Een week leven op een duppie

Een week leven op een dubbeltje, kan dat nog in Nederland? Promoties en vernissages aflopen, gratis koffie drinken bij Albert Heijn of je laten feteren door een junk. Een reportage op de rand.
TWINTIG JAAR geleden verslond ik Rik Zaals Gratis en toch voor niks: Een handleiding voor uitvreters. Jan Cremer gaf in het voorwoord de volgende tip: ‘Door honger gedreven naar een duur restaurant gaan. Zondagse pak aan. Volvreten. Soep, biefstukken, pesj-melba en cognac. Bij voorkeur in de buurt gaan zitten van nette oude dametjes achter koffie met slagroomtaart. Tijdens toetje lul uit je broek laten hangen. Duidelijk zichtbaar voor oude dametjes. Die blozend en verschrikt de ober roepen die blozend en verschrikt de gerant roept die sist: 'Heren, dit kunnen we in onze zaak niet hebben. Wilt u onmiddellijk maken dat u wegkomt. Voor ik de politie roep! Nee, u hoeft niet op de rekening te wachten. Maak dat U wegkomt.’

Ik moet onmiddellijk aan Gratis en toch voor niks denken als de hoofdredacteur mij verzoekt een reportage te maken met ‘Tien dagen leven op een dubbeltje’ als thema. De klap komt hard aan. De afgelopen maanden waren er wat wat budgettaire uitspattingen geweest, maar moet ik daarom tien dagen lang have en goed opgeven ter wille van een reportage?
Werd ik maar door mijn vriendin het huis uitgezet, dan kwam er wel een goed verhaal. Maar nee, de relatie is voor het eerst in lange tijd weer in rustig vaarwater beland en de komende dagen hoef ik naar alle waarschijnlijkheid niet in portieken of plantsoenen te slapen. Tot overmaat van ramp heeft mijn moeder mij ook nog eens honderd gulden voor de feestdagen gestuurd. Die kan ik toch moeilijk weggooien.
Heel lang geleden heb ik liftend door Frankrijk wel eens een oude advocaat afgetrokken, maar de aanstootgevende leeftijd ben ik allang gepasseerd. Ik kan natuurlijk in brasserie Van Baerle gaan zitten en na een copieus diner mijn broek laten zakken, maar dat levert slechts een alinea op en vervolgens moet ik dan waarschijnlijk toch nog de rekening betalen.
Dat lukt mij nooit, tien dagen leven op een dubbeltje. Ik ben volgens mijn moeder met een gat in de hand geboren. Ik heb een karrevracht aan schulden, kan nergens meer poffen. Maar verslaggevers zijn geboren uitvreters, waar maak ik mij druk om? Altijd zijn er stapels uitnodigingen, altijd is er wel ergens een gratis borrel. Alle deuren gaan open voor de journalist, of voor wie zich daarvoor uitgeeft.
ALS KRULLENJONGEN van het huis- aan-huisblad Ede Stad had ik al snel doorgekregen hoe ik gratis aan drank kon komen. Vrijwel dagelijks was er wel een braderie, werd er een winkel geopend of jubileerde de directeur van de meelcooperatie. En altijd was er jenever. Ik belde mijn vrienden het adres van de receptie door en even later zaten we gezamenlijk rond een tafel, vrolijk bolknaks paffend. De pers werd in de provincie nog met alle egards behandeld en we waren de koning te rijk.
Lang duurde mijn carriere bij Ede Stad niet. Eens moest ik naar een modeshow voor bejaarden. Naarstig trommelde ik mijn vrienden op en eenmaal in het bejaardencentrum gaven we ons over aan de jenever. Aan het eind van de middag ben ik naar huis gedragen. Zonder aantekeningen moest ik de volgende dag een stuk in elkaar flansen. Het werd een wervelende modeshow, met uitzinnige bejaarden die de tent bijna hadden afgebroken. Er was zelfs een bejaarde met hartklachten in het ziekenhuis opgenomen. Twee dagen later werd ik door een woedende hoofdredacteur op het matje geroepen. Het betreffende modehuis wilde niet langer in Ede Stad adverteren.
Potverteren en klaplopen zijn leuk zolang je er niet over hoeft te schrijven. Ik vervloek mijzelf, waarom ben ik geen bureauredacteur? Dan zou ik nu een fraaie beschouwing kunnen schrijven over de verkiezingen in Oostenrijk of in Rusland: even de persdocumentatie van Het Parool bellen, de Suddeutsche Zeitung lezen, naar Nova kijken en klaar is Kees. Maar nee, ik moet het veld in. Een worden met de paupers, een keiharde reportage maken over de zelfkant, schrijven over de ontberingen van het leven op straat.
IK HEB NIETS MET geld. Een bankrekening heb ik al jaren niet meer, geld voor verhalen ontvang ik contant. Hoe zou Ton, de sterreporter van AT5, dat nou aanpakken? Of Gerard Janssen, die wekelijks in Het Vervolg van de Volkskrant kleine, ingetogen reportages schrijft over Edward en Willem, twee jongens die ten prooi vallen aan het jachtige, moderne leven? Misschien moet ik een oproep in een dagblad plaatsen: journalist zoekt mensen die leven op een dubbeltje.
Ja, ik kan promoties gaan aflopen in de Lutherse Kerk, gratis koffie drinken bij de Albert Heijn in Amstelveen, drie gratis boeken halen bij Boek en Plaat, een gratis persoonlijkheidstest doen bij de Scientology Church, maar levert dat een verhaal op? Ik kan me aanmelden bij de detox van de Jellinek, ze zullen me met open armen ontvangen en tien dagen lang zal ik geen cent op maken. Het Academisch Ziekenhuis Utrecht zoekt vrijwilligers voor een geneesmiddelenonderzoek. Wie zich voor twintig aangesloten dagen laat opnemen krijgt een vergoeding van 3500 gulden.
Ik blader door Tom Wolfe’s boek over new journalism: 'There Goes (Varoom! Varoom!) That Kandy-Kolored (Thphhhhhh!) Tangerine-Flake Streamline Baby (Raghhhh!) Around the Bend (Brummmmmmmmmmmmmm)…’
Zo begon Wolfe’s eerste serie verhalen, in de lente van 1963. The Kandy-Colored Tangerine-Flake Streamline Baby, gepubliceerd in Esquire en de Herald Tribune, bestond volgens Wolfe uit flarden herinneringen, korte sociologische uitbarstingen, apostrofen, scheldwoorden, gekreun en geklaag, gekakel en gekraai.
Tom Wolfe geeft me weer moed. Ik moet de deur uit, de nieuwe journalistiek ligt op straat. Ik moet naar de man die onder de Vondelbrug slaapt. Die leeft al jaren op een dubbeltje, daar zit een verhaal in. Eenmaal in het Vondelpark besef ik dat Het Parool maanden geleden al een groot verhaal over die man heeft geschreven. De man leeft als een vorst, dagelijks wordt hij bezocht door vrienden en kennissen, het Leger des Heils brengt hem twee keer per week soep op bed. Dat schiet niet op. Hoe zou Ton, de sterverslaggever van AT5, dit nu aanpakken?
Terug naar huis. De huur en de telefoon moeten worden betaald en de Studiefinanciering dreigt met deurwaarders. De prullenbak bezwijkt onder de rekeningen. Ik wou dat ik een dubbeltje had. Plotseling weet ik het: het Leger des Heils.
OPGETOGEN BEGEEF IK me naar De Gastenburgh, het opvangcentrum van het Leger des Heils aan de Oudezijds Voorburgwal. Teleurstelling. Binnen is het warm en gezellig. Niks keiharde ellende. Junken, daklozen, alcoholisten en psychiatrische patienten kwetteren honderduit.
Ik krijg groentesoep en piepers met kip en doperwten. Als ik wil, kan ik er blijven slapen, met zijn zessen op een kamer. En ik kan ook nog bij Blaka Watru terecht en bij het Stoelenproject, een grote loods bij de tippelzone, waar ’s avonds honderd man slapen.
He, daar valt iemand op de grond, schuimbekkend en stuiptrekkend. Niemand reageert en uiteindelijk zet het personeel de man weer op zijn stoel. Iedere avond doet de man hetzelfde, gewoon aandacht trekken. Ik kan mijn notitieblokje weer opbergen. Ik vraag aan Peter achter de balie of er voor het eten nog wordt gebeden. Nee, zegt Peter, er wordt een moment stilte gevraagd: 'Vroeger bad majoor Bosschard nog voor het eten, dat duurde zolang dat de soep koud werd.’
Na het eten krijg ik ook nog eens koffie. Ik raak ik gesprek met Roger, een verslaafde dakloze. Als ik eindelijk denk een aardig verhaal te hebben, zegt hij tussen neus en lippen door dat hij de hele week door een filmploeg van AT5 is gevolgd.
DONDERDAGAVOND. RUZIE met vriendin! De straat op. Op zoek naar oude vrienden. Geen cent op zak. Urenlang drentelen rond de Febo op de hoek van de Lange Niezel. Dan komt Michael aangestruind. Hij heeft negen maanden vastgezeten en is nu weer terug op straat. Zonder uitkering, zonder vaste verblijfplaats, onverzekerd. Hij is een paar dagen vrij en gebruikt nu al weer dagelijks voor driehonderd gulden heroine en cocaine. Michael is een vrije jongen. 'Op De Dijk leer je het echte leven kennen’, zo heeft hij mij altijd verzekerd.
Na een half uur hosselen heeft hij zeven balletjes verdiend. Kom, ik laat je m'n nieuwe huis zien, zegt Michael en we lopen naar de Jodenbreestraat. Je kan veel van junken zeggen, maar gierig zijn ze niet. Op de plek waar het Maupoleum stond, is nu een nieuwe betonkolos in aanbouw. Michael blijkt niet alleen te wonen: op een ijskoude vloer zitten, temidden van de betonvlechten, vier Marokkanen gezellig te roken. Michael legt twee kartonnen dozen op het beton. Goeie plek, he, het tocht hier niet eens.
Tegen zes uur ’s morgens wandelen we naar het Centraal Station. Michael heeft nog genoeg geld voor twee koffie op het perron. Ik heb de hele nacht niets opgemaakt. Het lukt!
Na veel bellen mag ik weer thuiskomen. Iedereen heeft begrip voor me deze dagen, ik maak me steeds meer zorgen over die bikkelharde reportage. Ik blader door Z, 'een blad over Amsterdam dat zich inzet voor mensen in de marge’. Z biedt geen uitkomst. Het blad wordt op straat verkocht door daklozen, maar staat vol met verhalen over uitgaan en New Age. Er staat zelfs een culinaire recensie in. De schrijver gaat zich met partner te buiten aan lamshaasjes in een rode-wijnsaus met rozemarijnpesto en de rekening loopt op tot een duizelingwekkend bedrag van 65 gulden. Wat zijn dat voor daklozen?
De brievenrubriek van Z dan. Een gedicht van Tamar uit Zaandam: 'In mijn schoenen twee gaten, In mijn jaszak een por temonnee die leeg is. Mijn leven naar de verdommenis. Maar nee. Straks weer soep bij tante Bep. Dat is het enige warme wat ik dan heb.’
Het maandblad Alert, met de galerieagenda voor Amsterdam, vermeldt vijfendertig vernissages deze maand. Vijfendertig keer gratis drinken. Galerie Clement, D'Eendt, Pullitzer, Torch, De Witte Voet, W 139, de Looier en Art a Casa. Na twee openingen komt de wijn mijn neus uit.
Had ik maar echte honger, dan zou ik pas creatief worden. Was ik maar in staat een oud vrouwtje te beroven, durfde ik maar een leren jasje te stelen bij de Bijenkorf. Een keer heb ik zes uur vastgezeten op bureau Warmoes, wegens overtreding van de opiumwet. Van een bullebak van een agent moest ik mij geheel uitkleden en vervolgens keek hij mij in de kont. Mijn veters werden uit de schoenen gehaald, ik mocht zelfs geen pen meenemen. Daar zat ik snikkend in het dagverblijf, temidden van twee epileptische heroinehoeren. Een advocaat bellen was er niet bij en als ik op het belletje in de cel drukte, klonk het hoongelach van de agenten. Nee, voor de misdaad was ik niet geboren.
OP ZATERDAG doe ik een gouden vondst. Op de voorpagina van NRC Handelsblad staat met koeieletters: 'Open huis bij Miep & Loek Brons. Loek schenkt. Miep trakteert: champagne & erwtensoep.’ Dat moet wel twee alinea’s opleveren.
De moed zakt me in de schoenen als ik verderop in de advertentie lees dat belang stellenden zich telefonisch moeten aankondigen. Moet ik me nu als verslaggever voordoen of als kunstliefhebber? Het is pas vier uur en als het tegenzit, sta ik straks alleen met Loek Brons voor een schilderij van Carel Willink, met een mond vol tanden. Ik krijg Loek zelf aan de lijn en brom wat onduidelijkheden. Ik trek mijn laatste schone kleren aan en wandel naar de Apollolaan. Zou Tom Wolfe deze exercitie goedkeuren?
Een besnorde blazer opent deur. Achter hem staat een tafel met glazen. De champagne smaakte naar appelcider. Loek Brons praat in de riante huiskamer met een potentiele klant. Behalve een oudere dame die verbaasd naar een schilderij van Jeroen Hennemann staart, is er niemand. Mijn glas is leeg. Achter de huisbar van de Bronsjes staat een barkeeper glazen te poetsen. Miep staat in de keuken te zingen. Ik plof neer in het zwartlederen bankstel dat de hele kamer in beslag neemt en vraag me af of ik al een tweede glas kan pakken.
Ik staar minutenlang naar een schilderij met twee Griekse beelden en een kerncentrale. De soep wil maar niet komen, al hoor ik steeds meer pannengerammel in de keuken. Maar de soep is waarschijnlijk alleen voor potentiele kopers. O nee, daar komt Miep Brons op me af gestampt.
EEN JAAR GELEDEN moest ik naar Noordeloos, een gehucht in de Alblasserwaard. Een reportage over God, of iets daaromtrent. Ik stapte uit de bus, die eens in de drie uur vanuit Arkel vertrok. Een tiental huizen, vijf kerken en uitgestorven straten. Uiteindelijk, na vier uur dwaas in het bushokje te hebben gezeten, werd ik uitgenodigd door een aardige koster. Hij deelde zijn gehaktbal met mij en tijdens het eten werd ik onafgebroken aangestaard door acht zwijgende kinderen. De koster bad na het eten voor mijn behouden thuiskomst en bracht me met de auto naar Arkel. Dat waren nog eens reportages.
Op de avondcursus van de School voor de Journalistiek in Utrecht had ik nog zo goed de gouden regels van een reportage geleerd. Er moesten personen in voorkomen, beschrijvingen van plaats, geuren en kleuren, er moest een spanningsboog in het verhaal zitten, diepgaande analysen en interviews. Aan het begin en aan het einde een stukje sfeer. Achthonderd gulden naar de verdommenis.
Nog een keer blader ik door Gratis en toch voor niks. De opbeltruc van Jan Cremer: 'In een telefoonboek adellijke naam prikken. Opbellen en checken dat niemand thuis is. Uitzendrestaurant van Indische maaltijden bellen. De baas spreken. Met verdraaide adellijke stem: “Mat Baronesse Van Knaek tot Daelder uit Wassenaer. Wilt u zoveul meugelijk etan brangen naer die jonge konstschilder wiens veurtraffelijke tanteunstalling ik heb gezien. En stuurt U mij de rekaning en dank erom: mondje dicht want hat is een anonieme schanking.” Een uurtje later staat de chauffeur met een toren lekker ruikende pannetjes aan de deur.’
Mooi lullen, die Cremer.