Jorge Luis Borges, De Borges bibliotheek

Een woord is een woord is een woord

Taal is noch het volledig vervulde woord, noch een lege uitwisseling van tekens, maar altijd iets van beide tegelijk. Zo is het ook in het oeuvre van Jorge Luis Borges.

Jorge Luis Borges is als prozaschrijver veel bekender geworden dan als dichter en dat is niet onbegrijpelijk. Het vernieuwende in zijn oeuvre schuilt in zijn proza, en dan vooral in het genre waarmee hij allereerst geassocieerd wordt: het type quasi-essays dat hij zelf ficciones noemde. Ze waren bijzonder, omdat ze het fantastische in de literatuur losmaakten uit het verhalende en overplaatsten naar het beschrijvende of beschouwende genre, dat meestal met wetenschap of filosofie wordt geassocieerd.

Dat was voor de lezer veel interessanter dan Borges’ poëzie, maar zelf heeft hij die laatste altijd minstens zo belangrijk gevonden. In de Nederlandse Borges-editie, waarvan zojuist een goedkope uitgave is verschenen, neemt het dichtwerk — naast de verspreide poëzie in zijn verhalenbundels — het hele vierde deel in beslag.

Toch moeten we, om achter de betekenis van Borges’ poëzie te komen, eerst terug naar een van zijn bekendste verhalen: «De bibliotheek van Babel» uit de bundel Ficciones. Borges beschrijft daarin een bibliotheek die bestaat uit een oneindige reeks identieke boekenkamers, gevuld met alle boeken die ooit geschreven zijn of geschreven zouden kunnen worden wanneer je de letters op de pagina’s systematisch zou variëren. Het merendeel daarvan is uiteraard volstrekt betekenisloos en daarmee is de orde van de bibliotheek tegelijk haar grootste wanorde. Omdat alles wat denkbaar is, ook is gerealiseerd, is alles wat begrijpelijk is onvindbaar geworden.

In een voetnoot tekent Borges aan dat zo’n bibliotheek niet eens nodig is om alle denkbare boeken te bevatten. In één boek dat alle denkbare bladzijden zou bevatten, zou die volledigheid net zo goed gerealiseerd zijn. Elk mogelijk boek zou uit een passende combinatie van bladzijden kunnen worden samengesteld. Hij had in zijn fantasie nog verder kunnen gaan en kunnen volstaan met één spatie, waarop naar believen één van de bestaande letters of tekens zou kunnen worden ingevuld. Door die invuloefening steeds te herhalen en de resultaten te combineren, zou de hele bestaande en nog niet bestaande literatuur kunnen worden geproduceerd, plus een letterlijk oneindige hoeveelheid onzin.

En daarmee zijn we opnieuw in de bestaande wereld aangeland. Wat we voor ons hebben, is niets anders dan de typemachine — en het beschreven procédé is precies datgene wat iedereen doet die schrijft: uit een eindeloze herhaling van een beperkte keuze, letter na letter, een eindeloze mogelijkheid scheppen die zich ten slotte uitkristalliseert tot één tekst. De onafzienbare bibliotheek van Babel is niets anders dan de onbegrensde vrijheid van de schrijver voor het lege vel papier, dat alleen maar een zinvol resultaat oplevert wanneer zij wordt beperkt.

Borges wordt door hedendaagse filosofen graag geciteerd, omdat hij de ideale beelden aanreikt voor wat zij op veel abstractere wijze beweren. De oneindigheid van mogelijke teks ten is, vooral voor poststructuralisten en taalfilosofen, een kerngedachte en Borges’ Babylonische bibliotheek vormt daarvan een onovertroffen metafoor.

Umberto Eco, die zich heeft ontwikkeld tot een geharnast bestrijder van de idee van een eindeloze tekstproductie met een steeds verwaterder zeggingskracht, heeft Borges daarom gevoelig afgestraft en diens alter-ego Jorge van Burgos in In de naam van de roos doen omkomen in de vlammen van zijn eigen bibliotheek. Deze filosofie — aldus Eco — heeft een formalisme omhelsd waarin alleen tekens en de combinaties daarvan een rol spelen, niet de werkelijkheid. Of beter gezegd: die werkelijkheid is zelf een teken, zoals Borges’ bibliotheek «het universum» is, waarbuiten niets meer bestaat.

Het spiegelspel tussen die twee is oneindig, maar leeg, zoals ook vrijwel alle boeken in Borges’ bibliotheek inhoudsloos zijn. Niet toevallig heeft Borges in het hart van zijn Babylonische bibliotheek een spiegel gezet. Waar de werkelijkheid ontbreekt, ontbreekt ook de rem die het eindeloze spiegelspel van de «woordmachinerie» stopzet en de taal weer iets laat zeggen dat betekenis heeft. Hoe vrijer de taal, des te groter is het gevaar dat zij met zichzelf op de loop gaat.

Ook Borges zelf stelt dat echter met enige melancholie vast, die vooral in zijn poëzie ruim baan krijgt. De eindeloosheid van wat de taal allemaal zou kunnen formuleren is letterlijk verstandsverbijsterend. «Wie alles zou lezen zou zijn verstand/ En zijn vermetele ogen verliezen», dicht Borges. Hij ziet zich verloren in wat de filosoof Hegel ooit een «slechte oneindigheid» heeft genoemd: een accumulatie waaraan nooit een einde komt en waarin het niet meer gaat om de afzonderlijke dingen, maar louter om een verzameldrift die bestaat omwille van zichzelf.

Zo is het ook met de taal. Zij kan ontspoord raken en zich in zo’n slechte oneindigheid verliezen. Maar normaal gesproken bestaat ze allereerst omwille van een werkelijkheid die wil worden uitgedrukt door een woord dat geen inwisselbaar teken is, maar iets unieks bezit waardoor het kleur, smaak en betekenis krijgt. Op zijn beurt krijgt de realiteit waarmee het verbonden raakt daardoor iets bijzonders en wordt het uitspreken van een woord een daad van liefde, misschien wel het beste weerspiegeld in de wijze waarop iemand de naam uitspreekt van wie hij liefheeft. De naam is het ene woord dat alles over die persoon zegt — maar het doet dat alleen voor de goede verstaander, want een naam op zich is even individueel als leeg. Alleen voor wie de geliefde kent, kan diens naam een vervulde naam en een ware oneindigheid worden.

Tegenover het ongebreidelde proza probeert de poëzie ieder woord tot zo’n naam te maken, maar dan één waarvan de individualiteit niet ten koste gaat van de zeggingskracht. Ze zoekt naar het ene woord dat alles zegt en anders dan Eco meent en zijn «orthodoxe» imago wil, heeft Borges dit verlangen naar de unieke zeggingskracht van de taal wel degelijk ook in zijn proza gethematiseerd. Zo laat hij in zijn verhaal «De roos van Paracelsus» deze beroemde geleerde bezoeken door een jongeman die hem vraagt een in het vuur geworpen roos met een magisch woord opnieuw te doen herrijzen. Pas wanneer de jongen weg is, neemt Paracelsus de as in zijn hand en — zo vertelt Borges — «sprak zachtjes een woord. De roos herrees.»

Het kan bijna niet anders of wat Paracelsus zei was «roos»: een woord zo krachtig dat het een werkelijkheid kan scheppen en dat bij Borges voortdurend valt wanneer het om die bijzondere verhouding van woord tot werkelijkheid gaat. Maar terwijl Borges dicht over «de roos die, zonder het te weten,/ in jouw hand haar intiemste gaven legt», laat Eco zijn roman eindigen als een negatieve spiegeling daarvan. Wanhopig onder het verlies van dit levenskrachtige woord mijmert de jonge Adson: Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus (de roos van weleer bestaat als naam, naakte namen houden we over).

Tegenover die spijt over het te prozaïsch geworden woord wakkert Borges opnieuw het verlangen aan naar het veelbetekenende woord, dat alles zegt. Wat hij in zijn ficciones moet loochenen, vindt in zijn poëzie de plaats om zich te tonen: het besef dat woorden een werkelijkheid nodig hebben waarmee ze versmelten maar die ze niet vervangen. Of beter gezegd: waarvan ze de werkelijkheid niet overbodig maken, maar juist omvatten en bevestigen.

«Als (…) de naam gelijk de vorm is van het ding,/ Dan ligt de roos in de letters van roos», schrijft Borges in het begin van zijn verhalende gedicht «De Golem». Het woord is niet een ding dat wordt uitgesproken, maar een door liefde gedragen handeling die iets doet. In dit noemen schept het de werkelijkheid die het oproept, maar waarmee het (zoals in het prozaïsche noemen) niet samenvalt. «Precies op dat moment zei de man bij zichzelf:/ Wat zou ik niet geven voor het geluk/ aan jouw zijde te zijn op IJsland/ onder de grote verstilde dag/ en het heden te delen/ zoals muziek zich laat delen/ of de smaak van een vrucht./ Op hetzelfde moment/ was de man bij haar op IJsland», schrijft Borges in een gedicht dat niet toevallig «Heimwee naar het heden» heet.

Het presente is ook het «aanwezige»: niet de eeuwig uitgestelde reflectie in het spiegelspel van tekens, maar «dit-hier», dat vol liefde genoemd wordt en daarom nabij is. Dit liefdevolle noemen is ook het woord van Paracelsus, die letterlijk «schept», en dat van Rabbi Löw (Judá León in het gedicht), de maker van de Golem: «Al smachtend naar de wetenschap van God,/ Gaf Juda Löw zich over aan het schaken/ Met letters en complexe combinaties/ En sprak tot slot de Naam uit die de Sleutel is».

Maar het is te gemakkelijk dit toverwoord probleemloos als het vervulde woord te zien, alsof proza en poëzie tegenover elkaar zouden staan als zondeval en redding. In beide genres heeft Borges steeds gezocht naar zo uitgezuiverd mogelijke taal, even precies als trefzeker. Wie zijn vroege dichtwerk vergelijkt met het latere, ziet hoe de woordomhaal daarin plaats maakt voor een noemen dat naar onomwondenheid zoekt. De veelvuldige opsommingen die in het latere poëziewerk van Borges voorkomen, lijken zelfs voornamelijk voort te komen uit het plezier van dit noemen, dat meer dan uitspreken een strelen lijkt van datgene wat benoemd wordt.

Zoals Borges zelf heeft opgemerkt, viel zijn terugkeer naar de poëzie samen met zijn blindheid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de roos, hét teken van een werkelijkheid die er is omwille van zichzelf, vrijwel steeds omgeven wordt door een zekere melancholie. Zo mijmert hij in het gedicht «De regen» over de tijd waarin hij de roos nog zag: «Wie hem hoort vallen heeft het verre heden/ herwonnen dat hem als een gunsteling/ een bloem gaf die als roos door de eeuwen ging/ en het rood, die wonderlijke kleur alsmede».

In «Een roos en Milton» schreef hij: «Ik vermag,/ zo heeft het lot beschikt, van alle bloemen/ voor ’t eerst die roos die Milton rook te noemen,/ de laatste die hij vasthield maar niet zag». Zo sluipt juist in de poëzie die de tegenwoordigheid moest herstellen, toch weer de afwezigheid binnen, zozeer dat zelfs de woorden, die nu niet meer leesbaar zijn, naast de dingen voorwerp worden van zijn klacht. Sterker nog, soms draait hun volgorde zich om en zijn het nu de woorden die uitkomst moeten brengen, wanneer de dingen dat niet meer kunnen.

Dat geldt niet alleen voor de poëzie, maar ook voor het proza, dat kennelijk niet zo «vervallen» is als eerder leek: «De onzichtbare rozen/ En de stille ontelbare schakeringen/ Van rood en goud ben ik onwaardig, doch/ Niet de Duizend en Een Nachten», schrijft Borges in «On His Blindness», opnieuw een toespeling op zijn lotgenoot Milton. Onmiddellijk daarna noemt hij ook Walt Whitman als zijn troost. Maar blijft het scheppend woord van de poëzie in de verschuivende verhouding tussen proza en het vers werkelijk ongeschonden?

Lezen we iets verder door in het gedicht «De Golem» en zien we daarin de twijfel aan het scheppend woord de kop opsteken: «De rabbi zag hem teder aan, maar ook/ Met iets van afschuw. Hoe heb ik (bedacht hij)/ Die smartelijke zoon kunnen verwekken/ En ’t ledige, wat wijsheid is, verwaarloosd?// Waarom heb ik de eindeloze reeks/ een type toegevoegd?» Het poëtische woord, dat eerder nog als een verlossing verscheen, wordt hier zijn tegendeel en de eindeloosheid ervan is niet langer een ware maar nog slechts een «slechte» oneindigheid. De schepping zet een eindeloze reeks in gang zonder vervulling.

Zelfs de roos ontkomt niet aan deze ambivalentie. In het gedicht «Wolken» noemt Borges dit symbool van nabije en vervulde werkelijkheid bijna in een adem met de spiegel, het symbool van de moedeloos makende oneindigheid en het hart van de bibliotheek van Babel: «Het beeld van je gezicht/ in de spiegel is geen moment hetzelfde./ De dag is een onzeker labyrint./ Wij zijn die gaan. De welgevormde wolk/ die oplost in het avondrood geeft aan/ wat ons te wachten staat. De ene roos/ volgt onophoudelijk de andere roos».

Dan is Borges niet ver meer van Gertrude Steins a rose is a rose is a rose, dat zowel het onuitsprekelijke mysterie van de werkelijkheid uitdrukt als de vermoeienis van een eeuwige herhaling van hetzelfde. Vervuld woord en volkomen leeggelopen woord gaan in elkaar over en zo lijkt het ook met het werk van Borges te zijn. De briljante onthulling van een betekenisloos universum gaat samen met de treurnis daarover en de nostalgie naar een vervulde taal. Proza en poëzie zijn daarvan op het eerste gezicht de respectieve uitdrukkingen, maar dragen op het tweede gezicht beide het besef van de ander met zich mee en behoeden Borges’ oeuvre zodoende voor een dubbel fundamentalisme. Taal is noch het volledig vervulde woord, noch een lege uitwisseling van tekens, maar altijd iets van beide tegelijk.

Tussen de Babylonische bibliotheek van Jorge de Burgos en het éne onuitsprekelijke woord van de poëzie bevindt zich de literatuur, waarnaar zelfs de blinde steeds weer terugkeert. Zij bevat de sprekende woorden van de taal, zonder welke geen mensheid denkbaar is. Ze is uitwisseling, want privé-talen bestaan niet, en tendeert daarmee naar de babbelende lichtheid die in evenwicht wordt gehouden door de zwaarte van het woord dat zijn betekenis vindt. Zo is zij onverwoestbaar, tegen elk vuur bestand. Zelfs de islamitische heerser Omar beseft dat, volgens Borges, wanneer hij opdracht geeft de bibliotheek van Alexandrië in brand te steken: «Het waken van de mens heeft de oneindige/ Boekenberg voortgebracht. Indien niet een/ Ervan zou resten, zouden ze elk blad/ En elke regel, ieder werk en iedere/ Liefde van Hercules, iedere les/ Van ieder manuscript opnieuw verwekken».

De Borges bibliotheek

Uitg. De Bezige Bij, ca. 1900 blz. (vier delen in cassette), € 49,50 (na drie maanden € 69,50)

_________________________________

Pockets

Kristien Hemmerechts

De tuin der onschuldigen

Drie zusters: waar hebben wij dat meer gehoord? Tuttige Judith, half-simpele Heleen en promiscuë Nora die het verhaal vertelt, zijn op weg naar Spanje om een huis als erfenis in bezit te nemen. En om dat meteen weer weg te geven aan de ongehuwde moeders waarvoor het ooit een erbarmelijk gesticht is geweest. Feministisch engagement is bij Hemmerechts nooit ver weg, maar wordt in deze roman in balans gebracht door Nora’s passies en de prachtige beschrijving van de verhouding tussen de zusters. Het drama ontplooit zich terwijl de contouren zichtbaar worden van een jeugdtrauma dat bij nader inzien weinig om het lijf had. Vooral in de eerste helft van het boek schrijft Hemmerechts intens en zorgvuldig, al verwart ze het recept voor calamares met dat voor pulpo. Bij Pandora verscheen een pocketeditie van haar roman Veel vrouwen, af en toe een man.

Rainbow Pocket, 237 blz., € 8,-

Chinua Achebe

A Man of the People

«Ons volk moet zijn deel krijgen van de nationale taart.» Met dat «volk» bedoelt Chief Nanga, cultuurminister in een West-Afrikaans land dat sprekend op Nigeria lijkt, zijn eigen clan en vooral zichzelf. Publieke fondsen zijn er voor iedereen en dat is een groot probleem wanneer het persoonlijke op Afrikaanse wijze politiek wordt. Met zijn korte roman A Man of the People legde Chinua Achebe in 1966 de vinger op de corrupte plek in zijn kort daarvoor onafhankelijk geworden land. Het is er sindsdien niet beter op geworden, maar Achebe groeide uit tot de man die de zwarte Afrikaanse literatuur een gezicht gaf. Daarvoor werd hem vorig jaar de Vredesprijs van de Duitse boekhandel toegekend. Bij Penguin verschenen verder zijn romans Anthills of the Savannah en Things Fall Apart. Mozes Isegawa, verre erfgenaam van Achebe, zag zijn Slangenkuil in een pocketeditie verschijnen bij De Bezige Bij. Chief Nanga is bij hem generaal Samson Bazooka geworden, maar het politieke credo van beiden is hetzelfde: charisma, cliëntelisme en als het moet overdonderend machtsvertoon.

Penguin Classics, 137 blz., € 15,40

Wolfgang Koeppen

Tauben im Gras

Duitsland een paar jaar na de nederlaag. München 1949, zegt de flaptekst. Koeppen beschrijft één dag in de caleidoscopische stijl van de grote-stadroman (dun uitgevallen voor het genre). Amerikanen bezetten nog altijd de stad, maar er worden weer Heimatfilms gemaakt. De lommerd blijft in trek. Vrouwen dansen met zwarte soldaten in het land waar de bordjes «unerwünscht» verdwenen zijn die thuis zijn blijven hangen (no blacks). De buren varen er wel bij (sigaretten en drank uit militaire depots), maar lynchen kunnen ze hier ook. De dag eindigt in wrange verbroedering. «Veel Amerikanen waren dol op het bierhuis. Ze vonden het fantastisch en gemütlich. De Oberländer-Kapelle speelde de Badenweiler Marsch, de lievelingsmars van de Führer.» Volgens Reich-Ranicki is Tauben im Gras (1951) een van de twintig beste romans uit de Duitse literatuur. Dat is veel eer, maar vind eens een betere Nachkriegsroman. In dezelfde uitvoering verschenen ook Koeppens Das Treibhaus uit 1953, over de oorsprong van de Bonner Republiek (st 3159), en Der Tod in Rom uit 1954, over oorlogsschuld en herinnering na de Tweede Wereldoorlog (st 3261).

Suhrkamp Taschenbuch st 2952, 237 blz., € 13,70

Penelope Hughes-Hallett

The Immortal Dinner

28 december 1817. Keats, Wordsworth, de essayist Charles Lamb en de toekomstige ontdekkingsreiziger Joseph Ritchie dineren bij de schilder Robert Haydon. Een Immortal Dinner, noteert deze direct daarop in zijn dagboek. Dat bleek onsterfelijker dan zijn schilderwerk en Penelope Hughes-Hallett reconstrueert vanuit dat document de onsterfelijke avond. Haar boek waaiert breed uit over de levensloop van de gasten, de Engels-Franse betrekkingen (Waterloo is net voorbij), de sociale crisis (armoede en werkloosheid), het weer (koud), het theaterleven (Edmund Kean is de superster), de tafelmanieren en de gebruikelijke gerechten van die tijd. De gasten twisten over Haydons half afgemaakte doek De intocht van Christus in Jeruzalem dat tegen de muur hangt. De schilder heeft er een paar bekende koppen op afgebeeld. «Lamb attacked me for putting in Newton», schrijft hij. «He and Keats agreed he had destroyed all the poetry of the rainbow, by reducing it to a prism. It was impossible to resist them, and we drank Newton’s health, and confusion to mathematics!»

Penguin Pockets, 336 blz., € 15,40

José Saramago

De stad der blinden

De stad der blinden is de meest allegorische en moralistische van alle romans van Saramago — die voor moralisme warempel niet terugschrikt. Opmerkelijk genoeg werd het in Nederland zijn grootste succes, al zal de net op dat ogenblik toegekende Nobelprijs wel hebben meegeholpen. Een hele samenleving wordt door een geheimzinnige epidemie geslagen met blindheid en dan blijkt hoe moeizaam een menswaardig samenleven moet worden bevochten. Een kleine groep overleeft en weet zijn humaniteit te bewaren. Aan het slot geeft Saramago zijn opzet prijs: «Wil je weten wat ik denk, Ja, wat, Ik denk dat we niet blind zijn geworden, ik denk dat we blind zijn, Blinden die zien, Blinden die ziende niet zien.» Het boek had Over het sociaal contract kunnen heten; zelf noemde Saramago het een Essay over de blindheid. Maar anders dan Rousseau baseert hij de samenleving allereerst op de liefde, niet op wetten en afspraken. De jacobijnen wilden ook al zoiets. Dat liep slecht af, toen en later.

Ooievaar Pocket, 304 blz., € 7,50

François Bizot

Le portail

«We zagen kantoormeisjes met haastig afgeveegde vlekken lippenstift rond hun mond. Hun gelakte nagels hadden ze afgebroken aan de stoepranden.» In 1975 is François Bizot getuige van de uittocht van de bevolking van het door de Rode Khmer veroverde Phnom Penh. De ergste verschrikkingen van de killing fields maakt hij niet mee, maar de taferelen aan de poort van de Franse ambassade zijn hartverscheurend, terwijl een correspondent van CBS intussen het Franse tafelzilver probeert te stelen. Drie jaar eerder is Bizot, als onderzoeker van het Cambodjaanse boeddhisme, enkele maanden de gevangene van de Khmer geweest op verdenking van spionage. Zijn ondervrager zal duizenden Cambodjanen de dood injagen en ten slotte als oorlogsmisdadiger worden berecht. Toch voelt Bizot bij zijn vrijlating een zekere sympathie voor deze onmenselijk rechtschapen idealist. Of hij hem vanuit Frankrijk een geschenk kan sturen? «De volledige editie van het Kapitaal van Marx», klinkt het aarzelend, «maar dat zal wel te groot en te duur zijn…» Een Nederlandse vertaling is aangekondigd bij uitgeverij Fagel.

Folio nr 3606, 440 blz., € 10,20

u

Friedrich Nietzsche

De vrolijke wetenschap

Nietzsches beroemdste tekst staat in een van zijn minst bekende boeken. «God is dood en wij hebben hem gedood», roept de «dolle mens» in fragment 125 van De vrolijke wetenschap (1882), en de twintigste eeuw heeft het hem massaal nagezegd. Net vóór de onleesbare Zarathustra, waarvan het eerste deel in het daaropvolgende jaar zou verschijnen, maar al preluderend op de thema’s die hem beroemd zouden maken, is De vrolijke wetenschap Nietzsches beste boek. De eeuwige terugkeer daagt erin, net als de «kracht» die later de wil tot macht zou worden; de banvloek klinkt over nihilisme en pessimisme en overal striemt de humor waarin Nietzsche ook zichzelf niet ontzag: «Maar zullen we de heer Nietzsche niet laten rusten? Wat gaat het ons aan dat de heer Nietzsche weer gezond geworden is?» schrijft hij in zijn later toegevoegde zelfkritische voorwoord. In zijn verzen is Nietzsche niet op zijn best, in zijn proza verslavend en om nooit meer te vergeten. Ook van zijn latere schotschrift De antichrist verscheen een goedkope herdruk.

De Arbeiderspers, 283 blz., €14,95