Film: Tati-retrospectief

Een wereld van plastic

Jacques Tati

Tati-retrospectief, met onder meer Playtime (gerestaureerde 70mm-versie), Mon oncle, Jour de fête en Trafic.

Te zien van 4 september tot en met 31 januari in het hele land

In de fabriek van zijn zwager valt Monsieur Hulot uit verveling in slaap. Naast hem komt een apparaat dat rode pijpen van plastic maakt tot leven. Opeens gaat het ding groeien. Meer en meer pijpen verschijnen, als vileine tentakels. Hulot schrikt wakker. Chaos volgt.

De wereld staat op z’n kop in Mon oncle (1958). Machines hebben menselijke trekken en mensen gedragen zich als machines. Neem de secretaresse van de zwager: een robotachtig wezen, gestoken in een strak metaalachtig pakje, dat zich voortbeweegt door mechanisch op en neer te springen. Ze is als een machineonderdeel, zodat ze volledig fuseert met haar omgeving. Dat vindt ze niet erg. Ze verafgoodt de voortschrijdende technologie, net als de gasten op een feest thuis bij Hulots zwager die een bosje bloemen aan de gastvrouw presenteren. «Ze zijn van plastic!» zeggen ze triomfantelijk. «Onverwoestbare bloemen!»

Hulot (Jacques Tati) bejegent dit alles met een mix van vrolijk optimisme en bedekte woede. Wanneer hij op bezoek komt bij het ultramoderne huis van zijn zwager groet hij de bewoners opgewekt. Maar ’s nachts keert hij terug om stiekem met een schaar een «kunstwerk» aan een muur te vernielen, ogenschijnlijk uit irritatie wegens de onnatuurlijk gebalanceerde compositie ervan.

In een wereld van plastic is Hulot een vreemde eend in de bijt. Toch kan de kunstmatigheid van het leven hem niet deren. Het beste bewijs daarvan is zijn pijp. Als de chaos in een scène een climax bereikt, pakt Hulot zijn pijp en tikt hem licht tegen de hak van zijn schoen. Het is een sublieme daad van protest tegen de waanzin van het moderne leven.

De absurditeit van dit leven, maar ook de vreemde aantrekkingskracht ervan, is de rode draad in het werk van Jacques Tati (1907-1982), van zijn eerste lange speelfilm Jour de fête (1949) tot de Hulot-films, Les vacances de M. Hulot (1953), Mon oncle, Playtime (1967) en Trafic (1971). Deze werken vertonen een merkwaardige eenheid van vormgeving: de mise-en-scène is doorgaans perfect in balans, zodat de bewegingen van de personages een desoriënterend effect hebben. Maar ook dat raakt de kern van de wereld volgens Jacques Tati: datgene wat de mens maakt, is perfect, terwijl de mens dat nooit kan zijn.

Playtime is Tati’s grote meesterwerk. Voor het Tati-retrospectief wist het Amsterdamse Filmmuseum zelfs de hand te leggen op een gerestaureerde 70mm-kopie van de film. Het zien hiervan belooft een onvergetelijke ervaring te worden. Playtime, ooit door François Truffaut omschreven als een «film van een andere planeet», oogt nog steeds futuristisch: Parijs bevindt zich op de grens van utopie en dystopie. De stad is gekoloniseerd door Amerikanen, verzwolgen door de vijandige cultuur afkomstig van de andere kant van de oceaan. Gevolg: de inhoud is zoek, vorm is alles. De dogma’s van design overheersen de plot. En daarmee ook het bestaan van de inwoners.

Opkomst Hulot, een ouderwetse clown in de nieuwe wereld. In de foyer van een wolkenkrabber reageert hij als door een hond gebeten wanneer hij op een stoel van chroom en kunstleer gaat zitten. Begrijpelijk, want het meubelstuk gromt als een dier.

Door de overdaad aan technologie en design is de stad ontmenselijkt. Dat blijkt ook uit de meesterlijke restaurantscène in Play time. Net als in Luis Buñuels El ángel exter minador kunnen de gasten geen kant op; ze zijn als de gevangenen van een wrede industriële ontwerper. Niets in het restaurant lijkt functioneel. Toch gaat het feest door, kennelijk voor altijd — dat is de nachtmerrie waarin de bezoekers zich bevinden.

Ten minste één gast is in zijn element: een hedonistische Amerikaan, die erop aandringt voor iedereen te betalen. Het is het einde van de beschaving.

Ondanks dit alles blijft Hulot in de films van Tati optimistisch, alsof hij als enige het geheim van het echte leven doorheeft. Misschien is dat ook zo. In Mon oncle: Hulot in zijn appartement, naast een raam, kijkend naar een vogel in een hok in de schaduw. Door het raam te draaien, projecteert Hulot zonlicht op het hok, zodat het gevederde dier begint te zingen.