Een waterspreeuw!

Jean-Luc Mylayne, N° 32, juni juli 1982. C-print, 123 x 123 cm © collectie Maja Hoffmann / LUMA Foundation

‘Ha, de pimpelmezen zijn er weer’, zeggen we. Dat is goed en wel, en we zijn echt verheugd, maar het grote sterven in de bossen rondom is ons volkomen ontgaan. Het echte drama hebben we niet meegekregen. Weinig dingen zijn zo sneu om aan te zien als een bol, verfomfaaid vogeltje, dat niet eens een poging doet weg te vliegen als er gevaar dreigt. Maar goed, ze zijn er weer en ze zien er slank en lenig en glad uit. Op het vogelvoederstation delven ze nog wel steeds het onderspit: de koolmezen zijn ze de baas. Waardoor zou dat toch komen? Dat zo’n fraaie pimpelmees het idee heeft dat-ie lager in de pikorde staat dan zo’n ordinaire koolmees?

Vroeger deden vogels me niets. Waren het domweg diertjes die voorbij vlogen. Maar zoals ik me nu nauwelijks meer voor kan stellen dat ik vroeger struiken en vaste planten vernietigde omdat ze mijn schildersladder hinderlijk in de weg stonden, kan ik me nu nauwelijks meer voorstellen dat ik ooit vogels niet zag vliegen. ‘Volgens mij komt dat met de leeftijd’, zei onlangs een jong persoon tegen mij, waardoor ik maar weer eens besefte dat ik inderdaad een oude man begin te worden. Of al ben. Ik verander langzamerhand in Hans Dorrestijn of Nico de Haan.

Nu wind ik me op over de lage bezettingsgraad van de pakweg tien voornamelijk keramieken nestkastjes aan en om het huis. Waarom gaan die vogeltjes niet daarin broeden? Prachtige bouwwerkjes zijn het, allemaal liefdevol vervaardigd door Tuinmaat Han. Eén houten kastje heb ik, met een dakje dat open kan, zodat je erin kunt kijken als er een vogel in broedt. Maar dat hebben de boomklevers die het het afgelopen voorjaar bewoonden verhinderd. Ze zijn weken bezig geweest de ingang rijkelijk te verfraaien met prut, waardoor het dakje muurvast kwam te zitten. Moordenaars zijn het, de klevers. Ik vond dode mussen en geelgorzen op de tegels onder het nestkastje. Maar dat was ergens hun eigen schuld, ze wilden de eieren van de klevers roven, vooral de mussen konden treiterend op de balkonleuning vlak onder het nestkastje zitten schreeuwen.

Jaloezie komt er ook bij kijken. Buurman Rinus en buurvrouw Lien hebben voor én achter het huis een torenvalknest hoog in een spar. Bijna elke dag zit er minstens één torenvalk op een elektriciteitspaal een muis of mus op te peuzelen. Heel rustig en kalm doen ze dat, het is mooi te zien met de verrekijker. Ik zou ook wel een broedend valkje willen hebben. Aan de andere kant: zij hadden dan weer niet het goudvinkenpaartje dat vanuit een conifeer in de tuin van buurman Klaus bij mij kwam foerageren. Grappige vogeltjes zijn dat, vooral het vrouwtje kan minutenlang doodstil, suffig, zonder te vreten pontificaal midden op het vogelvoederstation zitten, daarmee elke andere vogel de toegang ontzeggend. Een koninginnetje. Zelf ontzeg ik gaaien de toegang. Door een hangend hekje van schapengaas en dunne takken. Best mooie vogels hoor, maar ze hinderen de kleine vogeltjes en blijkbaar heb ik die het liefst. Maar het hoort niet, voel ik diep van binnen, de ene vogel voortrekken boven een andere.

Dit voorjaar kwam er ’s ochtends een middelste bonte specht ontbijten. Dat was nogal een belevenis, die zag ik nooit eerder. Op een bepaald moment zei mijn vriend dat hij – nóg vroeger op een ochtend – een kleine bonte specht had gezien, terwijl hij nauwelijks iets van vogels afweet. ‘Je liegt’, zei ik, jaloers. ‘Helemaal niet’, antwoordde hij sluw. ‘Ik heb hem opgezocht in Petersons vogelgids.’ Tot op de dag van vandaag geloof ik hem niet. Eerst zelf zien. Rode wouwen zijn hier even talrijk als mussen, en zwarte ooievaars landen graag op het weiland van voormalig Ortsbürgermeister Ernst Görgen. Als ik met hondje Floris langs de Nims loop, vliegen ijsvogels gezellig mee en één keer heb ik een waterspreeuw onder water zien duiken. Een waterspreeuw! Dipper, in het Engels. Wasseramsel, in het Duits. Trouwens, die wouwen zijn zo groot en imposant, dat we hondje Floris altijd waarschuwen als er een rondcirkelt. Voor je het weet denkt zo’n beest dat Floris een sappig lammetje is.

Ons huis ligt precies onder de trekroute van de kraanvogels. Duizenden vliegen er over, in maart en in november. Een paar weken geleden zag ik er in de buurt van Prüm een in een weiland lopen. Dat vond ik heel vreemd. Midden in de zomer. Terwijl hij of zij nu ergens in het hoge Noorden hoort te broeden. En: één. Niet twee of honderddertien. Ik kreeg een beetje medelijden met het dier. Lost in Prüm, of all places. Maar daar moet je natuurlijk niet aan beginnen, medelijden hebben met vogels. Dan heb je geen leven meer.

Tegen de avond komen zwermen huiszwaluwen vanuit het naburige Nimshuscheidermühle boven ons huis insecten uit de lucht pikken. Zij insecten, wij een gin-tonic. Ze ruziën met een van de valkjes van buurman Rinus en buurvrouw Lien. De gierzwaluwen zijn, zoals gebruikelijk onopgemerkt, alweer verdwenen naar het diepe zuiden. Binnenkort worden de gin-tonics ingewisseld voor glaasjes whisky en zal ik vele tonnetjes vogelvoer inslaan voor de herfst en de winter.

Vroeger deden vogels me niets. Nu verander ik langzamerhand in Hans Dorrestijn