Architectuur

«Een weerzinwekkende knoeiboel»

Architectuur: Park Meerwijk

In Bergen voeren badgasten de boventoon, maar het dorp heeft, sinds de komst van kunstenaars als Charley Toorop en Henri Le Fauconnier, ook een reputatie hoog te houden als kunstenaarskolonie. Het villapark Meerwijk, vroeg voorbeeld van de Amster damse School, maakt het zelfs tot een centrale plaats in de Nederlandse architectuurgeschiedenis.

Park Meerwijk, een park met zeventien landhuizen, ging voor het publiek open op 24 september 1918. De opdrachtgever, de rijke Amsterdamse tegelhandelaar Ar nold Heystee, presenteerde de hui zen als een «Tentoonstelling van landhuizen», als waren het kunstwerken. Voor de gelegenheid verscheen een speciaal nummer van het tijdschrift Wendingen, met foto’s van de huizen door Bernard Eilers, en in de huizen werden schil derijen tentoongesteld van de kunstenaarsgroep Het Signaal, met werk van Le Fauconnier, Piet van Wijngaerdt en Charley Toorop. Het project baar de opzien.

De vijf architecten, J.F. Staal, Piet Kramer, Margaret Kropholler, C.J. Blaauw en G.F. Lacroix, bouwden in een volstrekt nieuwe stijl. In tegenstelling tot de tot dan toe gebruikelijke rechthoek – «de op per heerschappij van de kubussen» – hadden deze huizen een on gewoon expressieve vormgeving en plattegronden in ongebruikelijke vormen, zoals een schip of een ster. Die nieuwe stijl verwierf later internationale faam als «de Amsterdamse School»; Park Meerwijk toonde de stijl voor het eerst aan een groot publiek.

Er is wat meer begroeiing, er is wat afgebrand en er is wat bijgebouwd, maar toch ziet het park er grotendeels nog net zo uit zoals bij de oplevering in 1918. Op loopafstand van het park ligt Museum Kranenburgh, dat met een tentoonstelling en een monografie inzicht geeft in de ontstaans geschiedenis en in die dingen die voor de gewone bezoekers van het park verborgen blijven. Plattegronden en blauwdrukken maken duidelijk hoe de huizen in het park zijn gesitueerd, de foto’s van Bernard Eilers uit 1918 laten zien hoe het park er bij de oplevering uitzag, recente kleurenfoto’s van Theo Baart onthullen hoe spectaculair de huizen er van binnen uitzien. Wie het park wil bezoeken kan het best een rondje lopen over de omliggende wegen, en over de enige weg die dóór het park loopt, de Meerwijklaan.

Bij een rondwandeling valt vooral de buitengewone vormgeving van het exterieur op. De natuurlijke bouwmaterialen, waar uit de huizen zijn opgetrokken, baksteen, hout en riet, doen de huizen opgaan in hun omgeving. Binnen zijn de kleuren echter fel en betoverend. Op drachtgever Heystee had een florerende tegelhandel met klanten over de hele wereld, en vlak voor Park Meerwijk had hij met de betegeling van de Amsterdamse bioscoop Tu schinski een grote opdracht bin nengehaald. Hij be dong in het contract met de architecten dat voor het interieur van de huizen in Park Meerwijk zijn tegels werden gebruikt. De architecten lijken geen moeite gehad te hebben met deze voorwaarde. Met name Blaauw en Krop holler voorzagen hun interieurs van prachtig en kleurrijk tegelwerk, vooral aangebracht in de hal van hun huizen. De foto’s die Theo Baart maakte van de interieurs die nog intact of gerestaureerd zijn laten zien dat behalve het tegelwerk ook de glas-in-lood ramen en het houtwerk van sommige huizen bijzonder fraai zijn. De huizen van Blaauw en Kropholler spannen hier de kroon. De architecten ontwierpen ook de meubels die erin kwamen te staan. Op de tentoonstelling zijn een aantal meubels van Piet Kramer daar een voorbeeld van.

Park Meerwijk speelde een belangrijke rol in de controverse die tot aan de Tweede Wereldoorlog zou duren. De architecten van Architectura et Amicitiae en hun nieuwe expressieve stijl vertegenwoordigden één kamp binnen de architectuurwereld, en Wendingen was hun spreekbuis. Het minder chic uitgegeven, maar minstens zo revolutionaire tijdschrift De Stijl vormde de basis van het andere kamp, waar architecten als Duiker en Dudok een meer rationalistische architectuur voorstonden. Staal, de aanvoerende architect van het Meerwijkproject, was erg ontevreden over de uitvoering van de ontwerpen, zo erg dat hij zich er na de oplevering zelfs openlijk van distantieerde. Later schreef hij daarover: «In den tijd dat deze villa’s gebouwd werden zijn mijn haren uitgevallen of grijs geworden en ben ik zelfmoord zeer nabij geweest. Het is, in ernst, in het Park Meerwijk een weerzinwekkende knoeiboel, die, zo mogelijk, niet door vreemdelingen bekeken moet worden.» Staal noemde zijn huizen in het park Zofar, Elifaz en Bildad, naar de treurende vrienden in het bijbelverhaal van Job op de mesthoop. Staals liefje en latere tweede vrouw, Margaret Kropholler, bouwde bij de ingang van het park op de Lijtweg het huis Beukenhoek, in de vorm van een schip. Ook het dubbelhuis Meezennest en Meerlhuis in het hart van het park is van haar hand.

Park Meerwijk was uiteindelijk een marketingstunt, voor Heystees tegels; het was de bedoeling dat de huizen vervolgens verhuurd zouden worden. Niet uitsluitend aan kunstenaars, zoals wel gedacht wordt. Le Fauconnier woonde in Meerhoek, maar slechts een half jaar, in 1919, en na 1930 woonde Dirk Filarski in Park Meerwijk, in het post-Heystee-tijdperk. Andere kunstenaars die vaak met Bergen geassocieerd worden, zoals Charley Toorop en Adriaan Roland Holst, woonden wel vlak in de buurt, maar niet in het Park. De huizen werden geveild in 1926 en zijn tot de dag van vandaag particulier bezit.

Park Meerwijk

Museum Kranenburgh

tot en met 12 februari 2006

Boek: Eline van Leeuwe en Erik Mattie: Park Meerwijk: Villapark te Bergen, Manifest van de Amsterdamse School SUN, 168 blz.