Heerlijke nieuwe wereld: Philippe Van Parijs

Een winstuitkering van Europa

Een basisinkomen voor iedere Europeaan kan de burgers weer voor het eenwordingsproject winnen, meent filosoof en econoom Philippe Van Parijs. Zo’n ‘eurodividend’ zal bovendien economische onevenwichtigheden wegnemen en de sociale race to the bottom keren.

Medium philippeparijs

In een bijdrage aan de bundel The World Book of Happiness (2010) schrijft Philippe Van Parijs even kort als kernachtig over ‘het goede leven’, een van de kernbegrippen in de filosofie. In het leven zijn ‘goed’ en ‘gelukkig’ niet per se synoniemen, stelt hij: ‘Individueel moeten we streven naar een goed leven, niet naar een gelukkig leven. Collectief moeten we streven naar een rechtvaardige samenleving, niet naar een gelukkige. Met een beetje geluk zal dit streven onze levens en daarmee onze samenlevingen gelukkiger maken. Maar een garantie kan niet worden gegeven.’

Idealiter zullen in een rechtvaardige samenleving twee bronnen van ongeluk, armoede en onbillijke ongelijkheid, niet bestaan. Op die manier kan het streven naar het goede in een samenleving de mensen mogelijk ook gelukkiger maken. Gefilosofeer op de vierkante millimeter is dit niet: het maakt nogal wat uit of de politiek streeft naar rechtvaardigheid of naar geluk voor alle mensen. In het laatste geval raakt zij al gauw vervuld van een utopisch ideaal, een verlangen naar een Heerlijke Nieuwe Wereld, dat in de geschiedenis al meer dan eens gepaard is gegaan met totalitaire ontsporingen.

Rechtvaardigheid, ongelijkheid en armoede zijn in het werk van de Belgische filosoof en econoom Philippe Van Parijs (62) regelmatig terugkerende thema’s. Van Parijs, die zeven talen beheerst en publiceert in het Frans, Nederlands en Engels, is onder meer onderzoeker aan de Universiteit van Oxford en hoogleraar in Louvain-la-Neuve. Tot 2011 doceerde hij daarnaast aan Harvard. In Real Freedom for All: What (If Anything) Can Justify Capitalism (1995) onderbouwde hij aan de hand van filosofische, economische en sociale argumenten zijn onversaagde inzet voor een basisinkomen voor elke burger. Zowel uit het oogpunt van rechtvaardigheid als om wille van een zo groot mogelijke vrijheid voor iedereen is een basisinkomen volgens hem het nastreven waard.

Dat thema keert ook terug in Just Democracy: The Rawls-Machiavelli Programme uit 2011. Tegen de eurosceptische tijdgeest in prijst hij de Europese Unie als een ‘ongekend kunststuk’. Europese samenwerking is volgens hem onmisbaar om de politieke en economische krachten die de Unie willen inperken tot een kapitalistische vrijhandelszone met gelijke wapens te bestrijden.

‘Mijn idee van rechtvaardigheid is een liberaal-egalitaire’, zegt Van Parijs in zijn sfeervolle, oude huis in Brussel, op enkele honderden meters afstand van het hoofdkwartier van de Europese Unie. ‘Liberaal niet in de economische zin van vrije markt, maar in de politieke zin. Het gaat me om een gelijke eerbied voor de veelheid aan opvattingen over het goede leven in onze pluralistische samenleving. Mijn idee van rechtvaardigheid is dus in de eerste plaats verbonden met vrijheid van denken. Wat is rechtvaardigheid nog meer? Gelijkheid, zij het niet ten koste van alles. Elke plausibele rechtvaardigheidstheorie moet het volgens mij hebben over gelijkheid van kansen in het leven, niet over gelijkheid van uitkomsten. Iedereen moet een gelijke toegang hebben tot de middelen om zijn eigen opvatting van het goede leven te realiseren. Of, en in hoeverre, hij die mogelijkheden benut is z’n eigen verantwoordelijkheid.’

Een politiek van gelijkheid is volgens Van Parijs ook een politiek die naar efficiëntie streeft. ‘Een eerlijke verdeling hoeft niet per se een strikt gelijke verdeling te zijn, wanneer dat betekent dat daartoe een zwaar opgetuigd, inefficiënt systeem in het leven moet worden geroepen. Als daardoor alles naar beneden zakt worden ook de armsten het slachtoffer. Alles bijeengenomen komt mijn idee van rechtvaardigheid dus neer op een verdeling van de kansen op een wijze die de reële vrijheid van degenen met de minste mogelijkheden zo groot mogelijk maakt. Inderdaad, men herkent hierin het denken van politiek filosoof John Rawls. Mijn eigen, sloganeske wijze van samenvatten zit in de titel van mijn boek Real Freedom for All.’

Hoe is het in het licht van uw denkbeelden gesteld met de gelijkheid in Europa?

‘Iedereen moet gelijke toegang hebben tot de middelen om zijn eigen opvatting van het goede leven te realiseren’

‘Veel van de ongelijkheden van nu zijn zonder meer onrechtvaardig. Het is natuurlijk niet in orde als de helft van de mondiale welvaart in handen is van acht procent van de mensen. Het probleem is hoe te beoordelen wanneer in de praktijk dat theoretische optimum van reële vrijheid is bereikt. In het boek L’Île des pingouins van Anatole France pleit een van de boeren op dat eiland voor méér ongelijkheid, nota bene op grond van een redenering die je liberaal-egalitair kunt noemen. Je moet, zegt hij, de rijken op het eiland niet meer gaan belasten, want hoe meer je de rijken belast, hoe armer de armen uiteindelijk zullen zijn. In het heden van de mondialisering en de eengemaakte Europese markt zijn er ook stemmen die zeggen dat we méér ongelijkheid nodig hebben om de beste managers en onderzoekers met zo hoog mogelijke beloningen in het eigen land te houden. Landen komen dan terecht in een steeds fellere onderlinge concurrentiestrijd om die schaarse talenten, met steeds lagere belastingen en steeds lagere sociale minima als gevolg. Dat is een race to the bottom. Wat is dus het probleem? Dat de solidariteit en de politiek van herverdeling nog op nationale schaal zijn georganiseerd en de markt op internationale. We moeten het politieke organisatiekader naar een grotere schaal brengen, om te beginnen naar de Europese.’

Tegen deze achtergrond moet de titel van zijn boek Just Democracy: The Rawls-Machiavelli Programme worden verklaard. De Machiavelli die hij hier bedoelt is niet die van diens bekendste boek, De heerser, maar van de Discorsi, de Verhandelingen, waarin de Florentijnse wijsgeer nadenkt over de optimale schaal en vormgeving van instituties om een gesteld doel, zoals rechtvaardigheid, te bereiken. In de huidige omstandigheden komt de EU volgens Van Parijs het dichtst in de buurt van het soort institutioneel kader dat we nodig hebben om de race naar de bodem en sociale dumping te keren.

‘Die cirkelgang naar beneden heeft te maken met de schaal waarop de politiek in Europa nu is georganiseerd’, zegt hij. ‘Een voorbeeld. De hervormingen van de groen-rode regering van Gerhard Schröder in 2005 hebben zonder meer als gevolg gehad dat de concurrentiekracht van Duitsland is vergroot. Maar wat goed is voor Duitsland is dat niet per se voor andere EU-lidstaten. De grotere competitiviteit van Duitsland gaat ten koste van zijn handelspartners in Europa, vooral de landen die met Duitsland vastzitten aan die ene munt. Het probleem in het Europa van nu is dat regeringen ten behoeve van het eigen electoraat maatregelen nemen waarvan de bevolking van andere landen de gevolgen dragen. De schaal van de politieke organisatie in Europa dwingt landen daar als het ware toe.’

Wat goed is voor Duitsland is dat niet per se voor alle Duitsers zelf. Onder in de arbeidsmarkt zijn Duitsers tegenwoordig genoodzaakt tegen marginale lonen marginale baantjes te accepteren.

‘Dat vloeide als vanzelf voort uit de argumentatie van de linkse regering-Schröder. Duitsland werd toen de zieke man van Europa genoemd. Die ziekte zou de Duitse economie wel eens fataal kunnen zijn, vreesde Schröder. Een welvaartsval was het dreigend perspectief. Daarom was het te verkiezen, redeneerde hij, om het bestaan van de armen op een lager, maar wel bestendig niveau te brengen. Wat is nu het gevolg? Dat een sociale spiraal naar beneden ontstaat, waarbij landen haasje-over springen in steeds brutere maatregelen om hun concurrentiekracht te vergroten. Ik heb dat Schröder ook gezegd: dat hij destijds, als leider van de grootste en oudste sociaal-democratische partij van Europa, beslissingen heeft genomen die dodelijk zijn voor de verzorgingsstaat, de grootste verworvenheid van de sociaal-democraten in Europa. De verzorgingsstaat dreigt zo in te krimpen tot een mecenaat voor de armen. Vooral in de zuidelijke landen in de Unie zie je dat zich voltrekken. Meer nog dan met neoliberale ideologie heeft dat te maken met die discrepantie tussen de nationale schaal van de politiek en de mondiale schaal van de markt. Legde ooit de staat de markt zijn regels op, nu is het andersom.’

Met als gevolg dat nationale staten zich als bedrijven gedragen.

‘Dat zei ik ook op de jaarvergadering van het European Policy Centre tegen Michel Barnier, de Europese commissaris voor de Interne Markt. Van het begin tot het einde sprak hij over het competitiever maken van de Europese markt. Op het laatst zei hij nog iets plichtmatigs over sociale cohesie, zij het als middel om de competitiviteit verder te vergroten. Hij juicht het streven naar een gerechtvaardigde maatschappij toe, als bijdrage aan de concurrentiekracht. Niet alleen liberalen spreken zo, ook sociaal-democraten. Het doel van rechtvaardigheid is bij hen een middel voor meer concurrentie geworden.’

‘De nationale welvaartsstaten vervangen door één Europese? Dat is geen alternatief.

Je kunt ook zeggen dat de verzorgingsstaat een struikelblok voor de Europese integratie is. Zij heeft de bevolking gebonden aan het behoud van de nationale staat, als beschermend ‘fort’.

‘Dat is de kern van het dilemma: de spanning tussen de politieke levensvatbaarheid van de verzorgingsstaat en de economische. Hoe homogener een bevolking, hoe gemakkelijker het politiek gezien is om een genereuze welvaartsstaat overeind te houden. Vanwege het grotere onderlinge vertrouwen, de sterkere identificatie met elkaar, het gemeenschapsgevoel. Aan de andere kant wordt de economische levensvatbaarheid van de nationale verzorgingsstaat zwakker en zwakker, als gevolg van de gestage opening van de markten. Dus is er een dilemma.’

Is er een uitweg uit dat dilemma?

‘Ik denk het wel. Een politiek van herverdeling blijft mogelijk, zij het niet op de manier die we gewend zijn. In de eerste plaats moeten we ons realiseren dat met de opening van de grenzen in Europa ook iets goeds is gekomen: meer rechtvaardigheid, in de zin van een grotere gelijkheid van kansen tussen de mensen die in Brussel of Leiden zijn geboren en hun lotgenoten in Sofia of Boekarest. Het nadeel van dat vrijere verkeer van mensen, goederen en diensten is dat dit de mogelijkheden van de natiestaat om de politiek van herverdeling binnen de eigen bevolking te organiseren heeft verzwakt. De nationale welvaartsstaten vervangen door één Europese? Dat is geen alternatief. Dat is niet haalbaar, door de grote verschillen tussen de lidstaten. Maar het lijkt mij wel mogelijk een soort sokkel te creëren, in de vorm van een Europees basisinkomen. Daar bovenop zullen de nationale welvaartsstaten gemakkelijker kunnen overleven.’

Zo blijven de nationale verzorgingsstaten voor een deel gespaard?

‘Ja. Het is ook wenselijk dat ze in hun diversiteit blijven bestaan. De organisatie van de solidariteit in een land, bijvoorbeeld in de sfeer van de gezondheidszorg, is een subtiele zaak, waarin allerlei nationale bijzonderheden een rol spelen. Brussel zal daarvoor nooit de vereiste gevoeligheid kunnen ontwikkelen. Maar dat neemt de behoefte aan die sokkel niet weg, juist ook ten behoeve van het behoud van die diversiteit, want dankzij zo’n gezamenlijk Europees fundament onder de nationale verzorgingsstaten zal er minder druk zijn om de race naar de bodem in te zetten.’

Is dat geen luchtfietserij, zo’n Europees basisinkomen?

Dat is niet haalbaar’

‘Gemakkelijk zal het niet zijn, nee, maar daarmee is de logica van zo’n idee niet weg. Otto von Bismarck, in de negentiende eeuw de eerste rijkskanselier van het eengemaakte Duitsland, heeft de onderlinge band tussen de Duitse staten destijds verstevigd met de invoering van het staatspensioen. Dat was een precedent, het eerste staatspensioen in de wereld, mede tot stand gebracht onder de druk van de sociaal-democratische beweging die toen opkwam. Europa staat nu onder de druk van de crisis om nieuwe wegen te verkennen. Dan doel ik niet alleen op de economische crisis, maar vooral op de diepere, onderhuidse, in de relatie tussen de landen en volken van Europa.’

Schetst u het Europese precedent dat u nu wenst eens nader.

‘Eerst iets over de motieven voor dat basisinkomen. Het temperen van de onderlinge concurrentiestrijd tussen de Europese welvaartsstaten is een eerste motief. Daarnaast is er behoefte aan een nieuw stabilisatiemechanisme binnen de eurozone, om de onevenwichtigheden in de economische verhoudingen tussen de lidstaten te compenseren. Economen zeggen al langere tijd dat de eurozone niet stabiel is, bij gebrek aan het instrument van re- of devaluatie van afzonderlijke munten. Ook andere stabiliserende mechanismen doen hier onvoldoende hun werk. Zo blijft de arbeidsmigratie in Europa ver achter bij die in de VS, waar dat verschijnsel bijdraagt aan de vereffening van de verschillen tussen de economisch achterblijvende staten en de welvarende. In de VS is de interstatelijke migratie ongeveer zes keer zo hoog als in de EU, ondanks de impuls die de economische crisis in Europa aan de arbeidsmigratie heeft gegeven. De belangrijkste oorzaak is dat we in de EU zoveel verschillende talen spreken.’

Athene en München zijn andere werelden, waardoor een Griek die naar Duitsland verhuist veel problemen met zijn aanpassing zal ondervinden.

‘Een werkloze Amerikaan uit Detroit heeft dat probleem niet als hij aan de andere kant van het land werk vindt. In de VS zijn financiële transfers tussen de staten bovendien veel gemakkelijker dan in de eurozone. Ook dat is een stabilisatiemechanisme dat daar beter werkt. Zonder dat er enige crisisvergadering nodig is, zoals hier van tijd tot tijd, betalen de Amerikaanse staten die het minder voor de wind gaat automatisch minder belasting dan de andere. Dat systeem werkt goed als er iets misgaat in Michigan, of als Vermont kampt met plotselinge economische tegenslag. De Amerikaanse welvaartsstaat is weliswaar veel minder genereus dan welke nationale verzorgingsstaat in Europa dan ook, maar dat neemt niet weg dat zij wel functioneert. Zo’n systeem van herverdeling hebben we hier, op het niveau van de EU, niet.’

Er zal nog heel wat water door de Rijn moeten stromen voordat Europa hetzelfde niveau van arbeidsmigratie of zo’n systeem van automatische financiële transfers heeft.

‘Het zal dus een simpeler instrument moeten zijn, met een generieke werking, want een voorziening alleen voor de armen zou een pernicieus voordeel geven aan landen met meer ongelijkheid.’

‘Dat basisinkomen is een aandeel in de winst die de Europese eenwording heeft gebracht’

Hoezo?

‘Die landen zouden meer ontvangen omdat ze meer armen hebben. Dat zou pas onrechtvaardig zijn! Zo kom je toch op iets eenvoudigs, een eenduidige, simpele voorziening als een vast bedrag dat aan de ganse Europese bevolking wordt toegestopt. Dat is die sokkel. Dat basisinkomen hoeft niet heel hoog te zijn om een verschil te maken en een zekere ontspanning in de onderlinge concurrentiestrijd te brengen. Dus laat ons nadenken over een eurodividend van om en nabij de tweehonderd euro per maand, bijvoorbeeld gefinancierd met een kleine belasting op valutatransacties en een iets hogere bijdrage uit de btw aan Europa. Van de btw gaat nu 0,3 procent naar de EU. Dat mag best iets meer worden als daar de grote voordelen van een basisinkomen tegenover staan.’

Op welke voordelen doelt u?

‘In de eerste plaats het voordeel dat de drang tussen de lidstaten om te concurreren om het schaarse talent minder wordt. In de tweede plaats wordt de flexibilisering van de arbeidsmarkt gemakkelijker, bovendien op sociaal aanvaardbare wijze. Het basisinkomen maakt de fluctuaties in inkomen van freelancers en werknemers minder groot en tempert ook de inkomensschokken van mensen die heen en weer switchen tussen arbeid, opleiding en zorg.’

Invoeringvan een basisinkomen op Europees niveau vergt meer Europese eenwording. In de politieke werkelijkheid van nu komen juist overal bewegingen op die anti-Europees zijn.

‘De voorzitter van het Europees Gerechtshof onderscheidde onlangs twee categorieën Europeanen, de movers en de thuisblijvers. Dat is geen kwestie van rijk of arm, hoog- of laagopgeleid, stedeling of plattelander, want onder de movers bevinden zich ook arme Bulgaren en onder de thuisblijvers opulente weduwen die nooit hun dorp of stad hebben verlaten. Europa heeft veel gedaan voor de movers en maakt daar ook veel lawaai over. Geen grenzen meer! Concurrentie! Dynamiek! Goedkoop bellen naar een ander land! Erasmus-programma’s! Ondertussen vormen de thuisblijvers de meerderheid. In Frankrijk wonen, althans volgens Pierre Rosanvallon, ongeveer zeven op de tien mensen nog altijd op minder dan vijf kilometer van hun geboorteplek. Dus dat is een flink pak mensen, die thuisblijvers. En wat zien zij om zich heen? Dat Europa alle beschermende hekjes wegneemt en dat hun land een boete dreigt te krijgen als het daaraan niet meewerkt.

Dus dat is niet zo verwonderlijk, die opkomst van anti-Europese, populistische bewegingen. Zij zien Europa niet ten onrechte als de grote anonieme macht die de hekjes weghaalt. Europa moet dus proberen zich ook als een beschermer aan de mensen te tonen. Daarom noem ik dat basisinkomen ook liever “eurodividend”. Het is een aandeel in de winst die de Europese eenwording heeft gebracht, dankzij de afschaffing van binnengrenzen, de vrede die we aan de EU danken, het verminderde wantrouwen tussen de Europese volkeren. Zo’n slecht idee is het niet om een deel van die winst te verdelen onder alle burgers, dus ook onder de mensen in de dorpjes die anders nooit zien wat Europa voor hen doet en wel over de bedreigingen lezen. Het basisinkomen kan in letterlijke zin voor iedereen de winst van Europa zichtbaar maken.’


Heerlijke nieuwe wereld?

De wereld bevindt zich op een snijvlak. De alomtegenwoordige crisis – niet alleen in de economie, maar ook in de politiek en het milieu – doet vermoeden dat er een tijdperk is afgesloten. ‘Niets wordt meer als vroeger’, betogen politici van links tot rechts. Maar hoe wordt het dan wel? Hoe moeten we de huidige crises begrijpen, wat kunnen we verwachten van de stormachtige technologische ontwikkelingen, wat betekent dit voor ons mensbeeld, en waar gloort er hoop?

In een serie interviews met De Groene Amsterdammer buigen de meest toonaangevende denkers van het moment, uit binnen- en buitenland, zich over deze vragen – en komen al tastend tot een antwoord: hoe ziet die heerlijke nieuwe wereld eruit?

Beeld: Dieter Telemans / HH