Een wonderlijke heilige

Stel dat je deze roman in de boekhandel ziet liggen, wat is het op het eerste gezicht voor een boek? Op de voorkant hangt een halfontblote vrouw, voor lijk, een kruisbeeld. Het woord ‘brevier’ in de betekenis van gebedenboek met een vaste dagindeling rijmt niet met ‘slechte neigingen’, is dus prikkelend bedoeld. Een modern heiligenleven noemt de flap het, tussen haakjes ‘ironisch verteld’, nadat al verteld is dat de schelmse hoofdpersoon het product (zonder ironische aanhalingstekens) is van de kortstondige liefde tussen een marskramer en een jong meisje. Naast een heiligenleven - naast? - is het ‘een verbeeldingsvolle etnologie van het Noord-Portugese platteland rond het midden van deze eeuw eeuw’.

De uitgever doet duur met vreemd geld. Hij doet nog meer om de klant lekker te maken. Daar de aanstaande lezer de auteur met z'n moeilijke naam natuurlijk niet kent, moet deze ‘een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de jongste generatie Portugese schrijvers’ genoemd worden - jong (van 1965) en al belangrijk, dit is z'n tweede boek, dat 'ook in Italië, Duitsland en Engeland vertaald werd’. Wie het boek desondanks gaat lezen, krijgt van de auteur in een voorwoordje te horen dat de citaten aan het begin van ieder hoofdstuk uit een anonieme brochure komen, Leven en dood van José de Risso. Maar waarom vermeld dat er ook een Galicische vertaling van bestaat - het verhaal speelt toch aan de overkant van de grens, in Portugal - en dat men niet weet of die vertaling getrouw is; er is maar één pagina van over, en die geven we (de schrijver) aan het begin van het laatste hoofdstuk. Aan het begin van het laatste hoofdstuk staat niks; en op de allerlaatste pagina alleen de vermelding dat dit boek, dat zal de brochure zijn, op 9 oktober 1964 daar en daar gedrukt is. Bij de doop heeft de pastoor wijwater gemorst, op z'n rug heeft de jongen een bij tijden opspelend stigma in de vorm van een eikeblad, hij heeft zienersgaven en genezende krachten; van zijn grootmoeder leert hij de geheimen van kruiden. Een schelm is José niet, wel een rare, soms levensgevaarlijke snuiter. De roman verhaalt zijn leven van 1923 tot 1956. De plek waar hij geheimzinnig aan z'n eind komt, wordt een bedevaartplaats. Alleen al in het eerste hoofdstuk, dat conceptie, zwangerschap, geboorte en doop behandelt, worden op elf pagina’s zo'n honderd oude gebruiken en tekens van bijgeloof vermeld. Als er in de verte niet het gerommel van de Spaanse Burgeroorlog was, zou je denken met de occulte boekhouding van een middeleeuws dorp te maken te hebben dat van magie en bijgeloof aan elkaar hangt. Een weerwolf, een bloedmooie jonge Spaanse weduwe met afgesneden oor, duizenden planten met de meest bizarre namen en nog wat bizarre wonderwerken vormen te zamen een 'verbeeldingsvolle etnologie’. Een modern heiligenleven? Ongebreidelde seksuele lusten? Ironisch verteld? Voor de veronderstelling dat daar over de bergen, in het land van Gerrit Komrij, het leven nog precies zo is als zeven eeuwen geleden - 'Zo is de regel, en iedereen weet dat’ - wordt doodserieus het ene bewijs op het andere gestapeld. Magie doet wonderen, en dat is van alle tijden, moeten schrijver en uitgever gedacht hebben.