Een zaak van levensbelang

Chabot is psychiater en hij heeft een van zijn patienten, een vrouw van vijftig jaar die lichamelijk niet ziek was en die zeker niet in de zogeheten stervensfase verkeerde, middelen verstrekt om zichzelf te doden, te weten drie gram dextropropoxyfeenhydrochloride, negen gram secobarbitalnatrium en drie gram orfenadrinehydrochloride. De vrouw wilde na de dood van ook haar tweede zoon niet meer leven. Zij leed aan een (geestelijke) stoornis bestaande uit een depressie in engere zin, zonder psychotische kenmerken, in het kader van een gecompliceerd rouwproces.

De psychiater werd strafrechtelijk vervolgd. Rechtbank en hof verklaarden het ten laste gelegde feit bewezen, maar ontsloegen de psychiater van rechtsvervolging omdat hij in noodtoestand had gehandeld. Het openbaar ministerie bij het gerechtshof tekende cassatie aan.
Bij ieder bewezen strafbaar feit kan er sprake zijn van noodtoestand, dus ook bij hulp bij zelfdoding. Noodtoestand doet zich voor als iemand wordt geplaatst voor een keuze tussen twee niet met elkaar verenigbare handelwijzen, waarvan er minstens een een strafbaar feit oplevert. De keuze voor een op zich strafbare handelwijze is strafrechtelijk gerechtvaardigd als daardoor het meest zwaarwegende van de twee tegenstrijdige belangen wordt gediend, ook al eist dat meest zwaarwegende belang het verrichten van een daad die op zich strafbaar is. Chabot had de keuze uit de plicht van de arts tot behoud van het leven van de aan zijn zorg toevertrouwde patient en zijn plicht om als arts al het mogelijke te doen om ondraaglijk en uitzichtloos (geestelijk) lijden van zo'n patient te verlichten. Als dat laatste alleen maar kan gebeuren door deze patient te helpen sterven, is die handelwijze in strijd met artikel 294 Strafrecht: ‘Hij die opzettelijk een ander de middelen tot zelfmoord verschaft, wordt, indien zelfmoord volgt, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of maximaal vijfentwintigduizend gulden.’ Op direct actief handelen van de arts - iemand op zijn uitdrukkelijk en ernstig verlangen van het leven beroven - staat maximaal twaalf jaar of honderdduizend gulden boete, hoewel de beide strafbare feiten ethisch maar ook in hun afgrenzing heel dicht bij elkaar kunnen liggen: een dodend spuitje of het aanreiken van dodelijke middelen, dat ligt in allerlei opzichten vlak bij elkaar. Maar die feiten (ook die van artikel 294) zijn niet strafbaar als de arts daarbij in noodtoestand handelt, gewoon gezegd: als hij door te kiezen voor de plicht het lijden van de patient te verlichten - zelfs nu dat heeft geleid tot hulp aan zelfdoding - de juiste keuze heeft gemaakt.
Het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 1994 heeft als belangrijkste beslissingen:

  1. dat noodtoestand ook kan bestaan als wordt gekozen voor hulp bij zelfdoding van een patient die niet somatisch maar psychisch ondraaglijk en uitzichtloos lijdt en die niet in de stervensfase verkeert. De oorzaak of bron van het lijden kan immers niet afdoen aan de mate waarin het lijden wordt ervaren, aldus de Hoge Raad;
  2. dat ook de patient die lijdt aan een geestelijke stoornis, aan zijn verlangen om te sterven een 'autonome wilsbepaling’ ten grondslag kan leggen. Anders gezegd: het enkele feit dat iemand een psychiatrisch patient is, brengt niet mee dat er bij hem nimmer sprake kan zijn van vrije wilsbepaling. Met de eerste van deze beslissingen gaat de Hoge Raad rechtstreeks in tegen de onlangs door het ministerie van Justitie verkondigde opvatting waaraan een opdracht werd verbonden tot vervolging van artsen die hulp hadden geboden aan niet-terminale patienten. Tot drie maal toe geeft de Hoge Raad te kennen dat in geval van hulp aan psychische lijders 'uitzonderlijk grote behoedzaamheid’ geboden is bij de toetsing door de rechter of er wel noodtoestand aanwezig is. Die bijzondere behoedzaamheid brengt de Hoge Raad in praktijk door bij hulp aan de psychische lijder - anders dan bij hulp aan degene die lichamelijk lijdt - te eisen dat in ieder geval een andere onafhankelijke arts de patient ziet en onderzoekt. Dat was in de zaak-Chabot niet gebeurd; het was onvoldoende dat deze alvorens hulp te bieden vele deskundigen had geconsulteerd. Chabots beroep op noodtoestand is op die grond verworpen, maar hem is geen straf opgelegd, een mogelijkheid die sinds kort in de wet staat en die hier zeer van pas kwam om aan te duiden dat Chabot ethisch weinig of zelfs niets te verwijten viel. Een belangrijke beslissing. Zo belangrijk dat ik mij heb afgevraagd of de wetgever deze eigenlijk wel aan de rechters mag overlaten, al is het formeel zeker juist dat de vraag of er sprake is van noodtoestand typisch een vraag voor de rechter is. Ook betreur ik het in het kader van deze beslissing extra dat in Nederland de dissenting of concurring opinion van de minderheid der beslissende rechters niet is toegelaten. Een dissenting opinion wijkt (ook) in haar resultaat af van de opinion van de meerderheid; de concurring opinion wijkt alleen in haar motivering daarvan af. Het is immers amper denkbaar dat vijf rechters uit de Hoge Raad over een dergelijk probleem unaniem hetzelfde oordeel, gesteund door dezelfde motivering, hebben en het zou heel nuttig zijn op deze wijze tegenargumenten of verdergaande opvattingen te leren kennen. Zeker is dat de beslissing van de Hoge Raad, waarvan terecht is gezegd dat ze op belangrijke punten duidelijkheid schept, het de artsen en de rechters allerminst gemakkelijk zal maken. Ik zie het arrest eerder als het beginpunt van een nieuwe ontwikkeling dan als een afsluiting. Er rijzen verschillende problemen. Zo kan men bij lichamelijke ziekten spreken van uitzichtloos lijden voor zover de ziekte een voortschrijdend karakter heeft en, naar de bestaande stand van zaken der medische wetenschap, oorzaak zal worden van de dood van de patient. De artsen kunnen dat proces noch stopzetten noch ten goede doen keren. Het is, denk ik, veel moeilijker uit te maken of psychisch lijden - zo groot dat men niet meer wil leven - uitzichtloos is. Alleen al omdat het, uitzonderingen daargelaten, meestal zo is - het klinkt wat harteloos - dat verdriet slijt. Was dat niet het geval dan zouden we allemaal voor hulp in aanmerking komen. Een tweede punt: in dit soort gevallen is, wil er van noodtoestand sprake kunnen zijn, noodzakelijk dat een andere arts de patient heeft gezien en onderzocht. Die arts moet 'onafhankelijk’ zijn. Wat betekent dat precies? En vooral: als de keuze van die andere arts bij de eerste arts ligt, en daar lijkt het toch op, zal die dan niet een arts kiezen die, naar hij weet, zijn opvattingen is toegedaan? Ik zie niet in waarom hij zijn kennis daarover niet zou mogen gebruiken. De zaak-Chabot is van levensbelang, vooral ook omdat het een zaak is van louter mensen: artsen, rechters en vooral toch van de zieken, die aan de een niet minder dan aan de ander op leven en dood zijn toevertrouwd.