Een zachtaardige stamvader

Nescio, meneer Grönloh, was een ‘eenvoudig mannetje’. Het geheim achter zijn succes blijft onopgelost. Lieneke Frerichs heeft hem met veel zorg en liefde geportretteerd.

Nescio (J.H.F. Grönloh), thuis in Amsterdam, juni 1958 © Foto Ben van Meerendonk / IISG

Hoe het precies gebeurd is en wie je erin heeft geluisd is onduidelijk, maar je doet mee aan 5 tegen 5. Als je daar eenmaal staat – hand bij de grote knop, bloed beukt door je lijf, zweetdruppels prikken door de tv-make-up heen – en Ruben Nicolai of, godbetert, Gordon vraagt wie volgens je landgenoten ‘de meest typische Nederlandse schrijver’ is, dan zal één ogenschijnlijk ontkennend antwoord je gegarandeerd een hoop punten opleveren: Nescio. ‘Ik weet het niet.’

Slechts drie verhalen had Jan Hendrik Frederik Grönloh (1882-1961), de man achter dit pseudoniem, nodig om zich definitief de Nederlandse cultuurgeschiedenis in te schrijven. Zijn bundel De uitvreter – Titaantjes – Dichtertje (1918) werd voor de oorlog een cultboek en daarna een klassieke tekst, die mede door de toegankelijke, eigenzinnige stijl (plus de bescheiden omvang van 130 pagina’s) opvallend veel succes oogstte bij scholieren en jongeren. En dat nog altijd doet: dit jaar verschijnt de 46ste druk. Het werk kreeg steeds weer nieuwe generaties lezers en bewonderaars, en Nescio werd de stamvader van een reeks succesvolle literaire zonen, die zijn invloed door middel van hun eigen werk nog verder zouden verspreiden – denk bijvoorbeeld aan Theo Thijssen, Simon Carmiggelt, Gerard Reve, J.J. Voskuil, Maarten Biesheuvel en Remco Campert.

Hoe heeft Grönloh dat voor elkaar gekregen? Wat maakt zijn verhalen zo geliefd? Hebben die excentrieke eerste zinnen er iets mee te maken? Of zijn het de evocaties van de Hollandse natuur, de ‘haast visionaire landschapsbeschrijvingen’? Het feit dat de verhalen zijn ‘geschreven in gewone taal, zonder opsmuk’, de ‘doelbewuste soberheid’ en ‘lichtheid van toon’? En anders de kenmerkende ‘stemming van weemoed en melancholie en verlangen’, het ‘dubbele gezichtspunt waar Nescio het patent op heeft’ waarin ‘de verwachting om wat komen gaat en tegelijk de weemoed om wat voorbij is’ tegelijkertijd aanwezig zijn?

Die laatste suggesties komen uit de nieuwe Nescio-biografie van Lieneke Frerichs (1944), en Grönloh had zich waarschijnlijk geen betere biograaf kunnen wensen. Al veertig jaar publiceert Frerichs over de schrijver en mens Nescio, en uit de nalatenschap stelde ze eerder brievenbundels en het geliefde Natuurdagboek samen. Als kroon op al dat werk verschijnt nu een secure, goed gedocumenteerde levensbeschrijving, waarin alle opgegraven feiten zijn samengesmeed tot een overzichtelijk en gestroomlijnd geheel.

We krijgen Grönloh te zien als een ‘echte’ Amsterdammer (in het pand waar hij geboren werd zit nu de frietzaak van Lil’ Kleine), afstammend van achttiende-eeuwse Duitse migranten. ‘Grönloh’s voorvaders waren mensen uit wat toen de lagere stand heette: arbeiders en ambachtslieden. Ze hadden eerzame maar onaanzienlijke beroepen’ als ‘kersknecht en kastenmaker’; zijn vader had achtereenvolgens een hoedenwinkel en een blikslagerij. Dit is meteen de reden waarom de pientere Grönloh niet kon doorstuderen, maar op zeventienjarige leeftijd aan de slag moest als kantoorbediende. Zo begon een lange, zware dwaaltocht door het ‘dal der plichten’: zes dagen per week bracht Grönloh op kantoor door, vijftig jaar lang, hoofdzakelijk in dienst van de Nederlandsche Handel-Maatschappij, een bedrijf dat katoen exporteerde naar India.

Uit onvrede met dit dorre opgelegde bestaan ontwikkelde Grönloh belangstelling voor het socialisme, werd hij multatuliaan en raakte hij uiteindelijk bevangen door het christelijk idealisme van schrijver en wereldverbeteraar Frederik van Eeden (1860-1932). Die fascinatie hield direct verband met wat later de belangrijkste gebeurtenis in zijn leven zou blijken. In 1902 richtten zijn vrienden in Huizen een naar Walden gemodelleerde autarkische kolonie op: Tames. Deze plaats belichaamde voor Grönloh de belofte van een ander bestaan, waarin kunst en saamhorigheid van groter belang waren dan geld verdienen. De droom hield alleen niet erg lang stand: rond 1904 begon de groep al uit elkaar te vallen, en in 1907 was het echt afgelopen – de verlaten commune moest toen plaatsmaken voor burgerlijke buitenhuisjes.

Had deze mensen­schuwe nonconformist slechts één keer willen spreken om daarna voldaan te zwijgen?

Grönloh’s intense desillusie over deze teloorgang werd de motor van zijn schrijverschap. Achteraf bezien is dat nogal merkwaardig: hij is namelijk amper bij de kolonie betrokken geweest. Frerichs laat zien dat Grönloh tijdens de stichting in het Duitse stadje Rheine werkte, net over de grens, en zich alleen per post met de zaken bemoeide. Toen de spanningen in Huizen opliepen, had hij gewoon een veilige kantoorbaan en woning te Amsterdam.

Geestelijke betrokkenheid was er wel degelijk, en die kwam in 1909 explosief tot uiting. Aan een cafétafeltje schreef Grönloh in een paar uur zijn eerste verhaal over een kleurrijk groepje idealistische bohémiens: De uitvreter. Dit werd de opener van een drieluik ‘over jeugdige verwachtingen en jeugdige overmoed’, waarin verzet ten slotte ondoenlijk blijkt: ‘Gaandeweg verliezen ze hun vrijheid en hun onschuld; iedere stap die ze doen brengt ze, zonder dat ze het willen, vaster in het gareel van de maatschappij.’ De gedroomde ontsnapping uit het werkend bestaan was definitief mislukt, en al schrijvend probeerde Grönloh voor zichzelf te verklaren waarom dat gebeurd was.

Na de publicatie van de verhalenbundel werd het stil rondom de schrijver Nescio. Er begonnen mythes te ontstaan, mede door toedoen van Grönloh zelf, bijvoorbeeld dat deze mensenschuwe nonconformist, die zich moedwillig verre van de literaire wereld zou houden, slechts één keer had willen spreken en nu voldaan zweeg. Of dat hij in heimelijkheid doorschreef, zorgvuldig sleutelend totdat hij weer met een paar volmaakte verhalen naar buiten kon komen.

Frerichs laat zien dat het in werkelijkheid anders zat. Grönloh wilde wel degelijk schrijver worden, en zijn ontwikkeling was minder ongebruikelijk dan je op basis van het bovenstaande zou vermoeden. Als jongen dweepte hij met de romantische verzen van Kloos, en naast Multatuli las hij vertellers als Couperus, Dickens en Cervantes. Voor zijn twintigste werkte hij al aan geëngageerde toneelstukken, kort daarna volgde de klassieke aanzet tot een autobiografische roman. Dat hij pas jaren later debuteerde was niet uit principe, maar simpelweg omdat het daarvóór niet lukte. Ook na de publicatie van de verhalen deed Grönloh nog verscheidene pogingen om romans en nieuwe novelles te schrijven, zonder veel succes. Hij bleef ‘auteur-met-maar-één-boekje’ en ‘halve artiest’ tegen wil en dank.

Wat Frerichs doet zou je een heel zachtaardige vorm van ontmythologiseren kunnen noemen. In al haar sympathie voor de man durft ze alsnog de zwakke plekken in zijn werk aan te wijzen: ‘Grönloh had de handicap dat hij maar over een beperkte verbeeldingskracht beschikte. Het lijkt wel of hij voor zijn werk kon putten uit maar één reservoir van beelden en ideeën: hij komt steeds bij dezelfde thema’s en motieven uit. Iets verzinnen buiten zijn eigen ervaringswereld kon hij eigenlijk niet. Zoals uit zijn brieven blijkt ontbrak het hem bepaald niet aan schrijftalent, maar hij had moeite om een goede vorm te vinden en ook om tot een afronding te komen: vrijwel al zijn verhalen bleven fragmenten.’ Een observatie die meteen verklaart waarom de overgebleven teksten uit het kort voor Grönloh’s dood gepubliceerde Boven het dal (1961) allemaal aanvoelen als variaties op het voorgaande.

Dergelijke kritiek wordt je meestal niet in dank afgenomen. Toen Arie Storm in 2018 provocatief concludeerde dat Nescio ‘toch een beetje een prutser’ was, in Het Parool nota bene, viel heel Amsterdam met een internetverbinding (inclusief Annabel Nanninga) over hem heen. Decennia eerder wees Jeroen Brouwers al op ‘de neiging tot grenzeloze overschatting en dus vertekening der ware proporties’ als het om de ‘kleine grootheid van Nescio’ gaat – zijn schotschrift De Nieuwe Revisor (1979) werd er alleen maar controversiëler door. Nu lijken Frerichs’ conclusies hen in de kaart te spelen: een groot kunstenaar, oftewel iemand die onophoudelijk zoekt naar nieuwe vormen om zijn belevingswereld in uit te drukken, een eigen stijl perfectioneert en een rijk, veelkantig oeuvre opbouwt, iemand die in en voor zijn werk leeft – dat was Grönloh dus niet.

Wel was hij een goed mens. Frerichs portretteert Grönloh als een man zonder zonden, een braverik die lieve koosnaampjes had voor zijn vrouw en graag wandelde door de natuur of met zijn dochters op fietsvakantie ging. Hij leidde een regelmatig, ingetogen bestaan, zelfs zodanig dat dit boek van zeshonderd pagina’s (zo’n beetje het dubbele van het bij leven gepubliceerde oeuvre van Nescio) soms wat lang aanvoelt. Maar Frerichs gebruikt die ruimte ook om bijzonder materiaal uit te stallen: de vele gulle citaten uit niet eerder gepubliceerde reisbrieven en dagboekbrieven uit de Hongerwinter behoren tot de hoogtepunten van het boek.

Het geheim van het blijvende succes van Nescio’s verhalen mag vooralsnog dan onopgelost blijven, hun schepper is nu definitief, met zeer veel zorg, in beeld gebracht. Maar in het slothoofdstuk onderkent ook Frerichs, met een bescheidenheid die past bij haar onderwerp, dat het werk van Nescio groter is dan ‘het eenvoudige mannetje Grönloh’. De schrijver vinden we niet terug in de weemoedige kantoorklerk, zijn huwelijk, voorliefdes of het doodgewone leven dat hij verder leidde, maar in de vertwijfelde, extatische 27-jarige in café Zincken, uitkijkend over het IJ, met ‘een klein zwart notitieboekje’ en een potlood voor zijn neus. Daar, aan dat ene tafeltje, is ‘tussen circa vijf uur en tien over acht’ echt iets bijzonders gebeurd.