Een West-Europese klassieker

De historie van den vier Heemskinderen.Bezorgd door Irene Spijker. Bert Bakker (Delta-reeks), 397 blz., e 29,95

Eind vorig jaar verscheen, als nieuw deel van de Delta-reeks, een door Irene Spijker bezorgde heruitgave van De vier Heemskinderen. Reinout, Ridsaert, Wridsaert en Adelaert, de vier kinderen van (H)aymijn, spelen samen met Beyaert, hun fameuze ros, de hoofdrol in een oud verhaal dat aan het einde van de twaalfde eeuw in Frankrijk ontstond en verspreid werd onder de titel Renout de Montauban. Het moet talloze malen zijn voorgedragen, verteld en opgeschreven, in perkamenten en papieren handschriften. Het verhaal werd door vertalingen en bewerkingen ook buiten het Franse taalgebied populair: in onze middeleeuwse gewesten en van daaruit in Duitsland, en verder in Italië, Spanje, Engeland en Scandinavië. Met recht kan gesproken worden van een West-Europese klassieker.De Delta-reeks is er voor klassiekers, die vaak grote populariteit genoten. De vier Heemskinderen stond als gezegd in een lange traditie. Maar wat is daarvan over? Van de Middelnederlandse versie van de Oudfranse roman Renout van Montalbaen, geschreven in gepaard rijmende verzen, zijn slechts vier incomplete handschriften bewaard in Den Haag, Berlijn, Stockholm en Riga. Acht perkamenten snippers die ooit in Leuven lagen zijn door een brand in 1914 verloren gegaan. De oudste fragmenten dateren uit de dertiende eeuw, de jongste uit omstreeks 1500. De omvangrijkste handschriftresten tellen zo’n 2400 verzen: slechts een klein deel van het complete werk, dat ongeveer vijftienduizend versregels zal hebben geteld.De overlevering van Renout is typerend voor veel Middelnederlandse werken: we kennen slechts een deel van wat er geweest moet zijn en de handschriften of fragmenten dateren meestal van lang na de ontstaanstijd. Dat de roman over Reinout en zijn broers steeds bekend en populair geweest moet zijn, blijkt niet alleen uit de handschriften, maar kan ook worden afgeleid uit referenties in andersoortige werken. Ook Jacob van Maerlant, dé grote figuur uit onze Middelnederlandse literatuur, kende de tekst. In zijn monumentale Spieghel historiael (1284-1288) schreef hij er in afkeurende zin over: het zou bol staan van onhistorische verzinsels. Afbeeldingen van het ros Beyaert en de Heemskinderen op uithangtekens getuigen van hun grote bekendheid, net als vermeldingen in ommegangen en andere processies uit de late Middeleeuwen. Het verhaal is echter niet alleen uit handschriften bekend. Rond het midden van de vijftiende eeuw deed de houten handdrukpers zijn intrede, een nieuw en revolutionair medium. Het werd nu mogelijk om wel honderd of meer gedrukte exemplaren van eenzelfde werk te produceren. De vroegste drukkers hier te lande publiceerden vooral religieuze werkjes, die veelgevraagd waren en dus lucratief. Het aandeel van wat wij «literatuur» noemen was klein: tot ver in de zestiende eeuw hooguit tien procent. En wat werd gedrukt zijn teksten die ook al in de handschriftenperiode bestonden. Moderne literatuur verscheen nauwelijks. Drukkers uit de beginjaren waren conservatief in hun keuze.

Dit is niet zo vreemd, want de drukker was een ondernemer. Voor zijn bedrijf was nogal wat kapitaal nodig: voor de aanschaf van een of meer persen, voor het benodigde lettermateriaal en om mensen in dienst te nemen die ermee om konden gaan. Verder moest kostbaar papier worden ingekocht. Veel investeringen vooraf, terwijl het rendement langzaam kwam. Je zag je geld pas terug als er genoeg exemplaren waren verkocht. In tegenstelling tot de op bestelling werkende kopiisten produceerden de drukkers voor een markt die nog gewonnen moest worden. Drukkers zochten aanvankelijk dus werken die hun succes al hadden bewezen, en drukten verhalen over Alexander de Grote (Gouda 1477), over Troje (Gouda 1479), over Jason (Haarlem ca. 1484) en Godfried van Bouillon (Gouda ca. 1487). Karel de Grote treedt onder meer op in Karel ende Elegast (vier of vijf keer gedrukt vóór 1500) en in De vier Heemskinderen, dat rond 1490 waarschijnlijk voor het eerst in druk verscheen, ook al in Gouda, een boek waarvan we maar één blad over hebben.Bijna al deze boeken (het rijmende en erg korte Karel ende Elegast uitgezonderd) verschenen als verhalen in proza en staan daarom te boek als «prozaromans». Geen pleonasme, maar aanduiding voor een nieuwe vorm die in plaats kwam van de oude romans in verzen. De rijmvorm had zijn belangrijkste functie, hulp bij het memoriseren, verloren door de verschuiving van een luister- naar een leescultuur.Toch is het historisch onjuist de verschijning van de prozaroman alleen te koppelen aan de drukpers. Het proces was al eerder in gang gezet. De omwerking van verzen naar proza komt voor het eerst op grote schaal voor in boeken uit de omgeving van het Bourgondische hof (circa 1400-1480). Daar werden prachthandschriften gemaakt met geschiedwerken en prozabewerkingen van diverse ridderromans. Veel van die ridderromans beklemtoonden dat het verhaalde echt had plaatsgevonden, of ten minste gebaseerd was op ware gebeurtenissen. De prozavorm was vanaf ongeveer 1400 steeds vaker een garantie voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Die tendens kan ook van invloed zijn geweest op het omwerken van ridderepiek naar proza. De titels van veel prozaromans, die beginnen met «De/Een historie van», wijzen daarop.Ondertussen werden teksten, waaronder prozaromans, lange tijd nog voorgelezen, voor gezelschappen van diverse aard. Pas in de loop van de zestiende eeuw wint het lezen van literatuur het definitief van het ernaar luisteren. Alleen voor mensen die de leeskunst niet machtig waren bleef de luistercultuur bestaan.Wat ook de reden was, de Historie van de vier Heemskinderen is vanuit een berijmde Nederlandse versie tot prozaroman bewerkt. Dat is nog te zien aan de rijmwoorden die her en der voorkomen. De keuze voor juist een Middelnederlandse brontekst hing misschien samen met de populariteit van dat werk. De bewerker had namelijk ook een andere bron kunnen kiezen: rond 1485 was Les quatre fils Aymon al tweemaal gedrukt in Lyon. Vijf jaar later werd die druk vertaald en gedrukt door William Caxton in zijn Four Sons of Aymon._Het heeft overigens weinig gescheeld of we hadden de Nederlandse bewerking niet meer gehad. Van de oudst bekende druk (ca. 1490) resteert slechts één blad. Van de druk die in 1508 verscheen bij Jan Seversz. te Leiden is één exemplaar over. De daaropvolgende druk die (ook in maar één exemplaar) bewaard bleef, dateert uit 1638 en verscheen bij Broer Jansz. in Amsterdam. Dat ene exemplaar uit 1508, nu bewaard in de universiteitsbibliotheek München, danken we aan geestelijken. Het maakte ooit deel uit van een kloosterbibliotheek in Zuid-Duitsland, blijkt uit diverse annotaties. Wie weet heeft de clerus het boek gelezen en – aanhakend bij voor hun publiek geliefde stof – benut bij de verkondiging van Gods woord. Van alle gedrukte uitgaven die er geweest moeten zijn, kennen we dus slechts twee exemplaren en een los blad – van de rest is geen snipper over. Populaire literatuur werd veel gelezen maar slecht bewaard.Hoe de Nederlandse druk van 1490 er heeft uitgezien valt niet meer te achterhalen en de nieuwe editie is dan ook gebaseerd op de eerste volledige overgeleverde druk uit 1508. De titelpagina van het boek bevat een aantrekkelijke houtsnede van de hoofdpersonen op hun paard. De titel zelf en een deel van de tekst die erop volgt, is in rood afgedrukt om meer aandacht te trekken. De naam van de drukker, Seversz. in Leiden, staat nog niet op het titelblad maar is achter in het boek te vinden. Seversz. loopt daarmee iets achter bij collega’s die wel al doorhadden dat een naam en verkooppunt op de titelpagina een goede reclame vormden.Ook de tekst die wel op de titelpagina staat – _Dit is de historie vanden vier heemskinderen – heeft iets archaïsch; het doet denken aan de manier waarop teksten in handschriften beginnen. Ook wat daarna volgt op het titelblad is niet erg modern: slechts een korte aanduiding van wat in het begin van de roman plaatsvindt, geen samenvatting van de hele inhoud. Het is vergelijkbaar met de opschriften bij de dertig hoofdstukken waarin de bewerker het verhaal heeft opgedeeld. Zo’n onderverdeling is kenmerkend voor prozaromans, en heeft het gebruik van het boek door voorlezer of zelflezer vergemakkelijkt: het werd eenvoudiger om een bepaald deel van het verhaal terug te vinden. In vroegere ridderromans op rijm kwamen tussenkopjes niet voor. De al met al bepaald niet superieure titelpagina heeft de appreciatie voor de «ghenoechlijcke» inhoud niet in de weg gestaan.Want plezierig, onderhoudend en spannend is de Historie van de vier Heemskinderen, het verhaal over opstandige vazallen en een wraakzuchtige vorst. De politieke kant van het verhaal is in vergelijking met de Oudfranse tekst afgezwakt, ofschoon de sympathie nog duidelijk uitgaat naar de opstandige vazallen en niet naar koning Karel. Dat hebben de koning en zijn familieleden dan ook geheel aan hun eigen houding en optreden te danken. Ook het handelen van Maeldegijs, die de vier zonen en hun vader Aymijn regelmatig bijstaat in hun strijd, moet in de smaak zijn gevallen: hij doet dat niet alleen als «gewone» ridder, maar vooral als iemand die de magie beheerst. Het leidt tot vrolijke en komische situaties.Bovennatuurlijke krachten zijn ook aanwezig in Beyaert, het indrukwekkende paard van Reinout. Het draagt de vier broers meer dan eens tegelijk, en weet hen uit hachelijke situaties te bevrijden. Beyaert wordt tegen het einde van het verhaal «geofferd». Karel is alleen tot verzoening bereid als het paard aan hem wordt uitgeleverd. De dood van Beyaert, die met twee grote molenstenen om zijn hals in de Rijn wordt verdronken, is een van de ontroerendste scènes uit de roman.Er valt dus nog steeds te genieten van dit gevarieerde en imposante verhaal, een van de bekendste uit de middeleeuwse literatuur. Het is daarom te hopen dat deze nieuwe editie gelezen wordt, en niet als pronkstuk in de boekenkast verdwijnt. Tot ver in de negentiende eeuw werd het volop gelezen. Toen maakte het – weliswaar in soms tamelijk ingekorte vorm – deel uit van de om hun blauwe slappe kaftje bekende «blauwboekjes» die in het onderwijs werden verslonden. Misschien kunnen ook vwo’ers het weer gaan lezen; die kennen het werk en de namen niet meer, leerde een kleine steekproef mij.De nieuwe editie is een aanwinst; de vorige, bezorgd door G.A. Overdiep, dateert uit 1931 en bood slechts de tekst. Irene Spijker biedt naast de kritische tekst nog zo veel meer in haar ruim honderd pagina’s tellende nawoord. Zij is als geen ander thuis in deze materie. Dat heeft een prachtig boek opgeleverd van en over een schitterende laat-middeleeuwse roman. «Koopt ende leest»; voor de prijs hoeft u het niet te laten. * Rob Resoort was tot voor kort universitair docent historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van AmsterdamEen West-Europese klassieker_ De historie van den vier Heemskinderen.Bezorgd door Irene Spijker. Bert Bakker (Delta-reeks), 397 blz., e 29,95_ Door Rob ResoortEind vorig jaar verscheen, als nieuw deel van de Delta-reeks, een door Irene Spijker bezorgde heruitgave van De vier Heemskinderen. Reinout, Ridsaert, Wridsaert en Adelaert, de vier kinderen van (H)aymijn, spelen samen met Beyaert, hun fameuze ros, de hoofdrol in een oud verhaal dat aan het einde van de twaalfde eeuw in Frankrijk ontstond en verspreid werd onder de titel Renout de Montauban. Het moet talloze malen zijn voorgedragen, verteld en opgeschreven, in perkamenten en papieren handschriften. Het verhaal werd door vertalingen en bewerkingen ook buiten het Franse taalgebied populair: in onze middeleeuwse gewesten en van daaruit in Duitsland, en verder in Italië, Spanje, Engeland en Scandinavië. Met recht kan gesproken worden van een West-Europese klassieker.De Delta-reeks is er voor klassiekers, die vaak grote populariteit genoten. De vier Heemskinderen stond als gezegd in een lange traditie. Maar wat is daarvan over? Van de Middelnederlandse versie van de Oudfranse roman Renout van Montalbaen, geschreven in gepaard rijmende verzen, zijn slechts vier incomplete handschriften bewaard in Den Haag, Berlijn, Stockholm en Riga. Acht perkamenten snippers die ooit in Leuven lagen zijn door een brand in 1914 verloren gegaan. De oudste fragmenten dateren uit de dertiende eeuw, de jongste uit omstreeks 1500. De omvangrijkste handschriftresten tellen zo’n 2400 verzen: slechts een klein deel van het complete werk, dat ongeveer vijftienduizend versregels zal hebben geteld.De overlevering van Renout is typerend voor veel Middelnederlandse werken: we kennen slechts een deel van wat er geweest moet zijn en de handschriften of fragmenten dateren meestal van lang na de ontstaanstijd. Dat de roman over Reinout en zijn broers steeds bekend en populair geweest moet zijn, blijkt niet alleen uit de handschriften, maar kan ook worden afgeleid uit referenties in andersoortige werken. Ook Jacob van Maerlant, dé grote figuur uit onze Middelnederlandse literatuur, kende de tekst. In zijn monumentale Spieghel historiael (1284-1288) schreef hij er in afkeurende zin over: het zou bol staan van onhistorische verzinsels. Afbeeldingen van het ros Beyaert en de Heemskinderen op uithangtekens getuigen van hun grote bekendheid, net als vermeldingen in ommegangen en andere processies uit de late Middeleeuwen. Het verhaal is echter niet alleen uit handschriften bekend. Rond het midden van de vijftiende eeuw deed de houten handdrukpers zijn intrede, een nieuw en revolutionair medium. Het werd nu mogelijk om wel honderd of meer gedrukte exemplaren van eenzelfde werk te produceren. De vroegste drukkers hier te lande publiceerden vooral religieuze werkjes, die veelgevraagd waren en dus lucratief. Het aandeel van wat wij «literatuur» noemen was klein: tot ver in de zestiende eeuw hooguit tien procent. En wat werd gedrukt zijn teksten die ook al in de handschriftenperiode bestonden. Moderne literatuur verscheen nauwelijks. Drukkers uit de beginjaren waren conservatief in hun keuze.

Dit is niet zo vreemd, want de drukker was een ondernemer. Voor zijn bedrijf was nogal wat kapitaal nodig: voor de aanschaf van een of meer persen, voor het benodigde lettermateriaal en om mensen in dienst te nemen die ermee om konden gaan. Verder moest kostbaar papier worden ingekocht. Veel investeringen vooraf, terwijl het rendement langzaam kwam. Je zag je geld pas terug als er genoeg exemplaren waren verkocht. In tegenstelling tot de op bestelling werkende kopiisten produceerden de drukkers voor een markt die nog gewonnen moest worden. Drukkers zochten aanvankelijk dus werken die hun succes al hadden bewezen, en drukten verhalen over Alexander de Grote (Gouda 1477), over Troje (Gouda 1479), over Jason (Haarlem ca. 1484) en Godfried van Bouillon (Gouda ca. 1487). Karel de Grote treedt onder meer op in Karel ende Elegast (vier of vijf keer gedrukt vóór 1500) en in De vier Heemskinderen, dat rond 1490 waarschijnlijk voor het eerst in druk verscheen, ook al in Gouda, een boek waarvan we maar één blad over hebben.Bijna al deze boeken (het rijmende en erg korte Karel ende Elegast uitgezonderd) verschenen als verhalen in proza en staan daarom te boek als «prozaromans». Geen pleonasme, maar aanduiding voor een nieuwe vorm die in plaats kwam van de oude romans in verzen. De rijmvorm had zijn belangrijkste functie, hulp bij het memoriseren, verloren door de verschuiving van een luister- naar een leescultuur.Toch is het historisch onjuist de verschijning van de prozaroman alleen te koppelen aan de drukpers. Het proces was al eerder in gang gezet. De omwerking van verzen naar proza komt voor het eerst op grote schaal voor in boeken uit de omgeving van het Bourgondische hof (circa 1400-1480). Daar werden prachthandschriften gemaakt met geschiedwerken en prozabewerkingen van diverse ridderromans. Veel van die ridderromans beklemtoonden dat het verhaalde echt had plaatsgevonden, of ten minste gebaseerd was op ware gebeurtenissen. De prozavorm was vanaf ongeveer 1400 steeds vaker een garantie voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Die tendens kan ook van invloed zijn geweest op het omwerken van ridderepiek naar proza. De titels van veel prozaromans, die beginnen met «De/Een historie van», wijzen daarop.Ondertussen werden teksten, waaronder prozaromans, lange tijd nog voorgelezen, voor gezelschappen van diverse aard. Pas in de loop van de zestiende eeuw wint het lezen van literatuur het definitief van het ernaar luisteren. Alleen voor mensen die de leeskunst niet machtig waren bleef de luistercultuur bestaan.Wat ook de reden was, de Historie van de vier Heemskinderen is vanuit een berijmde Nederlandse versie tot prozaroman bewerkt. Dat is nog te zien aan de rijmwoorden die her en der voorkomen. De keuze voor juist een Middelnederlandse brontekst hing misschien samen met de populariteit van dat werk. De bewerker had namelijk ook een andere bron kunnen kiezen: rond 1485 was Les quatre fils Aymon al tweemaal gedrukt in Lyon. Vijf jaar later werd die druk vertaald en gedrukt door William Caxton in zijn Four Sons of Aymon._Het heeft overigens weinig gescheeld of we hadden de Nederlandse bewerking niet meer gehad. Van de oudst bekende druk (ca. 1490) resteert slechts één blad. Van de druk die in 1508 verscheen bij Jan Seversz. te Leiden is één exemplaar over. De daaropvolgende druk die (ook in maar één exemplaar) bewaard bleef, dateert uit 1638 en verscheen bij Broer Jansz. in Amsterdam. Dat ene exemplaar uit 1508, nu bewaard in de universiteitsbibliotheek München, danken we aan geestelijken. Het maakte ooit deel uit van een kloosterbibliotheek in Zuid-Duitsland, blijkt uit diverse annotaties. Wie weet heeft de clerus het boek gelezen en – aanhakend bij voor hun publiek geliefde stof – benut bij de verkondiging van Gods woord. Van alle gedrukte uitgaven die er geweest moeten zijn, kennen we dus slechts twee exemplaren en een los blad – van de rest is geen snipper over. Populaire literatuur werd veel gelezen maar slecht bewaard.Hoe de Nederlandse druk van 1490 er heeft uitgezien valt niet meer te achterhalen en de nieuwe editie is dan ook gebaseerd op de eerste volledige overgeleverde druk uit 1508. De titelpagina van het boek bevat een aantrekkelijke houtsnede van de hoofdpersonen op hun paard. De titel zelf en een deel van de tekst die erop volgt, is in rood afgedrukt om meer aandacht te trekken. De naam van de drukker, Seversz. in Leiden, staat nog niet op het titelblad maar is achter in het boek te vinden. Seversz. loopt daarmee iets achter bij collega’s die wel al doorhadden dat een naam en verkooppunt op de titelpagina een goede reclame vormden.Ook de tekst die wel op de titelpagina staat – _Dit is de historie vanden vier heemskinderen – heeft iets archaïsch; het doet denken aan de manier waarop teksten in handschriften beginnen. Ook wat daarna volgt op het titelblad is niet erg modern: slechts een korte aanduiding van wat in het begin van de roman plaatsvindt, geen samenvatting van de hele inhoud. Het is vergelijkbaar met de opschriften bij de dertig hoofdstukken waarin de bewerker het verhaal heeft opgedeeld. Zo’n onderverdeling is kenmerkend voor prozaromans, en heeft het gebruik van het boek door voorlezer of zelflezer vergemakkelijkt: het werd eenvoudiger om een bepaald deel van het verhaal terug te vinden. In vroegere ridderromans op rijm kwamen tussenkopjes niet voor. De al met al bepaald niet superieure titelpagina heeft de appreciatie voor de «ghenoechlijcke» inhoud niet in de weg gestaan.Want plezierig, onderhoudend en spannend is de Historie van de vier Heemskinderen, het verhaal over opstandige vazallen en een wraakzuchtige vorst. De politieke kant van het verhaal is in vergelijking met de Oudfranse tekst afgezwakt, ofschoon de sympathie nog duidelijk uitgaat naar de opstandige vazallen en niet naar koning Karel. Dat hebben de koning en zijn familieleden dan ook geheel aan hun eigen houding en optreden te danken. Ook het handelen van Maeldegijs, die de vier zonen en hun vader Aymijn regelmatig bijstaat in hun strijd, moet in de smaak zijn gevallen: hij doet dat niet alleen als «gewone» ridder, maar vooral als iemand die de magie beheerst. Het leidt tot vrolijke en komische situaties.Bovennatuurlijke krachten zijn ook aanwezig in Beyaert, het indrukwekkende paard van Reinout. Het draagt de vier broers meer dan eens tegelijk, en weet hen uit hachelijke situaties te bevrijden. Beyaert wordt tegen het einde van het verhaal «geofferd». Karel is alleen tot verzoening bereid als het paard aan hem wordt uitgeleverd. De dood van Beyaert, die met twee grote molenstenen om zijn hals in de Rijn wordt verdronken, is een van de ontroerendste scènes uit de roman.Er valt dus nog steeds te genieten van dit gevarieerde en imposante verhaal, een van de bekendste uit de middeleeuwse literatuur. Het is daarom te hopen dat deze nieuwe editie gelezen wordt, en niet als pronkstuk in de boekenkast verdwijnt. Tot ver in de negentiende eeuw werd het volop gelezen. Toen maakte het – weliswaar in soms tamelijk ingekorte vorm – deel uit van de om hun blauwe slappe kaftje bekende «blauwboekjes» die in het onderwijs werden verslonden. Misschien kunnen ook vwo’ers het weer gaan lezen; die kennen het werk en de namen niet meer, leerde een kleine steekproef mij.De nieuwe editie is een aanwinst; de vorige, bezorgd door G.A. Overdiep, dateert uit 1931 en bood slechts de tekst. Irene Spijker biedt naast de kritische tekst nog zo veel meer in haar ruim honderd pagina’s tellende nawoord. Zij is als geen ander thuis in deze materie. Dat heeft een prachtig boek opgeleverd van en over een schitterende laat-middeleeuwse roman. «Koopt ende leest»; voor de prijs hoeft u het niet te laten. * Rob Resoort was tot voor kort universitair docent historische Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam