Fotosynthese

Een wonder, zoals alles uit 1929

Tussen 2003 en 2007 publiceerde Rudy Kousbroek drie delen Fotosyntheses, nu uitgebracht in één band als Opgespoorde wonderen, dezelfde titel als die van het eerste deel; het tweede heette Verborgen verwantschappen (2005) en het derde Raadsels der herkenning (2007). ‘Zoeken naar raadselachtige foto’s, daar heb ik over de jaren een speciaal orgaan voor ontwikkeld.’ Het is daarom begrijpelijk dat Kousbroek er zelden bij vertelt hoe hij aan zijn ‘onmogelijke foto’s’ zoals hij ze ook wel noemt, gekomen is.

Medium 004 galo

Achter elkaar vormen de drie titels eerder een achterwaartse beweging dan stadia in een uitgestippelde speurtocht. In ‘opgespoorde wonderen’ ligt het accent op zoeken én vinden en staat bij voorbaat vast waarnaar gezocht werd; de twee andere titels wijzen erop dat dan pas het eigenlijke werk begint. Alles bestaat in de wereld, zegt hij ergens, en suggereert dat iemand er oog voor moet hebben. Bijvoorbeeld de twee Javaanse (naar blijkt Filippijnse) jongetjes die een kip koesteren: weeskinderen na een brand. Enige naspeuring wijst uit dat het een vechthaan is. Dat verandert de zaak én de blik.

De werkwijze is in alle drie delen dezelfde gebleven: een bijschrift naast een foto, die zelden om de fotografische kwaliteiten is uitgezocht, meer om het plaatje en vooral om wat het aanricht, welke emoties het teweegbrengt.
In de laatste van de derde serie doet Kousbroek nog eens uit de doeken hoe zijn aanpak eruitziet. Het gaat om een ansichtkaart van de top van de Tourmalet, ongeveer 1950. Uiteraard interesseren hem allereerst de oude auto’s, zeker als hij ze herkent. Intrigerender zijn drie lopende mensen: 'Het is niettemin het beeld van een grote eenzaamheid, zoniet van een onalledaagse wanhoop.’ Dat gevoel is weer aanleiding om een gedicht van Philip Larkin te citeren, 'een voorbeeld van een perfect gedicht’. Het is maar wat je erin ziet, nee, hij ziet wat hij erin wil zien. 'Ik kijk en kijk, het is in zekere zin het oervoorbeeld van een foto van iets onmogelijks, zoals ik er voor deze rubriek probeer te verzamelen: foto’s met een toevallig, onopzettelijk (en dus niet voor dit doel geënsceneerd) raadsel.’ Dat is een van de spelregels. Toevallig? Ja, omdat de gevonden foto hem zodoende gelegenheid biedt de afbeelding zelf in scène te zetten, de aandacht en de blik op iets speciaals te richten, oftewel de foto te herschikken. 'De eentaktmotor’ laat zien hoe een boom geveld is met een zaag van kogels - voor Kousbroek een mooie gelegenheid om over machines uit te weiden. De mechanische puzzel die hij in elkaar zet is door hem zelf gesneden.

Dat is nog een spelregel: het raadsel blijft ook na al het gepuzzel, of verandert in een nieuw raadsel. Wat is immers het geheim van het raadsel? Dat niet de oplossing het eigenlijke en enige doel is, maar het oplossen. Het is als een inwijdingsrite, in dit geval geënsceneerd, dat zeker, door de enige ingewijde, die het ritueel telkens opnieuw aan zichzelf verricht. Het klinkt wat cryptisch maar de paradox is een echo van de drie titels. Wonderen doen zich voor, in dit geval is Kousbroek zelf de wonderdoener: hij heeft ze opgespoord, alleen al door heel goed te weten waar hij het zoeken moet.

Onmogelijke foto’s, daarmee is, denk ik, vooral de bijbetekenis van 'in zijn soort onbestaanbaar’ bedoeld, het wonder dus, een verborgenheid die aan het (foto)licht komt. Het adjectief heeft ook een bijbetekenis met een vleugje sympathie: wat een onmogelijke rotzak of wat een onhandelbaar kind.

Het tweede deel, Verborgen verwantschappen, begint met 'Die Wahlverwandschaften’ bij een schilderij van Magritte uit 1937, Le thérapeute: een zittende man, gehuld in een tent met hoed erop, op de plaats van de romp een kooi met twee vogels. Naar die onmogelijke foto wordt verwezen maar hij staat niet in dit boek, wel op het omslag van het tweede deel: een foto gemaakt in Noord-Afrika rond 1890. Onbedoeld is dit een illustratie van Kousbroeks definitie van een groot wonder: iets laten zien dat niet bestaat. Raadsels, verborgenheden, wonderen - Kousbroek heeft het nergens over geheimen, want een geheim is er om ooit eens onthuld worden of het bestaat niet. Een raadsel dat niemand raadt bestaat wel degelijk, het is leven - of de dood, het raadsel waar Kousbroek menigmaal het spoor bijster raakt. 'Het raadsel der herkenning’ - herkennen is terugvinden. Daarover staan in een stuk aan het eind van Verborgen verwantschappen een paar raadselachtige zinnen, nota bene na een lange liefdesverklaring aan 'de mooiste auto van alle tijden’, de Alfa Romeo Super Sprint 1750 - 'een wonder, zoals alles uit 1929 (mijn geboortejaar)’. Daarvan staat rechts een foto: 'Ik kijk naar de foto en probeer het me voor te stellen; maar helaas, herinnerde omhelzingen hebben niet meer realiteit dan schaduwen in een lege kamer, zij schenken geen vervulling, het enige dat ervan overblijft is verlangen naar herhaling. Nog een keer. En nog eens.’ De schrijver lijkt niet rouwig om het uitblijven van vervulling. Het verlangen wordt er alleen maar sterker door en daarmee de verbeelding, alsook de zucht naar nog meer voorstellingen als projectieschermen voor een dorstig hart.

Als de projector op toeren raakt is verlangen als het ware de trafo voor de aandrift - bijna geen bladzijde waar het woord niet opduikt. Ook de overdrachtelijke betekenis van het begrip 'fotosynthese’ verwijst daar misschien naar, dat een organisme zich op eigen kracht in leven houdt. Dan is het als het ware een gesloten circuit van het verlangen. Het laatste stuk in het boek, 'Terug naar Ithaka’, bij een foto van zijn vader op een wankele brug, een geheimzinnige foto en een melancholieke tekst, eindigt met de zin: 'Laat mij voor één keer schaamteloos terugverlangen naar het land zoals ik het heb gekend: vredig, lieflijk en schoon, op weg naar de rechtsstaat die daar had kunnen ontstaan en die 61 jaar later verder weg is dan ooit.’ Is het heimwee naar het geboorteland (Nederlands-Indië)? Ook, maar niet passief; terugverlangen is vaker de wens het nog eens over te doen, bij vol verstand, zelf de touwtjes in handen. 'Dezelfde foto dus eigenlijk’, zegt hij zelf, 'maar een half leven later?’ De vader tijdloos naar nu verplaatst, of de zoon naar toen maar met de wetenschap van nu. Het is de wens van een tijdmachine, 'een machine waarmee je kunt reizen door de tijd en alle raadsels van het verleden oplossen’. Dit naar aanleiding van (de foto van) een gigantische klok op een open plek in de jungle. Als je de plaatsen in het boek erop zou uitlezen zou het een staalkaart van het verlangen te zien geven. Als de aan Nietzsche ontleende titel van Kundera niet zo vaak verkeerd begrepen was, zou ik zeggen dat Kousbroek op elke pagina bij elke onmogelijke foto de sisyphusstrijd aangaat tegen de ondraaglijke lichtheid van het bestaan: dat in het leven alles maar één keer plaatsvindt. Menige foto spiegelt zo'n onherhaalbaar moment.

Ook de vele passages over dieren zijn vervuld van verlangen. Kousbroek is uitermate gevoelig voor alles wat weerloos is, meisjes incluis. Plat gezegd gaat het om verloren onschuld, en dan wordt het oppassen, dat bewees al de aaibare kip die een geduchte vechthaan bleek te zijn. Nou ja oppassen, het is duidelijk projectie: dat wil hij erin zien - de vraag is, bij heel veel plaatjes trouwens, of hij de kijker op iets wijst dat erin zit en er alleen uitgehaald hoeft te worden, een soort spoorzoeken of ook wel het zoekplaatje; of dat hij er iets in leest, erin legt. Wat maakt het uit, zolang het maar overtuigend gebeurt. Op z'n best vind ik hem in de fotosyntheses als hij een en ander vertelt naar aanleiding van een foto, weetjes, bijna altijd interessant. Ook als hij nieuwsgierig in een foto rondkijkt: de verwondering die hem beving bij het vinden wordt herhaald in de verbaasde blow-up van details, bijvoorbeeld 'Praed Street’: een jonge vrouw op het open dak van een Londense dubbeldekker, een en al raadsels. Dat de foto gemaakt is uit liefde slaat op de kijker over: 'Je zou je armen om haar heen slaan om haar nooit meer los te laten.’ Net als de vele tranen die hij laat, vat ik zulke verzuchtingen maar op als superlatief. Heel veel stukken beginnen zelfs met zo'n exclamatie: hoe aangrijpend ad lib. Dat is de uitkomst en daar heb je vrede mee als de som klopt: inderdaad, die vier zebra’s zijn aangrijpend. Ook als hij persoonlijk gekleurde herinneringsplaatsen evoceert is de emotie, hoe gezocht ook, geloofwaardig. Merkwaardig genoeg is dat minder het geval wanneer hij gaat dromen of zich in een persoon of situatie inleeft. De hoogste wens is dan het meisjeseiland, hij omringd door meisjes of dames. De dieren zijn me soms ook te schattig, hoe begrijpelijk ook de wens van een innige verstandhouding tussen mens en dier. Liever heb ik dan zijn woede tegen commerciële dierenslachtingen en andere uitingen van vulgariteit en banaliteit.

Een van de mooiste foto’s en bijschriften vind ik 'Door een barst in de muur’, de foto staat ook op het omslag: 'Hier nu dus een zeldzame foto van de voorbijstormende tijd. Alles is er, het paard, het galopperen en het gat in de muur: dat is de camera.’ - 'Waarheen gaat de galop? Dat is duidelijk, naar de dood. Maar dat is ook het verlangen: sterven van verlangen, dat wil zeggen de liefde.’

Rudy Kousbroek, Opgespoorde wonderen: De fotosyntheses verzameld, Augustus, 414 blz.,


Beeld: Uitgeverij Augustus
€ 39,90