Hoofdcommentaar

Eén witte raaf maakt nog geen zomer

Terwijl de ene historische verwor venheid wordt bejubeld, wordt de andere te grabbel gegooid. Wie beweert dat Nederland een stroperige staat is met koudwatervrees voor ingrijpende hervormingen begint zo langzamerhand te liegen. Het gaat hard. Soms duurt het maar een paar dagen om met de ene hand te geven wat met de andere wordt genomen.

Vorige week dinsdag keerde parlementariër Ayaan Hirsi Ali terug in de Tweede Kamer. Een belangrijke dag. Een parlement waarin ook maar één volks vertegenwoordiger wegens bedreigingen ontbreekt, is geen parlement. Hirsi Ali kan, zij het bewaakt op een manier die haar democratische functioneren op voorhand ondermijnt en waaraan zij níet schuldig is, doorgaan met haar «boodschap» over de maatschappelijke gevaren van de radicale islam.

Op die heuglijke dinsdag was het toverwoord op alle tv-zenders de scheiding van kerk en staat. Religie is een private aangelegenheid. Godsdienst heeft geen invloed op de politiek, aldus burgemeester Geert Dales van Leeuwarden. Laten we aannemen dat hij bedoelde dat het geloof geen rol speelt in zijn eigen VVD – dat de grootste politieke partij in Nederland Christen Democratisch Appèl heet, kan de voormalige wethouder uit Amsterdam niet zijn ontgaan – dan gaat het om de vraag waar huis en haard ophoudt en het publieke domein begint. Het antwoord is overigens niet zo simpel. De maandag aangekondigde antiterreurwetten – waardoor «apologie» («verheerlijken of goedpraten» van ernstige misdrijven) strafbaar wordt en een «verbod op bepaalde beroeps matige activiteiten» in moskee, school of jeugdzorg mogelijk wordt – zullen niet per ommegaande soelaas bieden. Maar het blijft goed om vast te stellen dat kerk en staat zijn gescheiden, dat aan dit principe niet mag worden gemorreld en dat er een verdedigingslinie moet zijn geformeerd als dat wél dreigt.

Dat een dag eerder, op maandag, een automobiliste in Amsterdam een tasjesdief op een scooter vermoedelijk per ongeluk had dood gereden, was die dinsdag door de landelijke tv even over het hoofd gezien. Die schade werd snel ingehaald. Donderdag was de dag der wrake. We laten Geert Wilders even links liggen. Zijn introductie van het woord «straatterroris me» is in de welwillendste interpretatie een vorm van woordinflatie waarop salonrevolutionair Wilders patent heeft omdat het voor hem permanent «code rood» is, maar in objectievere zin een belediging van de slachtoffers in New York, Bali, Madrid, Moskou en die andere plaatsen in de wereld waar de burgers de realiteit van het terrorisme aan den lijve hebben ondervonden. Wilders’ aangekondigde wetsvoorstel om straatrovers met een dubbele nationaliteit hun Nederlandse paspoort te ontnemen, is zo ongrondwettig dat het erop lijkt dat we te maken hebben met een politicus die jarenlang een undercoveragent in de VVD is geweest.

Anders ligt het met Rita Verdonk. Uitgelokt door leading questions van het NOS Journaal zei ze: «Als wij gewoon hier in Nederland van elkaars spullen afblijven en geen diefstal plegen, als dat niet gebeurd was. (…) Ik wacht het oordeel af van het openbaar ministerie. Maar (…) voor mij is dit nog geen moord.» De Telegraaf was enthousiast: Eigen schuld in 96-punts. Plus: Woede om vervolging voor dood tasjesdief. Verdonk: van moord is geen sprake. Er is geen speld tussen te krijgen. Maar toch. Behalve voor familie, vrienden en plotseling opduikende maatjes van de gemotoriseerde tasjesrover was zijn dood voor niemand moord. Justitie verdacht de automobiliste van doodslag en legde zich neer bij haar vrijlating, waartoe de rechter-commissaris haar diezelfde donderdag dwong. Als minister Veerman van Landbouw zich, terwijl de rechtbank een zaak behandelt, een oordeel over deze causaliteit had aangematigd, zou dat vermoedelijk aanleiding zijn geweest voor een kritische kanttekening. Maar de interventie van minister Verdonk van Vreemdelingenbeleid en Integratie, die nota bene in hetzelfde departement resideert als minister Donner van Justitie, mocht zich verheugen in de expliciete steun van premier Balkenende. Bewindslieden die open en bloot een mening ventileren over zittende en staande magistratuur: het is een trend geworden. De ministers Remkes van Binnenlandse Zaken («rotschop») en Kamp van Defensie (sergeant Eric O.) gingen voor.

Het is een geruststellende gedachte dat in de Tweede Kamer 147 van de 150 leden de scheiding tussen kerk en staat niet willen herzien. Maar met de scheiding der machten valt nu kennelijk wel te marchanderen. We kunnen ons slechts troosten met enkele witte raven. Zoals minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken. «De emotie wint het dezer dagen vaak van het verstand. Grote woorden worden gebruikt waar een nuchtere reactie zou hebben volstaan.» Verwijzend naar Mussolini – «ik ben uw leider, dus ik volg u» – zei Bot: «Een betere definitie van goedkoop populisme is nauwelijks denkbaar. De geschiedenis leert dat populisme geen geschikt instrument is om de democratie te verdedigen. Populisten zijn beter in het exploiteren van angstgevoelens dan in het wegnemen van de oorzaken ervan.»

Maar één witte raaf maakt nog geen zomer. Deze dubbelhartigheid spoort, als we de duit-in-het-zakje-doeners mogen geloven, met de Verlichting. Dat premier Balkenende dat toelaat, is begrijpelijk. De confessionele mannenbroeders hebben altijd een dubbelzinnige verhouding gehad tot de Verlichting. Dat de VVD het beginsel van de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht nu stukje bij beetje laat loswrikken van het principe van de scheiding van kerk en staat is daarentegen treurig. De Verlichting is een soort seculiere godsdienst geworden. In de sacrale boeken van de Europese traditie wordt naar hartelust gegrasduind, pakkend wat uitkomt en vergetend wat lastig is. De Verlichting is zo langzamerhand net als bijbel of koran: ieder het zijne.