Een wulpse deerne

XANDRA SCHUTTE; Federigo Tozzi, Met gesloten ogen. Vertaling Pietha Voogd, inleiding Ronald de Rooy, Uitgeverij Goossens, 188 blz., f29,50
De meeste mensen zijn geinteresseerd in een moord of zelfmoord; maar even interessant, zo niet interessanter, is het aanvoelen en daarna vertellen van zomaar een van onze mysterieuze handelingen’, merkte de Italiaanse schrijver Federigo Tozzi (1883-1920) ergens op. Voor zijn onlangs voor het eerst in het Nederlands vertaalde roman Met gesloten ogen (oorspronkelijk gepubliceerd in 1919) gaat die uitspraak zonder meer op: Tozzi wijdt een heel boek aan de ogenschijnlijk onbelangrijke handelingen van zijn personages. En welbeschouwd zijn de gewoonste zaken een mysterie.

De geschiedenis die in Met gesloten ogen wordt verteld is in feite triviaal. Pietro, een wat wereldvreemde jongeman, blijft, eigenlijk tegen beter weten in, in de ban van zijn jeugdliefde, een eenvoudig boerenmeisje, dat, zo wordt de lezer al snel duidelijk, geenszins de ongerepte brave bruid is waar hij haar voor houdt. Zij is een wulpse deerne, ‘gedrenkt met wellust als een spons met olie’. Als hij aan het eind van de roman van zijn illusie wordt beroofd - na een anonieme brief treft hij haar in een louche huis vol vrouwen en blijkt zij zwanger - volgen nog krap drie regels. Hij valt flauw aan haar voeten, zijn verliefdheid is over. Op de achterflap wordt die laatste scene als 'aangrijpend’ gekarakteriseerd, ik vond haar, met alle respect, eerder potsierlijk.
Nee, het is onmiskenbaar niet de verhaallijn die van Met gesloten ogen een intrigerend boek maakt. Tozzi, die met Pirandello en Svevo tot de grondleggers van de moderne Italiaanse literatuur wordt gerekend, is een meester in het creeren van een geladen, broeierige sfeer en het beschrijven van de onberedeneerde innerlijke bewegingen van zijn personages. Het decor van het boek wordt gevormd door het landschap van Toscane - de wijduitstaande takken van de olijfbomen, de zwarte cypressen, de sjirpende krekels vanuit de zoetgeurende perzikbomen - en de nauwe straten van Siena. Tozzi geeft aan dit alles een zintuigelijke en sensuele lading die naadloos aansluit bij de gemoedstoestand van Pietro en de andere personages. Opmerkelijk modern is dat Tozzi het innerlijk leven van de personages zonder commentaar of duiding belicht.
Pietro lijdt onder de gewelddadigheid van zijn vader die 'zelfs de regenwolken naar beneden zou willen slaan’ en het zwakke gestel van zijn moeder. Als kind reeds is hij - daardoor - een neuroticus. Hij ervaart de dingen en de mensen om hem heen als een zware nachtmerrie waar hij geen vat op krijgt, zijn verhouding tot de wereld wordt getekend door angst. Zoals in zijn tijd als student aan de middelbare technische school: 'Urenlang zat hij met zijn hoofd tussen zijn handen en verbeeldde zich dat hij studeerde, vervuld van een angst die, als lineaalrechte lijnen, in alle richtingen werd doorkruist en doorsneden door humeurigheid en melancholie.’
Ook zijn verliefdheid op Ghisola is in angst gedrenkt. Tozzi weet prachtig de ambivalenties van de eerste liefde te evoceren: Pietro voelt zich als een magneet tot Ghisola aangetrokken, tegelijk staat het hem tegen bij haar te zijn; zijn suizende duizelingen van bekoring zijn onwillekeurig vermengd met afschuw. Op die ambivalenties krijgt Pietro in de loop van de roman hoegenaamd geen vat, hij ondergaat ze willoos. Daarnaast is hij te bevangen en schuchter om werkelijk oog voor zijn geliefde te hebben. Zij heeft maar weinig acteertalent nodig om zich als onschuldige maagd voor te doen, want Pietro heeft 'gesloten ogen’.
De nerveuze aard van de personages wordt in zekere zin weerspiegeld in de structuur van de roman. Tozzi schrijft in onregelmatige alinea’s die elkaar snel afwisselen, het perspectief verschuift onvoorspelbaar van het ene personage naar het andere, lyrische passages worden verrassend opgevolgd door weerbarstig proza. Het zijn juist de onberedeneerde belevingswereld van de romanfiguren en de brokkelige opbouw van het boek die er de kracht van uitmaken.