Hans Beckers: ‘Een steen is mij even lief als een Stradivarius’ © Matteo Marangoni

William Wordsworth. Charlotte Smith. Lord Byron. Onder anderen. Voor zijn nieuwe liedcyclus Blight & Beauty dompelde componist Jan-Bas Bollen (1961) zich de afgelopen maanden onder in de Engelse, Romantische natuurlyriek. Zes gedichten selecteerde hij, die hij op muziek zette voor de Britse vocalist Elaine Mitchener en een volledig uitversterkt Ensemble Klang (Bollen: ‘Het moet echt klinken als een bandje’).

Verwacht geen zoetgevooisde, pastorale klankwereld. Het eerste lied, gebaseerd op Percy Shelley’s A Lament – (‘O world! O life! O time!’) – opent met vuige synthesizers en de gierende distortion van een Stratocaster-gitaar. In nummer vier, op een tekst van Wordsworth, walst het ensemble als een ontketende metal-formatie over een mitraillerende snaredrum.

‘Ik wil een morsige schoonheid neerzetten’, klinkt Bollens stem via de Zoom-verbinding. ‘Natuur gaat niet alleen over idyllische tafereeltjes, ze heeft ook een gevaarlijke, verwoestende kant.’

Het is medio juli. In Limburg is het water sinds enkele dagen zakkende. We tikken in op YouTube: ‘Sonitum Horarium’. Het filmpje dat boven aan de lijst met zoekresultaten verschijnt, toont een Professor Prlwytzkofsky-achtige installatie die wonderlijke geluiden voortbrengt. We zien hoe een mechaniek van tandwielen, fietskettingen en koffieschepjes zand in een elektrisch versterkte klankschaal strooit – ijl gefluit als van aangewreven kristal, maar dan vermengd met een zacht schuren.

Een ingenieuze opstelling van glaswerk lijkt weggerukt uit een scheikundelaboratorium, en laat verschillende soorten woestijnzand via flacons en kraantjes in grote trechters stromen. Variaties in diameter en korreldikte vertalen zich in verschillende gruizige toonhoogtes.

Uniek instrumentarium, opgetrokken uit natuurlijke materialen en zelf gekluste mechanica. Voor de Vlaamse componist en geluidskunstenaar Hans Beckers is het al jaren de kern van zijn stiel. Het hierboven beschreven ‘zandorgel’ krijgt binnenkort een tweede leven in zijn grootste werk tot nu toe, La floresta, een opdracht van het Haagse Instrument Inventors Initiative (iii) en het Antwerpse Champ d’Action. Andere onderdelen van de installatie zijn op het moment van schrijven in de maak: een woud van ritselende zaaddozen, tinkelende schelpen en stenen.

Muziek der elementen.

Zowel Bollens Blight & Beauty als Beckers’ La floresta is dit najaar te zien tijdens November Music, festival voor nieuwe muziek te Den Bosch. Wie door het programma van de komende editie bladert, ontwaart een zekere samenhang rond thema’s als natuur en ecologie. Neem de selectie van het Europese geluidkunst-netwerk Sounds Now die tijdens het festival te zien zal zijn. Jonge makers presenteren klankinstallaties waarin een hoofdrol is weggelegd voor bomen, planten, zwermen bijen en andere nonhuman species.

Het groene engagement van November Music staat niet op zichzelf. Met de 26ste VN Klimaatconferentie in het verschiet lijkt er zoiets als een ecologische herfst ophanden in het Nederlandse muziekleven. Op 10 september klinkt tijdens Rewire Biophonica van Evelien van den Broek, een muzikale performance voor elektronica, trompet en field recordings van bedreigde diersoorten. Thema: de schrikbarende achteruitgang van de wereldwijde biodiversiteit. De ntr Zaterdagmatinee maakt op 9 oktober ruim baan voor de première van Phoenix Reborn, het nieuwe tripelconcert van componist Tim Kliphuis: ‘muziek over klimaatverandering’, belooft de aankondiging. Op 26 en 27 oktober staat Het Concertgebouw in het teken van Symphony for the World. Natuurbeelden uit het archief van National Geographic worden twee avonden van een live soundtrack voorzien door het Groningse Noordpool Orkest.

Je hoeft deze zomer de krant maar open te slaan of je leest over een klimaatcatastrofe van ongekende omvang. Ik refereerde al aan de watersnood in Limburg, maar ik had ook kunnen schrijven over de overstromingen in Zhengzhou, de natuurbranden in Siberië, Californië en het Middellandse-Zeegebied, of de verzengende hittegolf die de Canadese westkust teisterde.

De aarde brandt, smelt en verzuipt, een situatie die het voortbestaan van zowel mens als niet-mens op niet eerder vertoonde schaal bedreigt. Zo bezien is vragen naar de recente opleving van muzikaal eco-engagement de vraag beantwoorden. En toch, muziek die de eigen tijd kritisch beschouwt is één ding. Maar dan? Welke positie neemt de maker in? Wat draagt het stuk in kwestie uit? En wat vermag een klankervaring überhaupt in een context als deze?

Hans Beckers, over die laatste vraag: ‘Door bewust te luisteren verandert je houding ten opzichte van de wereld. Ik ben ervan overtuigd dat een open, sensitieve luisterhouding je ontvankelijker maakt voor je omgeving en alles wat daarin leeft en gebeurt.’

Zijn voorliefde voor natuurlijke materialen verklaart hij vanuit een verlangen de natuur voor zichzelf te laten spreken. En ja, hij is zich terdege bewust van de paradox die in die uitspraak schuilt. ‘Natuurlijk, ik creëer als kunstenaar een artificieel frame, maar daarbinnen zijn natuurlijke materialen altijd mijn akoestische uitgangspunt. Liefst zo puur en ongepolijst mogelijk. Ik wil het geluid van het materiaal zelf laten horen, zonder het te willen perfectioneren. Een steen is mij even lief als een Stradivarius.’

Natuur en cultuur zijn een Möbiusband: tweezijdig én deel van hetzelfde vlak

Dat laatste statement mogen we letterlijk nemen. Voor La floresta werkt hij aan een lithofoon, zeg een xylofoon maar dan gemaakt uit steen. ‘Er klinken prachtige boventonen in mee’, glundert Beckers. Dat de stemming van de afzonderlijke toonhoogten zich onttrekt aan de getempereerde norm deert hem niet. ‘Daarin schuilt nu juist de charme.’

Beckers zal het instrument deels zelf bespelen in La floresta. Maar dankzij een steampunk-achtige machinerie van elektromotoren, magneetschakelaars, pendels en houten balletjes genereert het apparaat, wanneer nodig, ook zijn eigen polyritmische patronen. ‘In die zin heeft mijn werk iets cybernetisch’, zegt Beckers, ‘het is een hybride van natuur en technologie.’

Jan-Bas Bollen © Eric de Clercq

La floresta raakt daarmee aan een verhouding die in recente decennia steeds urgenter is geworden: die tussen natuur en mens. Een historische blik op die relatie legt een patroon van tegenstelling en onderwerping bloot; in ons modern-westerse denken dan toch. Natuur, dat gold lang als iets dat buiten de menselijke beschaving lag, letterlijk het tegenovergestelde van cultuur. Een domein om te temmen, om in te richten, te ontginnen. Een plek die je opzocht om te ontsnappen aan de steeds groter groeiende stad, maar die categorisch over there lag en ons niet wezenlijk aanging. Een elders.

Als de recente klimaatmalaise ons iets duidelijk maakt, dan is het het failliet van dit dualistische wereldbeeld. Een opwarmende atmosfeer, smeltende ijskappen en een stijgende zeespiegel laten zien dat ons menselijk handelen ingrijpt in de wereld – met consequenties die weer van invloed zijn op ons welzijn en voortbestaan.

Er zijn geen grenzen, enkel connecties, verstrengelingen en onvermoede feedback loops.

De Franse filosoof en wetenschapssocioloog Bruno Latour verwoordt het raak als hij in Oog in oog met Gaia (2017) schrijft over het Antropoceen, het tijdvak waarin de mens een dominante geofysische kracht is geworden: ‘Het Antropoceen attendeert ons op iets wat veel meer is dan een “verzoening” van natuur en samenleving (…) Zo’n dialectische verzoening zou alleen maar tot stand kunnen komen als vooraf een scheidslijn wordt erkend tussen het sociale en het natuurlijke. Maar het Antropoceen “overstijgt” deze verdeling niet – het loopt er in een wijde boog omheen. Overal waar we vroeger met een “natuurfenomeen” te maken hadden, komen we nu de Antropos tegen, en overal waar we de mens op de voet volgen, stuiten we op specifieke verhoudingen tot dingen, verhoudingen die voorheen tot het gebied van de natuur gerekend werden.’ Wat Latour hier eigenlijk zegt, is het volgende: concepten als ‘mens’ en ‘natuur’ laten zich niet abstraheren tot essenties die voorafgaan aan hun onderlinge relaties. Sterker, wie die relatie onder de loep neemt, ziet geen tegenstelling maar een continuüm.

Natuur en cultuur zijn als de topologie van een Möbiusband: tweezijdig en tegelijkertijd onderdeel van één en hetzelfde vlak.

Het was de Britse eco-filosoof Timothy Morton die in onder meer Ecology without Nature: Rethinking Environmental Aesthetics (2007) voorstelde om het begrippenpaar dan maar helemaal te schrappen. Zijn redenering in een notendop: in een tijd waarin we doordrongen moeten raken van onze embeddedness in een mondiaal ecosysteem is een vocabulaire van opposities niet bijster bevorderlijk. En dus introduceerde hij alternatieve termen als the mesh, een plastische metafoor voor de nauwe ecologische interconnectie van mens en niet-mens, leven en materie.

Het was tevens Morton (naast filosoof ook literatuurwetenschapper) die Jan-Bas Bollen voor Blight & Beauty op het spoor zette van dichters als Shelley, Smith en Byron. ‘Morton benadrukt dat juist die vroege Romantici een radicaal ander perspectief op de natuur ontwikkelden’, aldus Bollen. ‘Het verschil met de achttiende eeuw is enorm. In de Verlichting gold de natuur als een extern gegeven, maar voor de Romanticus is de natuur niet langer iets dat buiten hem staat. Het is een scheppende kracht die hem omringt, die ook in hemzelf werkzaam is. Hij weet zich ingebed.’

‘To her fair works did Nature link/ The human soul that through me ran’, schrijft William Wordsworth in het gedicht Lines Written in Early Spring, vertrekpunt voor het vierde lied in Bollens cyclus. Om het idee van een intieme verstrengeling nog extra kracht bij te zetten volgt een bloemrijke metafoor. Iets met een maagdenpalm die haar ranken, in gekruist rijm, door de ontluikende knoppen van een primula weeft.

Eenzelfde sensatie van verbondenheid, van ‘opgaan in’, wil Bollen oproepen in Blight & Beauty. ‘Het moet echt een immersieve ervaring worden’, zegt hij, om in één moeite door te vertellen over de op een groot scherm geprojecteerde visuals die hij voor de performance ontwerpt. Abstracte plantenmotieven. Versnelde en vertraagde groeiprocessen. Bloei en verwelking.

Muzikaal waakt hij voor een al te letterlijke verklanking van de gedichten, benadrukt Bollen: ‘Het moet geen een-op-een-relatie krijgen.’ Liever benadert hij de tekst vanuit een conceptuele invalshoek. Neem het derde lied, op Shelley’s Time, een muzikale studie in traagheid. Stokkende grooves. Log malende bassen. Zang in slow motion.

Alsof je wordt ondergedompeld in de onmetelijke tijdschalen van Moeder Aarde.