Een wervelwind van beelden

Piet Meeuse, Doorkijkjes: Over de werkelijkheid van beelden. Uitgeverij De Bezige Bij, 313 blz., 3 39,50
IN HET PAROOL van afgelopen maandag stond een merkwaardig soort foto: premier Kok staat naast een treffend duplicaat van zichzelf, het wassen beeld dat vanaf zaterdag in Madame Tussaud wordt tentoongesteld. Het is het soort foto dat met enige regelmaat in de krant is terug te vinden, omdat het nu eenmaal de gewoonte is dat een gekopieerde beroemdheid de ijver van de wassenbeeldenmakers - aan de gelijkenis met Kok is maar liefst acht maanden gewerkt - beloont met een bezoek aan de onthulling.

Toch blijft het bevreemdend de zo vertrouwde popster, voetballer, staatsman of geestelijk leider naast zijn evenbeeld in was te zien. Want wie is nu de werkelijke Wim Kok, de werkelijke David Bowie, de werkelijke Johan Cruijff? Eigenlijk is die vraag in de meeste gevallen eenvoudig te beantwoorden: door de starre oogopslag, de versteende houding, de schaduwen rond de rimpels en de onberispelijke val van de haarlokken is het een uitgemaakte zaak wie kopie en wie origineel is. Bovendien staat de vleselijke helft van de twee-eenheid doorgaans nogal ongemakkelijk op de foto, beschaamd wegkijkend van zijn bevroren zelf.
Maar de identificatie van duplicaat en origineel is niet zo eenvoudig als het lijkt. In de eerste plaats is de foto ook een beeld: ik scheid werkelijkheid en afbeelding dus met behulp van een afbeelding, ik ontmasker de illusie aan de hand van een illusie. En principieler: ik heb onze premier nog nooit in levenden lijve gezien, waardoor ik slechts het ene beeld met het andere beeld kan vergelijken, de ene zinsbegoocheling met de andere. Waarom beschouw ik het ene beeld als ‘echter’ dan het andere? Wat is het verschil tussen 'echt’ en 'net echt’ als ik de Wim Kok van vlees en bloed toch niet ken?
HET ZIJN gedachten en vragen die worden ingegeven door de nieuwe essaybundel van Piet Meeuse, Doorkijkjes: Over de werkelijkheid van beelden. Wij zijn zo gewend direct betekenis in een beeld te zien, betoogt Meeuse, zo gewend beelden te interpreteren naar de werkelijkheid, dat we de oppervlakte van het zichtbare niet meer waarnemen. We zien alles behalve de abstracte vlekkenpatronen waaruit de foto in feite bestaat. Dat is ook meteen het begin van de illusie: ik zie twee Wim Koks in Het Parool, niet een spel van witte, zwarte en grijze vlakjes en puntjes.
Een van de essays van Piet Meeuse, 'Net echt of de wet van de Wassen Neus’, gaat over het panopticum dat Madame Tussaud biedt. Daarin constateert hij dat het wezen van ieder beeld behoorlijk verwarrend is. Het beeld is niet wat het voorgeeft te zijn, het roept altijd iets op wat het zelf niet is. Als je naar een standbeeld van Lenin kijkt, is het haast onmogelijk om het als willekeurig gevormd stuk steen te zien. Tegelijk is het de magie van ieder beeld om de grens tussen zichzelf (zijn materiele realiteit) en wat het voorstelt (de illusie) uit te wissen. Of het nu om de primitieve grotschilderingen van bizons en herten gaat, stelt Meeuse, of om de wassen beelden van Elvis Presley en Marilyn Monroe, het gaat om hetzelfde: 'Magie, bezwering. Het oproepen van (de illusie van) hun lijfelijke aanwezigheid.’ Met dat verschil dat in het wassenbeeldenspel beelden van beelden worden getoond, illusies van illusies.
Doorkijkjes is een ambitieus en veelomvattend boek. Het behandelt de werkelijkheid van beelden, of beter: de verwarrende verhouding tussen beeld en werkelijkheid op alle mogelijke manieren en op alle mogelijke gebieden. Van de perspectivische illusie van de schilderijen van de zeventiende-eeuwer Pieter de Hoogh tot de verstoring van de illusie bij Rene Magritte; van de volstrekt ongehaaste, dromerige blik van de filmer Andrej Tarkovski tot de rusteloze gulzigheid van de zapper; van de klikkende blik van het fototoestel tot het beeld in poezie; van de werkelijkheid van het beeld in de mythe tot de illusoire aanwezigheid en betrokkenheid van de tv-kijker bij de werkelijkheid; van Piranesi, Freud en Jung, Mozes, Cervantes’ Don Quichot, de gebalsemde Lenin, Picasso tot Tina Turner - Meeuse schrijft over dit alles en meer glashelder en meeslepend.
Je zou, grof simplificerend, kunnen zeggen dat de rode draad die door de verschillende essays loopt, de ingewikkelde relatie tussen de beeldenvereerder en de beeldenstormer is. Aan de ene kant verlangen we naar de visuele illusie, naar beelden die even werkelijk zijn als de werkelijkheid. Aan de andere kant hebben we een even sterke neiging met de illusie te breken en beelden als onwerkelijk te ontmaskeren. Illusie en ontluistering, magie en kritiek botsen voortdurend. Het ingewikkelde is dat beeldenverering en beeldenstorm met elkaar verstrengeld zijn, dat beeld en werkelijkheid voortdurend op elkaar inwerken.
ZO IS PLATO’s wantrouwen tegen de macht van het beeld instructief verwoord in de beroemde mythe van de grot: de gevangenen in de grot zien de schaduwen op de rotswand aan voor de ware dingen. Meeuse wijst er terecht op dat Plato zijn scepsis in de vorm van een beeld heeft gegoten - want dat is de grotmythe - en daarmee zijn stelling in zekere zin weerlegt.
Er bestaat geen revolutie zonder beeldenstorm, maar zodra de revolutie is voltrokken, worden er nieuwe beelden gevestigd. Denk aan het communisme, een iconoclastische ideologie bij uitstek, dat binnen de kortste keren het beeld van de Grote Revolutionaire Leider omhelsde.
En wat de verstrengeling van beeld en werkelijkheid betreft: hoe vaak zien wij de schoonheid van de dingen om ons heen niet scherper doordat we er beelden van hebben gezien. Meeuse geeft het voorbeeld van Van Gogh die door de duinen wandelt en struiken ziet die hem doen denken aan een prent van Ruysdael die hij bezit. Door de herkenning is hij diep getroffen en, wat opmerkelijker is, de herkenning geeft hem de indruk van echtheid. Zoals Meeuse schrijft: 'Hier demonstreert Vincent hoezeer zijn waarneming - of liever: de ervaring van wat hij ziet - beinvloed is door de kunst, door beelden die een diepe indruk op hem hebben gemaakt.’
Plato, Van Gogh, het communisme - het toont allemaal aan dat je je niet zo eenvoudig aan de macht van het beeld kunt onttrekken.
EEN MOOIE illustratie van de botsing tussen het verlangen naar illusionisme en de kritiek erop is het essay over Magritte. Meeuse opent het met een prachtige anekdote: een kennis vertelde hem over een bezoek aan het rariteitenkabinet van een voormalige sjeik in Jemen. Een van de rariteiten was de foto van een monster - een soort omgekeerde zeemeermin met het onderlichaam van een vrouw dat geleidelijk overging in het lijf en de kop van een vis - dat ooit was aangespoeld aan de kust van Jemen. Meeuse herkende in de foto een schilderij van Magritte. Het illusionisme van de Belgische schilder kan kortom als een waarachtige foto worden bekeken.
We kunnen om de naiviteit van de Jemense sjeik lachen, maar wij zijn zelf ook nog steeds onnozele beeldenvereerders. Want met de moderne visuele media die ons ter beschikking staan, wordt de illusie dat we de werkelijheid regelrecht in beelden kunnen vangen alleen maar voortgezet. Het trompe-l'oeil van de realistische schilderkunst heeft plaatsgemaakt voor de werkelijkheidsillusie van fotografie, film en televisie. En daarmee, redeneert Meeuse in 'Teletekst, een estafette door de wereld van de telecommunicatie’, zijn we vaak slechter af, want 'hoe perfecter de beeldtechniek, hoe zinlediger de beelden’. De prikkeling van de zintuigen door film en tv 'dient niet de intensivering van de waarneming, maar de sensatie van “echtheid”: technisch gesproken wil het beeld maar een ding - ons met huid en haar opvreten. Zoals de Sfinx de mannen van Thebe verslond.’
ZOALS GEZEGD is Doorkijkjes een rijk en inspirerend boek. Het is in feite een compendium van de blik, van de manier waarop wij kijken, van de macht die het beeld over ons heeft. Het best is Piet Meeuse op dreef als hij de lezer laat zien hoe zijn eigen blik door beelden van kunstenaars wordt geintensiveerd. Tegenover de huidige beeldenstorm - Meeuse heeft gelijk: het woord 'beeldenstorm’ lijkt eerder op een wervelwind van beelden te duiden dan op het afrekenen ermee - staat de poetische traagheid van Tarkovski die hem laat zien hoe een glas water trilt op een houten tafel en hoe paarden grazen in de regen. Hoezeer de zintuigen je ook aan het hier en nu binden, hoezeer je je ook orienteert in de ruimte zonder iets werkelijk te zien, er zijn altijd de momenten dat je de rollende stenen en keitjes op de bodem van de beek ziet of de plotselinge verandering van een gezicht.