Een wormgat in de tijd

Peter Carey, The Chemistry of Tears. Faber and Faber, 271 blz., € 15,99

Na Parrot and Oliver in America (2010) – waarin hij Alexis de Tocqueville’s visie op de negentiende-eeuwse Amerikaanse samenleving als prille democratie ingenieus verwerkte in een spannende vertelling – heeft Peter Carey met The Chemistry of Tears weer een historische roman geschreven waarin de negentiende eeuw centraal staat. Nee, dat is maar half waar. Deze keer verweeft Carey een gebeurtenis in het Londen van 2010 met de opkomst van ‘de machine’ in de negentiende eeuw. De twee verhaallijnen lopen aanvankelijk parallel maar raken steeds meer in elkaar verstrikt, althans, dat is bedoeling van Peter Carey, de Australische auteur die al twintig jaar in New York woont en een abonnement heeft op de Man Booker Prize of een nominatie daarvoor.

Een roman over mensen en machines? Dat klinkt abstract. Heel concreet dan: de horlogiste Catherine Gehrig (42), stammend uit een Duitse familie van klokkenmakers, is conservatrice in het Swinburne Museum in Londen. De pas aangetreden Conservatieve regering wil drastisch bezuinigen op de musea. Hoe kan het Swinburne Museum het publiek nog verleiden en fondsen verwerven als de subsidie omlaag gaat, en welke rol kan Catherine daarin spelen? Een bedachtzame reactie op die Conservatieve cultuurvijandigheid wordt gecompliceerd als blijkt dat Catherine’s geheime minnaar en museum­collega opeens bezwijkt aan een hartaanval in de metro: ‘Dead, and no one told me’, een openingszin die meteen Catherine’s eenzaamheid weerspiegelt. Ze blijft ontredderd achter en verdooft zich met wodka. Een van de directeuren van het Swinburne helpt haar op zijn manier: hij geeft haar de opdracht een in ongerede geraakte negentiende-eeuwse ‘automaton’ (een mechanische zwaan) te restaureren en het journaal van de eigenaar ervan te doorgronden. Als de zwaan gerepareerd is, kan die vernuftig bewegende machine wellicht een publiekstrekker worden. En zo snijdt het mes misschien wel aan twee kanten: afleiding en troost voor Catherine en het Swinburne Museum is voorlopig uit de financiële gevarenzone.

Peter Carey wisselt de beschrijving van Catherine’s leven en werk na de dood van haar minnaar af met haar lectuur: fascinerende fragmenten uit het negentiende-eeuwse journaal van Henry Brandling, die voor zijn tuberculoze zoontje Percy naar Furtwangen in het Zwarte Woud reist. Daar werd de koekoeksklok uit­gevonden, en daar kan hij ook wellicht een mechanische eend laten maken die Percy weer blij en misschien gezond kan maken. Via Brandling (brandling bekent ‘wormgat’) creëert Carey een accuraat, spannend tijdsbeeld vol hele en halve oplichters en ‘wetenschappers’ in dienst van de magische machine. Vooral de inventieve jonge Carl, die onder veel meer dode muizen kan laten ‘opspringen’, de buitenissige Engelsman Albert Cruickshank met zijn krankzinnige rekenmachine en de Duitser Herr Sumper – die uiteindelijk geen eend maar een mechanische zwaan maakt voor Brandling – spreken zozeer tot de verbeelding dat het Catherine-deel van de roman weggedrukt wordt, waardoor The Chemistry of Tears een onevenwichtig boek wordt. Het personage Catherine blijft te zeer steken in wodka-zelfbeklag en wantrouwen, waar onder anderen haar jonge museumhulpje Amanda Snyde de dupe van dreigt te worden. De verhaalachtergrond die Carey schept voor het Londen van 2010 – stadshitte, vulkaanuitbarsting in IJsland en olie die met miljoenen liters in de Golf van Mexico lekt – krijgt nergens een dreigend of zelfs maar apocalyptisch tintje. Had Carey van Catherine een treurende ‘machine’ willen maken? Waarom raakt zij zo betrokken bij Brandlings zoektocht naar een mechanische eend? Ik heb geen overtuigende antwoorden kunnen vinden in de roman.

De discussie die Carey tussen de regels door in zijn Brandling-verhaal uit 1854 wil voeren komt wél op gang en gaat over levendige machines en levenloze mensen of, anders geformuleerd: hoe machinaal kan een mens zijn en hoe kan een machine een mens vervangen? Kan een door mensen gemaakte machine uiteindelijk het menselijk intellect aftroeven? Descartes beweerde dat dieren ‘automata’ waren. Wat zijn mensen dan? Complexe ‘chemische machines’ die toch van Vermeer en Rothko kunnen houden en in huilen kunnen uitbarsten? Brandling, wiens baan in Engeland alles te maken heeft met stoommachines en treinen, is vasthoudend als het gaat om het bemachtigen van zijn machinedier, of dat nu een eend of een zwaan is. Achter het debat over machine en mens en kunstmatig intellect – die Carey kunstig verpakt in zijn historische vertelling over machine­verslaafden – schemert een filosofisch probleem, te verwoorden met: ‘Je kunt niet zien wat je ziet.’ Wat zie je als je een doek van Rothko observeert? Rothko gaat over het raadsel van in rafelige vlakken aangebrachte kleurschakeringen en wat die kleuren en vormen kunnen doen met de beschouwer. Dat is wellicht de kern van het ‘Mysterium Tremendum’ waarover Carey het heeft in The Chemistry of Tears: ‘Je kunt onmogelijk een verband leggen tussen wat je ziet en wat je leven je heeft geleerd.’ Maar wat heeft het leven je precies geleerd, wat zie je dan echt en wie ben je vervolgens?

De kunstenaar en de uitvinder (van machines) zijn met hetzelfde bezig: uit ‘vrees voor en verbazing over het universum proberen ze een betekenis – een diepe orde – te geven aan de chaos. In het Catherine-deel van Carey’s roman komt daar veel minder van terecht dan in het fragmentarisch gepresenteerde journaal van Henry Brandling, een liefhebbende vader die zijn zoontje beter wil maken met een door mensenhanden gemaakt mechanisch eendje. Van Catherine maakt Carey te veel een machinale, materialistische en meelijwekkende huilebalk, terwijl Brandling uitgroeit tot een altruïstische Engelsman die er alles voor over heeft zijn zoon gelukkig te maken. Zijn verhaal zou meer dan genoeg zijn geweest voor een mooie Carey-novelle getiteld The Ghosts in the Machine, een potentiële kandidaat voor de Man Booker Prize.