Een wonderbaarlijke bedriegster

In Oogzenuw verbeeldt María Gainza op uiterst lucide wijze de verhouding van de fascinerende hoofdpersoon tot de beeldende kunst. Ze beschrijft beelden in woorden zodat de lezer denkt dat hij naast haar voor een schilderij staat.

Small maria gainza  c  rosana schoijett

Wie is María Gainza? Maar is dat de juiste vraag? Mag je een auteur en haar hoofdpersoon – de auteur is, net als haar hoofdpersoon, een vrouw – wel met elkaar verwarren? Maar wie is dan die fascinerende hoofdpersoon die aan het eind van het eerste verhaal zo duidelijk zegt: ‘Je schrijft om iets anders te vertellen’? Wat wil ze dan vertellen? Ze is in al die zo verschillende verhalen een dochter, een zuster, een moeder, een vriendin, ze is zwanger, heeft een vader, een zeer aanwezige moeder, een halfbroer, een oom met ‘neefjes’, en heeft in al die hoedanigheden een waarschijnlijk bijbehorende leeftijd, hoewel die niet echt wordt onthuld, net zo min als haar naam trouwens. Soms komt er een kleine hint – ‘ik ben een vrouw die op het midden is aangeland’ –, maar af en toe bekruipt je bij het lezen ook de gedachte dat het misschien in deze verhalen toch niet altijd om dezelfde vrouw gaat, ook al is ze in de meeste gedaantes wel degelijk ook iemand uit de betere kringen van Buenos Aires, zich ironisch bewust van de verschaalde rijkdom van de huizen en interieurs waarin ze verkeert of verkeerd heeft, een ci-devante die in de kosmopolitische, aangeslagen stad van Borges nog steeds functioneert, iemand die de politieke aardbevingen in haar vaderland Argentinië ondergaat en waarneemt, regelmatig in allerlei situaties mensen neerzet die in de andere verhalen niet voorkomen en die soms doet denken aan de eerste vrouwelijke patiënten van Sigmund Freud met een af en toe ademloze, maar verbaal uiterst gearticuleerde manier van spreken, iemand met vliegangst die vroeger wel degelijk heeft gevlogen, een vrouw met randfiguren als merkwaardige vrienden, met een al even eigenaardige broer die in grote eenzaamheid in San Francisco sterft maar waar ze niet naartoe kan omdat ze niet meer vliegt. Aan het eind van het boek moet ze, nadat er een tumor is verwijderd, een chemokuur ondergaan waarbij je je als lezer weer te binnen moet brengen dat de hoofdpersoon María Gainza niet is, of als dat niet lukt, hoopt dat ze die chemo zeker zal overleven, al was het maar omdat je nog veel meer van deze verhalen zou willen lezen. Na Alvaro Enrigue, Alejandro Zambra en Valeria Luiselli is Gainza al weer een opwindende nieuwe stem uit Latijns-Amerika.

Wat maakt haar boek zo boeiend? Dat het in de elf verhalen of hoofdstukken, met al die verschillende personen en panorama’s en bij al haar verschillende gedaantes, steeds om één essentieel punt gaat waar alles om draait, en dat is de verhouding van de al dan niet steeds andere vertelster tot beeldende kunst en de uiterst lucide manier waarop ze daarover schrijft. Het is niet makkelijk om over schilderijen te schrijven op zo’n manier dat je als lezer denkt dat je naast haar staat, maar het lukt haar uitstekend – zo zelfs dat je niet altijd zeker bent of je haar smaak wel deelt. Over welke schilder het ook gaat, je ziet het altijd duidelijk voor je; deze vrouw weet wat ze ziet en deze schrijfster weet hoe je beschrijft wat je ziet. Ze kent haar schilders.

Een van de gruwelijkste oorlogen die ooit op haar continent gewoed hebben is de oorlog tussen Argentinië en Paraguay, het enige land dat, net als Bolivia, aan alle kanten is ingesloten. Die oorlog wordt in al zijn gruwelijkheid geschilderd, niet eens zozeer in dit verhaal zelf, als wel in het verhaal binnen dat verhaal, namelijk de geschiedenis van een schilder, Cándido López, omdat ze juist op die dag zijn schilderijen wil gaan bekijken in het Museo de Bellas Artes in Buenos Aires. De ik-figuur van het boek vertelt dat ze zwanger is op ongeveer dezelfde pagina als waarop ze verslag doet van een veldslag van honderd jaar daarvoor waarbij de hand van de schilder, die door een granaatscherf verbrijzeld is, moet worden afgehakt. Zijn schilderijen worden gerestaureerd en zijn op de dag van haar verhaal niet in het museum, maar de verbinding met de gruwelijke oorlog is dan al gemaakt. Terwijl ze nog steeds in de auto en in de mist zit, vertelt de hoofdpersoon het verhaal van de schilder in de tegenwoordige tijd, waardoor de impact groter wordt. Cándido López is uit de oorlog teruggekomen als een schilder zonder rechterhand, hij moet in een schoenenzaak werken, trouwt, begint zijn linkerhand te trainen: ‘In het begin maakt hij alleen misbaksels: hij moet zijn rechterhersenhelft tot leven wekken. Als hij daar eenmaal in is geslaagd, begint hij op basis van zijn oude schetsen aan een reeks olieverfschilderijen van de Oorlog van de Drievoudige Alliantie, die zijn meesterwerken zullen worden.’

Wat is er nu precies in dit tweede verhaal van de bundel gebeurd? Het heet Bedankt, Charly. Een vrouw, al dan niet dezelfde van de andere verhalen, is op die dag van de griezelige mist onderweg in haar autootje, ‘mijn privé-denkkamertje’. Ze heeft dan al verteld dat ze, wanneer ze onder druk staat, zichzelf niet in de hand heeft en dat ze een keer, toen ze zeeziek was op een schoolreisje, in het water was gesprongen terwijl haar klasgenoten hadden geroepen dat er daar haaien zaten. Ze rijdt wat doelloos rond, ‘over de Avenida Corrientes in zuidelijke richting. Ik wist niet goed waar ik heen zou gaan, maar mijn overlevingsinstinct leidt me altijd naar musea, zoals mensen in de oorlog schuilkelders in vluchtten.’

‘Ik ben een eenmansleger dat op een paar meter van de vijand beseft dat het zijn bajonet is vergeten’

Als ze bij het museum komt is er niet één schilderij van Cándido López, ze worden alle 32 gerestaureerd. ‘Een verpletterend gevoel van mislukking maakt zich van me meester. Het is maar weer bewezen dat ik niet ben uitgerust om de echte wereld aan te kunnen; ik ben een eenmansleger dat op een paar meter van de vijand beseft dat het zijn bajonet is vergeten.’

Ze gaat in het gras zitten en wat er bij haar opkomt zijn herinneringen aan een landgoed in Paraguay waar haar man 25 jaar geleden met zijn eerste vrouw was gaan wonen, samen met Charly, de broer van die vrouw. Wat opgeroepen wordt is de broeierige sfeer van het Paraguay van vandaag, maar ook van die oorlog van honderd jaar geleden die meer dan vijf jaar geduurd had en waarbij vijftigduizend doden gevallen waren. Ze overdenkt die oorlog, denkt aan het verlaten huis in de wildernis van Paraguay waar haar man en Charly wilden gaan boeren; een onderneming die, net als die oorlog, tot mislukken gedoemd was. De vriendschap tussen haar man en zijn zwager Charly, eenzaamheid en alcohol, drankpartijen op de veranda, je ziet het allemaal afsterven in de genadeloze tropische natuur die ook het decor van die gruwelijke veldslagen was, en bent dan toch weer bij Cándido López, van wie ze die dag de schilderijen niet mag zien.

Wij wel, want Mariá Gracia Chiaradia, die het boek goed heeft gelezen, heeft een video gemaakt waarop alle schilderijen die erin voorkomen te zien zijn, samen met een aantal andere schilderijen waar de schrijfster het over heeft. Het is een geschilderd gezelschap van beelden die als buren of figuranten fungeren rond en naast het steeds andere schilderij waar het in elk van de verhalen om gaat. Was dat nodig? Nee, hoogstens als welkom extra nadat je het boek gelezen hebt. Gainza had die beelden al in woorden verteld.

Sommige schilders kende ik: Courbet, Rothko, Henri Rousseau, Foujita. Van anderen, zoals Hubert Robert en Alfred de Dreux, had ik – waarschijnlijk tot mijn schande – nog nooit of alleen maar vaag gehoord. En natuurlijk heb ik ze na het lezen van dit boek opgezocht, ook al gaat het niet over die schilders als schilders, maar om hun werk als refugium, vrijplaats, als schuilkelder voor een van de meest intrigerende vrouwen die ik in fictie ben tegengekomen.

Als ik haar eigen woorden moet geloven schrijft ze ‘om iets anders te vertellen’. Wat mij betreft is dat gelukt. Nijhoff zei het al: ‘Kijk maar, er staat niet wat er staat.’ Door wat er stond en wat er niet stond heb ik iets gelezen wat mij nog wel een tijdje zal bezighouden. De hartsvriendin uit haar jeugd, die het land verlaat om in Europa goudgeld te gaan verdienen maar haar roman nooit zal schrijven, een andere vriendin die bij een jachtpartij met een laars in de modder blijft steken waardoor ze precies in de baan van een kogel blijft staan, Rothko die na zijn zelfmoord ronddreef ‘in een rood zwembad zo groot als zijn schilderijen’. Gainza is een schrijfster die laat weten wat ze gelezen heeft, die leeft in een wereld van boeken en schilderijen en daar op een onvergelijkbare manier over vertelt. Als fictie, zoals ik denk, veinzen is, hebben we hier met een wonderbaarlijke bedriegster te maken. Ik ben er bij elk verhaal met open ogen ingetuind. Geen wonder dat ik de schrijfster en haar hoofdpersoon niet uit elkaar kon houden.

Op de eeuwige jachtvelden van het internet vond ik bij YouTube onder María Gainza, El nervio optico (Oogzenuw) een met grote liefde samengesteld panorama van de schilderijen die in het boek voorkomen, gemaakt door María Gracia Chiaradia.