Kunst: Teruggave van koloniale roofkunst

Een westerse worsteling met goede bedoelingen

Mede aangevuurd door ontwikkelingen in Frankrijk kondigden Nederlandse museumdirecteuren in maart 2019 nieuwe stappen aan met betrekking tot de teruggave van koloniale roofkunst. Wat heeft dit opgeleverd?

Benin Bronzes in het British Museum in Londen. November 2018 © Dan Kitwood / Getty Images

Kunsthistorica Bénédicte Savoy vermeldt in haar commentaar in LeMonde de contouren van de gebeurtenis nauwgezet. Datum: 13 november 2017. Plaats van handeling: een afgeladen collegezaal op de Université Ouaga 1 in Burkina Faso. De toespraak zelf duurde precies twee minuten en 33 seconden, zo noteerde ze. Het was dan ook geen vertoog met vergezichten en hyperbolen. Maar wat er werd gezegd had enorme betekenis, benadrukte Savoy. Want daar, op dat moment, veegde president Emmanuel Macron geheel onverwacht het Franse restitutiebeleid voor koloniale roofkunst van de afgelopen decennia resoluut van tafel.

Eerdere ambtsdragers als Jacques Chirac en François Hollande hadden volhard in de mantra dat de nationale kunstcollectie onvervreemdbaar is voor de Franse wet. Je kon achter dit juridische argument de hooghartige onwil zien om het überhaupt over restitutie te hebben. Teruggave zat er gewoon niet in – nu niet en in de toekomst evenmin. Einde discussie.

Hoe anders was de toon van Macron in die collegezaal, hoorbaar voor honderden studenten, de Burkinese president Roch Kaboré en camera’s van nieuwszender France 24. ‘Het is voor mij onacceptabel dat een groot deel van het culturele erfgoed van verschillende Afrikaanse landen zich in Frankrijk bevindt’, verklaarde hij. ‘Dit erfgoed moet ook in Dakar, Lagos en Cotonou te zien zijn.’ Om te onderstrepen dat het hem menens was, deed Macron een concrete toezegging: binnen vijf jaar moeten de voorwaarden geformuleerd zijn om erfgoed van Afrikaanse landen te restitueren.

Krap anderhalve maand later had de overrompeling die ook Bénédicte Savoy aanvankelijk gevoeld moet hebben bij deze radicale koerswijziging plaatsgemaakt voor euforie. Er was volgens haar sprake van ‘l’avènement d’une ère nouvelle’ – het aanbreken van een nieuw tijdperk. Savoy, onder andere verbonden aan het onderzoeksinstituut Collège de France in Parijs, noemt de woorden van Macron in haar artikel in Le Monde niets minder dan een revolutie. Niet veel later zou zij daar zelf ook deel van uitmaken. In maart 2018 gaf Macron haar en de Senegalese econoom Felwine Sarr de opdracht om met aanbevelingen te komen voor nieuw restitutiebeleid. Zes maanden later presenteerden zij hun rapport.

Een van de adviezen: keer de bewijslast bij een claim om. Hierdoor moet een museum voortaan aantonen dat hun kunst op een deugdelijke manier verkregen is en geen roofkunst betreft. Op dit moment moeten eisers nog bewijzen dat objecten hun toebehoren. Dit advies is voor sommige experts in de kunst- en museale wereld veel te vergaand, het zet de huidige situatie totaal op z’n kop. Dat lijkt ook precies de bedoeling te zijn van het tweetal. Duidelijk is in ieder geval dat Europese musea met een antwoord moeten komen. ‘Verstoppen kan niet meer’, zei Sarr in een interview met The Guardian vorig jaar.

Maar ondanks de opwinding van de afgelopen jaren werd sinds de toespraak van Macron in Burkina Faso nauwelijks roofkunst gerestitueerd vanuit Frankrijk. Een historisch zwaard werd langdurig uitgeleend aan Senegal, om zo te laten zien dat de belofte van Macron niet vergeten was. Niet verwonderlijk dat het verder niet stormloopt, stelde restitutie-expert Alexander Herman eind 2019 in The Art Newspaper. Zijn oordeel: de academische bespiegelingen van Sarr en Savoy zijn vrijwel onuitvoerbaar in de praktijk. Als grootste obstakel noemt hij de Franse wetgeving die afstoting van erfgoed in overheidsbezit verbiedt, maar daarnaast blijkt ook de Franse houding taai te zijn.

De kwestie van de Bangwa Queen laat dat goed zien. Volgens de Bangwa-gemeenschap is dit houten beeld uit Noord-Kameroen in 1899 gestolen door een Duitse expeditiemacht. Na jaren in het Museum für Völkerkunde in Berlijn te hebben gestaan, kwam het beeld in 1990 via een veiling in handen van de Dapper Foundation uit Parijs. Charles Taku, al tien jaar een gerenommeerde advocaat bij het Internationaal Strafhof in Den Haag en tevens Bangwa Chief, legt uit dat de Bangwa Queen voor zijn gemeenschap van onbeschrijfbaar grote religieuze en culturele betekenis is. Hij noemt het terugkrijgen van het beeld zijn raison d’être.

In de afgelopen jaren zijn er meerdere formele verzoeken gedaan aan de Dapper Foundation om deze kwestie met Taku en andere Bangwa-afgevaardigden te bespreken. De directeur van de Dapper Foundation werkte weliswaar mee aan het rapport van Sarr en Savoy, maar Chief Taku vertelt dat de Foundation niet eens de moeite nam om op de verzoeken in te gaan, laat staan dat er een gesprek kwam. ‘Deze arrogantie is onbestaanbaar. Het is het voortzetten van koloniaal onrecht. Door die houding kan er nooit echte verzoening zijn tussen de Bangwa, de Fransen en het koloniale verleden’, stelt hij.

In Frankrijk zijn er dus op regeringsniveau hoge ambities, die werden vertaald naar concrete aanbevelingen in niet mis te verstane bewoordingen. Maar daadwerkelijke restitutie laat vooralsnog op zich wachten.

De keris van prins Diponegoro, de Indonesische verzetsheld die een opstand leidde tegen de Nederlandse koloniale machthebbers. De dolk werd maart 2020 aan Indonesië teruggegeven © Collectie Wereldculturen

Nederland beleefde vorig jaar zijn eigen Macron-moment, zij het van totaal andere proporties. Hier was het niet de politiek leider van het land die zijn visie met veel gevoel voor context ontvouwde, maar een museumdirecteur die een restitutierichtlijn presenteerde. Een nogal praktische insteek afgezet tegen het meeslepende gebaar van de Franse president. Maar die benaderwijze past waarschijnlijk beter bij de Nederlandse modusoperandi.

Nu was het niet zomaar een directeur die dit deed, maar Stijn Schoonderwoerd van het Nationaal Museum van Wereldculturen. Deze museumkoepel bestaat uit het Tropenmuseum in Amsterdam, het Leidse Museum Volkenkunde en het Afrika Museum in Berg en Dal. Geen andere Nederlandse instelling heeft een grotere etnografische collectie in beheer. Daaronder zijn meerdere objecten die zonder twijfel in aanmerking komen voor het predikaat koloniale roofkunst.

Schoonderwoerd vertelt dat het museum zich al bezighield met de vraag hoe het moest omgaan met de restitutie van dit type objecten, maar dat door de toespraak van Macron dat proces in een stroomversnelling kwam: ‘Onze musea maakten zelf deel uit van het koloniale systeem. Het Tropenmuseum was bijvoorbeeld de etalage van de koloniale machthebbers, die hier hun grandeur lieten zien. Daarom voelden wij de verantwoordelijkheid om kleur te bekennen, om te laten zien waar we staan ten aanzien van restitutie.’

De richtlijn Return of Cultural Objects: Principles and Process werd op 7 maart 2019 gepubliceerd. Hierin staat beschreven hoe het museum omgaat met claims op objecten uit de eigen collectie. Schoonderwoerd gaf interviews in meerdere landelijke dagbladen, de koppen boven de artikelen waren ronkend, de woorden van de museumdirecteur veelbelovend. Iedereen kon nu een claim indienen, onderstreepte hij, en eisers wisten bovendien waar ze aan toe waren. De richtlijn bevatte namelijk niet alleen de principes die voor het museum leidend zijn bij restitutie, maar bijvoorbeeld ook hoelang het beoordelingsproces duurt. Zelfs de vragen die een claimant moet beantwoorden, zijn opgenomen.

In NRC Handelsblad zegde hij verder toe ‘net als bij joodse roofkunst’ soepel te zullen zijn bij de boordeling van claims en ‘voorbij de strikt juridische kaders’ te willen gaan. Het museum had een bijzondere stap gezet.

Verschillende experts zijn beduidend minder enthousiast. Restitutiekenner Jos van Beurden vindt dat de richtlijn van het museum vooral eenzijdig Europees aandoet. ‘Sarr en Savoy benoemen in hun rapport óók de pijn en schade die in Afrika zijn aangericht. Het stuk ademt zo de Europese én Afrikaanse geest.’ Dat is volgens Van Beurden cruciaal omdat restitutie een proces is dat om zoveel meer gaat dan alleen teruggave van bezit. ‘Voor mij zijn er drie elementen: ten eerste het erkennen dat er iets gigantisch is misgegaan in het verleden, vervolgens de oprechte wens dat er een betere relatie komt, en daarna komt pas het teruggeven van een object. Eigenlijk beschrijft de richtlijn van Schoonderwoerd alleen de laatste stap. Maar die eerdere twee stappen kun je niet zomaar overslaan. Ik betwijfel of deze richtlijn het indienen van claims bespoedigt.’

‘Het Tropenmuseum was de etalage van de koloniale machthebbers’, zegt directeur Schoonderwoerd. ‘We moesten wel kleur bekennen’

Ook Evelien Campfens, voorheen secretaris van de restitutiecommissie voor nazi-roofkunst en nu verbonden aan de Universiteit Leiden, stelt dat de erkenning van het historische onrecht belangrijk is. De focus voor musea zou wat haar betreft dan ook moeten liggen op onderzoek en dialoog. Het is in haar ogen goed dat het thema met de richtlijn serieus op de agenda is gezet. Toch is ze kritisch. Campfens vindt de richtlijn nogal bureaucratisch ingestoken. ‘Er worden vragen gesteld waar lastig een eenduidig antwoord op te geven valt. Bij sommige claims bijvoorbeeld de vraag of de historische of culturele waarde van een object buiten Nederland groter is dan wanneer het in Nederland zou blijven. Maar wie bepaalt dat?’

Volgens de richtlijn wordt de commissie die uiteindelijk een claim beoordeelt door het museum benoemd, dat kan volgens haar neokoloniaal overkomen. ‘Het is cruciaal om claims buiten het museum om te regelen.’ Van Beurden vult aan dat ook niet is vastgelegd dat in deze commissie personen uit herkomstlanden zitting nemen. Dat is niet meer van deze tijd.

Campfens benadrukt verder dat welke richtlijn je ook bedenkt, het in Nederland de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is die uiteindelijk besluit of een object uit de rijkscollectie teruggaat, en niet het museum of zijn directeur. De woorden die Schoonderwoerd uitsprak over de ruimhartige manier waarop hij met claims zal omgaan en dat hij voorbij de strikt juridische kaders wil kijken, zijn zo bezien tamelijk vrijblijvend, aangezien de huidige minister Ingrid van Engelshoven zich tot nader order op de vlakte houdt over restitutiebeleid.

Van Beurden stelt dat er betere manieren zijn te bedenken dan het instellen van een richtlijn. ‘Zoals een pilot met een klein aantal roofkunstobjecten die nu in het depot staan’, zegt de restitutie-expert beslist. ‘Dan is de minister ook gemakkelijker te overtuigen.’

Een van de Benin Bronzes. Dit beeld stelt een Benin-koning voor, een Oba © Collectie Wereldculturen

Stijn Schoonderwoerd vindt de meeste kritiek onterecht, zegt hij. Zijn museum staat juist open voor overleg met eisers – hoewel die zich volgens deze procedure dan wel eerst bij hem moeten melden. Schoonderwoerd vertelt daarnaast dat zijn museum eigen onderzoek doet naar betwiste objecten. De teruggave van een keris van de verzetsheld prins Diponegoro aan Indonesië begin deze maand zou als succesvol bewijs hiervan gezien kunnen worden. Al speelde die restitutiekwestie dan ook al bijna een halve eeuw: in 1975 maakten Nederland en Indonesië afspraken over teruggave van deze bijzondere dolk, die zonder twijfel een roofkunstobject is.

Maar aanvankelijk had het vinden van de keris geen prioriteit. Pas nadat Jos van Beurden de kwestie in detail beschreef in zijn onderzoek, besloot het museum om dan eindelijk in actie te komen. Dat teruggave 45 jaar heeft moeten duren, is pijnlijk. Kortom, bescheidenheid zou meer op zijn plaats zijn dan de zelffelicitatie die in het persbericht en in de uitspraken van Schoonderwoerd tegenover de nos te lezen waren. Het is te vroeg om te concluderen dat deze ad hoc teruggave een opmaat zou zijn naar nieuw beleid.

De museumdirecteur noemt het ‘grote flauwekul’ dat de richtlijn bureaucratisch ingestoken zou zijn: ‘Die vraag over welke waarde een object heeft voor de eisers komt niet zomaar uit de lucht vallen, maar staat geformuleerd in de Erfgoedwet’, benadrukt hij. Deze regelgeving werd in 2016 van kracht en is er vooral op gericht om erfgoed van grote waarde in Nederlands bezit te houden. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt tussen een object dat een Nederlandse herkomst heeft, zoals De aardappeleters van Van Gogh, of een object met een herkomst buiten de Nederlandse landsgrenzen.

Als zijn museum een object wil afstoten, zegt Schoonderwoerd, moet hij de vraag wat een kunstvoorwerp voor waarde heeft voor Nederland ook beantwoorden. ‘Dan getuigt het toch van gelijkwaardigheid om die vraag ook te stellen aan de personen die een claim indienen? Het is eerder neokoloniaal om ervan uit te gaan dat mensen in Benin of Nigeria de expertise niet hebben om daar een passend antwoord op te geven.’ De vraag is dan, kun je bedenken, of het opzadelen van claimanten met een vraag die voortkomt uit Nederlandse wetgeving met het doel om kunstobjecten hier te houden, niet júist van een formalistische houding getuigt.

Ondanks de tegenwerpingen van Schoonderwoerd op de kritiek van Campfens en Van Beurden kan hij wel begrijpen dat anderen zijn richtlijn niet bepaald een succes vinden. Er is namelijk niet één claim binnengekomen in de afgelopen twaalf maanden. Waar dat precies aan ligt vindt Schoonderwoerd moeilijk te zeggen: ‘Misschien is het zo dat zolang potentiële eisers niet weten hoe de minister tegenover restitutie staat, ze hun kans niet wagen.’

Sinds de bekendmaking van de richtlijn is er op dat vlak wel wat gebeurd. Minister Van Engelshoven stelde eind maart 2019 een commissie in die haar moet adviseren over het opstellen van een nationaal beleidskader ten aanzien van restitutie. Schoonderwoerd juicht die stap zeer toe. Hij hoopt dat als er op nationaal niveau meer duidelijkheid is, er wel claims binnen zullen komen. Als er dan landelijk beleid is opgesteld, kan hopelijk ook een beoordelingscommissie buiten het museum om worden opgesteld. Want de museumdirecteur beaamt dat de huidige constructie niet ideaal is. ‘Maar op dit moment is er gewoon geen andere optie. Hoe hadden we dit dan nu beter moeten organiseren? Wij wilden toch een vorm creëren waarin ook nog een andere partij meekijkt met wat wij voor een advies opstellen? Als je wilt, kun je onze hele richtlijn negatief interpreteren. Ik vind zo’n houding veelzeggend. Het is zo argwanend. Dat valt me tegen, meer nog dan het feit dat er geen claims zijn ingediend. Als we teruggave niet hadden gewild, dan was die hele richtlijn er natuurlijk nooit gekomen. Wij steken onze nek uit, gaan verder dan ieder ander museum in Europa. En dan nog steeds wordt onze intentie gewantrouwd.’

Dit beeld van een hofdignitaris was onderdeel van een beeldengroep op een voorouderaltaar. Na de Britse straf­expeditie van 1897 is de groep uit Benin meegenomen en zijn de beelden afzonderlijk verkocht © Collectie Wereldculturen

Dat wantrouwen is niet helemaal onbegrijpelijk. Het museum heeft bijvoorbeeld 139 BeninBronzes in de collectie, die deel uitmaken van een verzameling van zo’n drieduizend bronzen en messing beelden. Deze werden in 1897 als oorlogsbuit door Britse soldaten meegenomen naar het Verenigd Koninkrijk, waar later een deel van de objecten werd geveild. Zo kregen verschillende musea in uiteenlopende westerse landen een aantal van deze beelden uit het voormalig koninkrijk van Benin, nu gelegen in Nigeria, in handen. Pure roofkunst dus. Sinds 2010 wordt er gesproken over restitutie in de Benin Dialogue Group, waarin diverse Europese musea en Nigeriaanse vertegenwoordigers zitting hebben. Ook het Nationaal Museum van Wereldculturen neemt hieraan deel. Slechts éénmaal werd een van de Bronzes gerepatrieerd. Dat gebeurde door de Universiteit van Cambridge in 2019, na jarenlange druk van studenten en de Nigeriaanse diaspora-gemeenschap in Engeland.

Steeds weer werd gewezen op de westerse wetgeving, vertelt Folarin Shyllon, hoogleraar recht aan de Universiteit van Idaban en namens Nigeria lid van de Dialogue Group: ‘Die zou teruggave niet toestaan. Dat is nog altijd het officiële argument. De Bronzes werden gestolen in 1897. Waarom kon kunst die geroofd werd door Napoleon dan wel gerestitueerd worden? Er wordt duidelijk gemeten met twee maten. En er zijn meer wettelijke bronnen waaruit blijkt dat restitutie mogelijk is. Maar zelfs als dat niet zo zou zijn, verander dan die wetgeving. Laat me nog een keer onderstrepen: we willen de Benin Bronzes terug.’

Als een kwestie zó klip en klaar en al zó vaak besproken is als de Benin Bronzes, welke zin heeft een formele claimprocedure dan bij een instelling die daar formeel niet over gaat, vraagt Evelien Campfens zich af. Maar voor Stijn Schoonderwoerd is er op dat punt geen twijfel: ‘Júist bij zo’n zaak is het belangrijk om een claim in te dienen en het hele proces te doorlopen. Dan heb je ook een goed voorbeeld voor andere gevallen. Zo bouw je een praktijk op, een manier van werken. Dat lijkt me fantastisch. En als het allemaal zo evident is, ben je er zo klaar mee, lijkt me.’

De museumdirecteur wil nog wel iets rechtzetten: ten aanzien van de Benin Bronzes ligt er helemaal geen claim. ‘Er is weliswaar een duidelijke wens van verschillende partijen uit Nigeria. Maar dat is geen officiële eis. Een brief aan mij of aan de minister waarin specifieke objecten worden teruggevraagd, met een verzoek tot een antwoord – dát is een claim.’ Maar zo’n schriftelijke aanspraak heeft Schoonderwoerd nooit ontvangen. ‘Voor de duidelijkheid, wij hebben onze richtlijn ook gedeeld met partijen in Nigeria. Er is gewoon een verschil tussen zeggen “wij willen graag onze objecten terug” en ze daadwerkelijk terugvragen via een officiële actie. Je moet er natuurlijk wel iets voor doen.’

Historica Wickramasinghe: ‘Nederland heeft restitutie meer nodig dan Sri Lanka. Dit gaat over de worsteling met jullie eigen koloniale verleden’

Jos van Beurden vindt dit een pijnlijk standpunt. ‘Typisch Nederlands’, stelt hij. ‘Het laat een duidelijk gebrek aan flexibiliteit en creativiteit zien, die bij dit soort processen nou net nodig zijn.’

Schoonderwoerd benadrukt dat het hem gaat om de gelijkwaardigheid tussen de partijen in het proces van restitutie. Zonder twijfel is die wens oprecht. Maar in hoeverre is die gelijkwaardigheid überhaupt mogelijk? Wat roofkunst betreft zijn dit steeds situaties die zijn voortgekomen uit het kolonialisme – ongelijkwaardige situaties bij uitstek. Als de partij die deze objecten in handen heeft vervolgens wijst op uitgebreide formele procedures, dan voelt dat niet als een uitgestoken hand maar eerder als het fortificeren van museum en depots.

Een andere belangrijke speler in Nederland ten aanzien van roofkunstrestitutie is het Rijksmuseum in Amsterdam. Waar het Nationaal Museum van Wereldculturen een meer formele weg bewandelt met zijn richtlijn, begeeft dit instituut zich op een ander pad naar teruggave. In september 2017, dus nog vóór de toespraak van Macron, startte het museum een proef waarin de herkomst van tien objecten zou worden nagegaan. ‘Die kunststukken zijn natuurlijk niet lukraak gekozen’, vertelt Martine Gosselink, nog als hoofd van de afdeling geschiedenis (vanaf 1 april is ze directeur van het Mauritshuis). ‘We hebben breed gekeken in de collectie van het Rijksmuseum en objecten uit verschillende gebieden geselecteerd waarvan we weten of vermoeden dat het om koloniale roofkunst gaat. Voor die tien objecten hebben we herkomstonderzoek uitgevoerd. Hoe lang ben je daar nou eigenlijk mee bezig? was onze vraag daarbij.’

Die stap werd toegejuicht door onder anderen Jos van Beurden. Hij sprak in Trouw van een ‘dappere ommezwaai’ van het Rijks, dat in 2002 de Verklaring van het Universele Museum ondertekende, net als musea als het Louvre en het British Museum. Hierin werd gesteld dat werelderfgoed het beste gedijt in handen van westerse musea. Kunstobjecten zijn daar veilig, kunnen goed onderzocht worden en zijn te zien voor heel veel mensen, zo viel in de verklaring te lezen.

Gosselink zegt dat het Rijksmuseum die verklaring nu niet meer zou ondertekenen: ‘Alleen als de inhoud echt anders is en er musea uit heel de wereld zouden meedoen, zou dat voor ons nu een optie zijn. Voor het Rijksmuseum is in de afgelopen jaren het nodige veranderd, ook wat betreft koloniaal erfgoed.’

Bij die nieuwe houding hoort ook dat het museum niet afwacht tot er een claim binnenkomt, maar zich proactief opstelt. In dat licht moet ook de proef naar de herkomst van het tiental objecten gezien worden. ‘Ons doel in de afgelopen jaren is daarnaast geweest om gesprekken met herkomstlanden aan te gaan’, stelt Gosselink. ‘Hoe kijken zij naar restitutie en welke objecten zijn dan belangrijk voor hen?’ Het Rijksmuseum blijft dus niet hangen binnen de muren van het museum, maar gaat naar buiten en zoekt zelf toenadering.

Een van de Benin Bronzes. Een bronzen gordelmasker, als heup­sieraad te dragen © Collectie Wereldculturen

Half maart vorig jaar liet het Rijksmuseum weten dat Gosselink naar Sri Lanka en Indonesië zou gaan om het daar te hebben over omstreden stukken uit de collectie. De gesprekken die volgden in Sri Lanka gingen onder andere over een kanon uit het koninkrijk van Kandy, een van de koloniale pronkstukken van het Rijksmuseum. Het kanon was ook een van de tien objecten uit de proef die in 2017 werd gestart. Mede daardoor is al aardig wat bekend over de herkomst. Het kanon werd in 1765 door voc-soldaten als oorlogsbuit meegenomen, nadat zij het koninklijk paleis en de daaromheen liggende stad hadden geplunderd – zonder twijfel roofkunst.

Gosselink vertelt dat haar gesprekken in Sri Lanka positief waren: ‘De mensen die ik heb ontmoet, reageerden vooral heel blij dat er eindelijk met hen gesproken werd. Dat bleek ook uit het feit dat vrijwel iedereen heeft toegezegd om mee te werken met verder herkomstonderzoek.’

Maar uit Sri Lanka zelf komen andere geluiden. Naazima Kamardeen was een van de personen die sprak met Gosselink: ‘Aanvankelijk dacht ik dat ons gesprek zou gaan over de daadwerkelijke restitutie van objecten’, vertelt de hoogleraar commercieel recht aan de Universiteit van Colombo. ‘Maar uiteindelijk kwamen er vooral vragen over de herkomst van het kanon. Daar begon mijn twijfel, want wat valt er nog te onderzoeken op dat vlak? Welke informatie is er nog nodig om het dossier rond te krijgen? De intentie van het bezoek van Gosselink was niet duidelijk.’

Kamardeen vertelt dat ze zich later ging afvragen wat er zal gebeuren als het niet lukt om met verdere informatie over de herkomst te komen. ‘Is teruggave dan überhaupt nog wel aan de orde? De Britten hebben een bedroevende reputatie op het gebied van teruggave van koloniale roofkunst, maar zij zijn in ieder geval helder’, vervolgt ze. ‘Zij zeggen: dit object is geroofd uit Sri Lanka, maar we geven het niet terug. Dat heb ik dan nog liever dan dat er allerlei vragen komen over herkomst zonder dat we weten waar we aan toe zijn. Ik moet je eerlijk zeggen dat ik de vragen van Gosselink beledigend vond. Iedereen weet dat dit kanon uit Sri Lanka komt. Die erkenning zou er vanaf dag één moeten zijn.’

Nirmal Dewasiri was ook aanwezig bij het gesprek met Gosselink. Hij bevestigt dat de intentie van het onderhoud niet geheel duidelijk was, maar hij heeft minder last van een nare bijsmaak: ‘Bij dit soort complexe kwesties zijn veel mensen betrokken. Voordat een object daadwerkelijk terugkomt ben je al snel een hele tijd verder’, zegt de historicus die ook verbonden is aan de Universiteit van Colombo. ‘Er is een politieke correctheid om het over dit soort kwesties te hebben. Dat geldt vooral ook voor instellingen’, stelt Dewasiri. ‘De uiteindelijke beslissing over restitutie zal niet afhangen van de precieze herkomst, denk ik. Volgens mij is het wel helder. Je kunt ook gewoon de beslissing nemen op basis van de informatie die je nu hebt.’

Martine Gosselink is verbaasd als ze hoort van de kritiek: ‘Ik heb júist geprobeerd om heel duidelijk te zijn over mijn bezoek aan Sri Lanka. Steeds heb ik gezegd dat het me ging om het opzetten van gezamenlijk onderzoek. Dat wij als Rijksmuseum zelf niet gaan over restitutie, maar dat de minister dat beslist.’ Wel begrijpt ze dat het voor de buitenwacht lijkt alsof het proces lang duurt: ‘Ik heb uiteraard begrip voor frustraties op dat vlak vanuit Sri Lanka. Zelf had ik dit het liefste al vijf jaar eerder gedaan. Maar dat was niet mogelijk omdat we toen nog zaten met het op gang trekken van de hele organisatie na de heropening van het Rijksmuseum in 2013.’

Daarnaast bezweert ze dat het doen van nog meer onderzoek echt nodig is. ‘Hoe zit het bijvoorbeeld met het Singalees recht? Gaat het om staatseigendom of om een privébezit van de koning destijds? Wat is de regionale waarde van het object? Zijn er nog onbekende Sri Lankaanse bronnen of archieven die over het object vertellen? Zo zijn er meer vragen. We zitten midden in dat onderzoeksproces en het Rijksmuseum ijvert om die samenwerking van de grond te laten komen. En ja, dat moet in gezamenlijkheid met het herkomstland. Om te voorkomen dat je later te horen krijgt dat het herkomstland niet betrokken is geweest en dat het onderzoek niet transparant is geweest. Maar ook omdat we met de kennis en kunde van experts daar een completer beeld van herkomst en object krijgen.’

Gosselink vindt het belangrijk om te benadrukken dat je restitutie maar één keer kunt doen. ‘Ik wil daarom dat de minister of de restitutiecommissie die zij zal instellen een zorgvuldig oordeel kan vellen op basis van alle informatie, ook al weten we nu al dat het kanon een geroofd object is. Want het laatste wat ik wil is dat achteraf rondom een teruggave heisa ontstaat. Het moet gewoon goed gebeuren.’

Historica Nira Wickramasinghe is niet verbaasd als ze hoort van de reacties uit Sri Lanka. De hoogleraar moderne Zuid-Aziatische studies aan de Universiteit Leiden vertelt dat er in Sri Lanka na de eeuwwisseling antiwesterse gevoelens zijn gegroeid: ‘Steeds meer mensen vragen zich af waarom Sri Lankaans erfgoed dat in westerse musea staat niet gewoon wordt teruggegeven. Val ons in de tussentijd niet lastig met al die rigmarole, maar beantwoord eerst zelf de vraag of een object ook daadwerkelijk teruggaat’, zegt Wickramasinghe, die zelf geboren Sri Lankaanse is. Zij geeft bovendien aan dat we in Nederland moeten beseffen dat dit voor een groot deel vooral over onszelf gaat. ‘Ik denk soms dat dit niet zozeer iets is wat Sri Lanka nodig heeft, maar dat het vooral iets Nederlands is. Dit gaat over de worsteling met jullie eigen koloniale verleden, meer dan over restitutie van welk object dan ook.’

een van de Benin Bronzes. Dit beeld stelt een Iyoba voor, een koningin-moeder © Collectie Wereldculturen

Al met al lijkt de Nederlandse situatie het spiegelbeeld te zijn van die in Frankrijk. Hier neemt de museale wereld het initiatief en niet de politiek of overheid. De paden die Nederlandse musea daarbij bewandelen zijn anders. Waar het Nationaal Museum van Wereldculturen met zijn leidraad kiest voor een meer formele opstelling, daar heeft het Rijksmuseum een warmere aanpak van toenadering met herkomstlanden. Onder de streep maakt dit evenwel niet veel uit; net als in Frankrijk is teruggave van koloniale roofkunst nog altijd een zeldzaamheid. De restitutie van de keris van Diponegoro aan Indonesië begin deze maand doet daar niets aan af. Dat het bij restitutie om meer gaat dan de repatriëring van objecten, zoals Jos van Beurden en Evelien Campfens benadrukken, mag duidelijk zijn. Maar de kwestie rondom het Sri Lankaanse kanon laat zien dat erkenning en toenadering belangrijk zijn, maar dat ze de stap van daadwerkelijke teruggave niet vervangen of overbodig maken. Zolang die stap niet te realiseren is, blijft restitutie vooral een westerse worsteling met de eigen goede bedoelingen. Om teruggave praktisch mogelijk te kunnen maken, is het van belang dat minister Van Engelshoven zich positief uitspreekt over restitutie. De commissie die ze heeft ingesteld zal op 1 oktober van dit jaar advies uitbrengen over het opstellen van nationaal beleid.