Frits Rüter, DDR-Justiz und NS-verbrechen

Een wedstrijdje antifascisme

Wie waren betere nazi-jagers: de West- of de Oost-Duitsers? Er was een buitenstaander voor nodig om die vraag te beantwoorden. De Nederlandse strafrechtgeleerde Frits Rüter verzamelde alle vonnissen en vergeleek. «In Oost-Duitsland zijn verhoudings gewijs twee keer zo veel personen veroordeeld.»

BERLIJN, eind oktober. Ten overstaan van een uitgelezen Duits gehoor van historici, rechtsgeleerden, officieren van justitie en Stasi-medewerkers presenteert de Nederlandse strafrechtgeleerde C.F. Rüter zijn onderzoek naar de vervolging van oorlogsmisdaden in Oost-Duitsland. Gevoelige materie. Oud-officier van justitie uit de DDR, Carlos Foth, krijgt het te kwaad wanneer hij het gezelschap vertelt hoe hij als jonge jurist in Berlijn in 1961 een «visioen» had: een «huis dat van beide zijden, oost en west, te betreden zou zijn, met alle documenten over de misdaden van het nationaal-socialisme».

Dat gebouw bestond echt, Foth werkte er zelf. Het lag min of meer op de grens tussen de Russische en de geallieerde sectoren, met een ingang aan beide kanten van het Kontrollpunkt. Af en toe werd er al een dikke vis gevangen, met hulp uit beide Duitslanden. Maar even later werd er letterlijk een muur opgetrokken. De opsporing van misdadigers van het Derde Rijk werd een Krachtprobe tussen Oost en West. En daar had geen nazi-jager baat bij.

Eigenlijk zijn het zoete tranen die Carlos Foth op deze dag in de Martin-Gropius-Bau plengt. Want in feite krijgt hij een late erkenning. Professor Frits Rüter heeft namelijk ontdekt dat de DDR de vervolging van nationaal-socialisten veel beter heeft aangepakt dan algemeen werd aangenomen.

De West-Berlijnse wetenschapper Falco Werkentin is niet onder de indruk van Foths tranen. In de koffiepauze wijst hij op Foths buurman, die eveneens officier van justitie in de DDR was. «Hij heeft een vriend van mij jaren tuchthuis gegeven omdat die een citaat van Lenin had overgeschreven en verspreid.» Werkentin heeft zijn eerste zeventien levensjaren in de Duitse Democratische Republiek doorgebracht, werd na zijn sprong over de Muur politicoloog in West-Berlijn en doet nu namens de overheid onderzoek naar de «Stasi-akten», de dossiers die werden aangelegd door het Oost-Duitse ministerie voor Staatsveiligheid.

Frits Rüter noemt zichzelf in Berlijn een «vertegenwoordiger van het kapitalistische establishment». Met zo’n grap weet hij het Duits-Duitse gezelschap te ontdooien. De Oost-Duitsers moeten zich vrij voelen om over de DDR uit de school te klappen, en de West-Duitsers horen weliswaar graag hoe nalatig «hun» Bondsrepubliek was bij de berechting van oorlogsmisdadigers, maar liever niet dat ze het in de DDR beter deden.

Dat vinden overigens niet alle veertig aanwezigen. Falco Werkentin kan in het antifascisme van de DDR enkel een mythe zien, een instrument voor politieke doelen. Hij beoordeelt de vervolging van nazi-misdadigers in de socialistische republiek als één groot showproces. Rüter tijdens de presentatie: «Natúúrlijk speelde in de DDR propaganda een rol bij de vervolging van nazi’s. De Oost-Duitsers waren pas goed stom geweest als ze de fouten die de BRD op dit terrein maakte niet publicitair hadden uitgebuit.»

Maar de DDR-vonnissen kun je volgens Rüter niet afdoen als propaganda. Een aantal werd na de hereniging zelfs terecht geprezen, oordeelt de professor. Negen honderd heeft hij er de afgelopen tien jaar verzameld — nagenoeg alle. Hier, onder vakgenoten, houdt hij zijn DDR-Justiz und NS-Verbrechen ten doop: de Duitstalige editie van elf kloeke, blauwe banden met de Oost-Duitse vonnissen die tussen 1945 en 1990 zijn geveld wegens nationaal-socialis tische Tötungsverbrechen — in het Nederlands «levensdelicten», zeg maar moord en doodslag.

Alleen het eerste boek kan op deze dag worden getoond, niettemin zeshonderd bladzijden. Een verwijzing naar de «blauwe monsters» van de MEW, de Marx-Engels-Werke, is in Berlijn snel gemaakt. Band 1 bevat, naast register en handleiding, een uiteenzetting van nazi-vervolgingen in de DDR door een redacteur van de editie, dr. Günther Wieland. Wieland was van 1963 tot 1990 officier van justitie bij de General staats anwalt, de hoogste aanklagende instantie van de DDR. «Ik wil de DDR niet mooier maken dan ze was», zegt de oude, gebogen Wieland in zijn toelichting.

«Wieland is in zijn kritische beschouwing», zal Rüter later zeggen, «tot aan de grens gegaan van wat je mag verlangen van iemand die zelf medeverantwoordelijk was.» In zijn bijdrage maakt Wieland gewag van een, vanwege de denazificatie, schier onbemand justitieel apparaat. Dat kreeg steun van een naar sovjetmodel met vele bevoegdheden uitgeruste politiemacht. Advocaten speelden amper een rol. En draconische straffen voor onbewezen misdaden lijken te zijn afgewisseld met simplistische uitspraken van onbekwame «volksrechters» en met «jubelamnestieën» vanwege honderd jaar 1848 of de oprichting van de DDR in 1949. Walter Ulbricht had, aldus Wieland, voor zijn nieuwe staat «hart en hersens» nodig, ook die van een paar miljoen ex-nationaal-socialisten.

Ogenschijnlijk bevestigt Wielands bijdrage aan DDR-Justiz und NS-Verbrechen het beeld dat in het Westen bestaat van de DDR: een staat waarin geen recht kon geschieden. Volgens Wieland werden er geen deals over de nazi-vonnissen gesloten tussen politieke leiding, openbaar ministerie en rechter. Wel kon die rechter er zomaar uitvliegen, zoals Falco Werkentin heeft onderzocht.

Maar draconische straffen zonder rechtsgrond blijken vooral in één proces in 1950 te zijn opgelegd, aan een paar duizend man tegelijk. Dit Waldheim-proces, dat de beeldvorming flink heeft bepaald, werd ook in de DDR als een eenmalige misstap beschouwd. De meeste getroffenen — al dan niet «fout», dat is niet na te gaan — kregen snel gratie van president Wilhelm Pieck. En is er eigenlijk zo veel mis mee dat de Staatssicherheit haar expertise heeft ingezet om nazi-boeven op te sporen, zolang ze de berechting niet beïnvloedt? Maar alleen al de geruchten dat de Stasi honderden opgespeurde nazi’s zou hebben doodgezwegen, zijn hardnekkig.

«Waar zijn die lijsten met honderden nazi’s dan?» Professor Rüter, na de bijeenkomst om een toelichting gevraagd, kaatst de bal terug. «Die bestaan niet. Ik heb zelf veertig archieven met processen doorgeploegd, een West-Duitse officier van justitie heeft jaren voor me in de Stasi-dossiers gezeten. Er is niks, ook geen spoor van vernietigde documenten. Onze kakelende vriend Simon Wiesenthal heeft dat een keer geroepen, van die lijsten.»

Wieland beschrijft in DDR-Justiz und NS-Verbrechen wel een paar losse gevallen van grote misdadigers die aan strafvervolging werden onttrokken. Zoals de onbegrijpelijke zaak, of beter niet-zaak, rond SS-Obersturmführer Erich Gust. Hij werd er ernstig van verdacht één van de moordenaars van de communistische voorman Ernst Thälmann te zijn. Het is bekend dat de Stasi heel lang heeft geweten waar in de Bonds republiek, en onder welke naam, de moordenaar van de postume DDR-held Thälmann zich bevond. Maar Gust is tot zijn dood in 1991 met rust gelaten. Net als enkele andere verdachten van zware oorlogsmisdaden.

Was het omdat de DDR de BRD dwars wilde zitten of omdat deze verdachten zich in de DDR zo nuttig maakten, misschien zelfs als Stasi-medewerker? Wieland lijkt het antwoord niet te weten. Zo intiem waren de banden tussen politiek en openbaar ministerie blijkbaar niet. Na de val van de Muur is in revisievonnissen bevestigd dat de DDR-rechters in hun uitspraken over de oorlogsmisdadigers tenminste geen rare sprongen hadden gemaakt. Maar Wieland geeft toe dat het openbaar ministerie van de DDR af en toe flink heeft zitten slapen.

Daar staat tegenover dat de juristen in de Bondsrepubliek volgens Rüter pas wakker werden nadat de serie Holocaust was uitgezonden, zo’n tien jaar geleden. Met de rest van de bevolking. Rüter: «Ze zeiden altijd: ‹We zijn toch geen jurist geworden om doden te tellen?› Wat men de Stasi verwijt, gebeurde in West-Duitsland: hele groepen daders ontkwamen aan strafvervolging.»

De vervolging van levensdelicten uit de Tweede Wereldoorlog is uitgegroeid tot het levenswerk van Frits Rüter. Sinds 1968 heeft hij 26 banden doen verschijnen met West-Duitse vonnissen; het zullen er vijftig worden. Het gezelschap in de Martin-Gropius-Bau vindt het een schande dat een Nederlander deze taak moet vervullen. Maar men luistert graag naar de vergelijkingen die Rüter kan trekken, nu hij ook de vonnissen uit de DDR bij elkaar heeft.

«In relatie tot de bevolkingsdichtheid zijn in Oost-Duitsland twee keer zo veel personen wegens nationaal-socialistische levensdelicten veroordeeld als in West-Duitsland», spreekt hij. «In de DDR vonnisten ze eerder, ze namen een langere periode, namelijk ook de nazi-misdaden van vóór het uitbreken van de oorlog, en de straffen waren hoger.»

«In die zin», zegt Rüter, «hebben de Oost-Duitsers het beter gedaan. Ze hebben zich opgesteld als een land dat door Hitler bezet is geweest, zoals Holland dat was.» Een teken daarvan noemt hij het feit dat zowel de DDR als Nederland het volkerenrecht heeft aangewend — de Bondsrepubliek niet.

Dan de overeenkomsten tussen de vonnissen in de beide staten. Die blijken verrassend groot te zijn. Rüter: «Ik dacht: dit kan niet waar zijn. Bijvoorbeeld dat tot 1960 bijna alleen misdaden zijn bestraft die in Duitsland zelf zijn begaan, waardoor het nazi-vernietigingsbeleid grotendeels buiten schot bleef. Of dat de Schreibtischmörder in beide staten verregaand ongemoeid werden gelaten.» Hij zal het in Berlijn nog vaak roepen: «Lees de vonnissen.» Want ze zijn een «Goldgrube», een goudmijn, «voor studie van de nazi-tijd, ook van de rechts cultuur in BRD en DDR».

Zo’n vonnis is soms een half boekwerk. In een van de laatste uit de DDR, van 1987, zijn flinke uiteenzettingen te lezen over «de machtsovername van het Duitse fascisme als openlijk terroristische dictatuur van de meest reactionaire kringen van het Duitse monopolie- en bankkapitaal». Maar naast dit georakel wordt uitgebreid ingegaan op de systematiek van de jodenvervolging. Ook de dader, Gestapo-commandant Schmidt uit Dresden, komt uitgebreid aan bod. Hij kwam voor in de beroemde dagboeken van Viktor Klemperer.

Volgens politicoloog Werkentin is Rüters vergelijkende methode zinloos, omdat de maatschappelijke context in beide staten zo anders is. Frits Rüter, terug in Amsterdam: «Natuurlijk moet je je altijd afvragen waar de justitie begint en waar ze ophoudt. Maar voor je het weet zie je, net als Falco Werkentin, heel lelijke dingen gebeuren in de DDR die bij nader inzien in het Westen net zo toegaan.» Ook in Nederland bemoeit het ministerie zich wel met vonnissen — Rüter bezweert het. En rechters lezen ook de krant. Zelf belt hij wel eens met een gezagsdrager om ongevraagd advies te geven. «Heet dat dan politiek gestuurde justitie?»

De editie DDR-Justiz und NS-verbrechen wordt uitgegeven door Amsterdam University Press i.s.m. K.G. Saur Verlag in München. Een kleine selectie staat op de website http://www1.jur.uva.nl/junsv/