-bendeleden weinig trauma’s hadden. ‘Die doden en wreedheden plaatsten ze buiten zichzelf. Net als gewone soldaten dat doen.’ Niet voor niets heten de politie en de rivaliserende drugsbende hier de ‘Alemão’, de Duitser. Ze worstelen wel met bepaalde herinneringen, bijvoorbeeld over iemand die voor hun ogen vermoord was. Of ze hadden schuldgevoelens over een broeder die onterecht gestraft was. ‘Uiteindelijk heeft het te maken met ontmenselijking’, zucht Schoolland. ‘Zoals ze zelf niet als mensen gezien worden.’

Op het laatst brak lerares Maria de Santana haar belofte. Ze ging toch naar buiten, ook al waren de onlusten nog niet voorbij. Op de begrafenis van zestien van de 33 doden uit haar gevangenis was ze de enige blanke tussen de rouwenden. ‘Is dat de kist van Carlos?’ vroeg ze. Zijn moeder en zus beaamden dat het haar 31-jarige leerling Carlos Loureiro was. ‘Hij zat in het eerste jaar van de middenschool. Hij droeg altijd een omgekeerde pet op zijn hoofd’, vertelt ze. Al sinds zijn negentiende zat hij vast. Hij stal om zijn cocaïneverslaving te bekostigen. Over een jaar zou hij vrijkomen. Maar hij werd vermoord. Omdat hij als ‘neutrale’ geen partij had durven kiezen voor de ene of de andere bende.

Zijn zus had geëist dat de kist van haar broer werd opengemaakt, omdat ze zeker wilde weten dat hij erin lag. Ze zag dat de moordenaars zijn hart uit het lichaam hadden gehaald. Zijn armen en benen waren afgesneden, zijn ogen uitgestoken. ‘Zijn gezicht leek op het masker van een overreden dier.’

‘Soms lijkt het alsof ik de enige ben die gelooft in scholing’, zegt Maria door de telefoon. ‘De machthebbers willen niet dat dit geweld ophoudt, want dan beginnen mensen voor hun rechten te strijden.’ In de Alcaçuz-gevangenis zijn inmiddels veertien scheepscontainers neergezet die een barrière vormen tussen de strijdende bendes. Het wachten is op nog eens zestig containers waarin de gevangenen worden opgesloten. Twintig gevangenen per scheepscontainer.