Middas Dekkers, De larf: Over kinderen en metamorfose

Een zak vol zaad

Middas Dekkers

De larf: Over kinderen en metamorfose

Uitg. Contact, 256 blz., € 24,90

In de ogen van de 56-jarige, kinderloze bioloog Midas Dekkers is de cultus rondom kinderen een gruwel. Wat hij om zich heen kan zien, is dat paren in de westerse wereld gemiddeld op steeds oudere leeftijd steeds minder kinderen krijgen en zij zich, als de uitgestelde kinderwens eenmaal is gerealiseerd, met veel verve storten op het materiële en geestelijke welzijn van hun kroost.

De prinsjes en prinsesjes worden gestoken in modieuze outfitjes, slapen in droom kamers vol designmeubeltjes en vermaken zich in het weekend in pretparken, terwijl de ouders op cursus gaan om te leren hoe ze met al die verrassende wijsheid en ongerepte creativiteit van hun kinderen het beste kunnen omgaan. Onrus tige of onaangepaste kinderen zijn niet lastig — of misschien wel gewoon oliedom — maar heten opeens nieuwetijdskinderen of hoogbegaafd.

Met al dit getut van ouders met hun kleine wondertjes rekent Dekkers af in zijn pas verschenen boek De larf: Over kinderen en metamorfose. Op zijn bekende wijze prikt Midas Dekkers de hele mythe rond paren, baren en opvoeden door. De daad ten behoeve van de voorplanting heeft volgens hem meer van doen met een flesje wijn dan met een bewuste strategie voor een biologische wederopbouw of een romantische drang vanuit gepassioneerde liefde. Het product zelf is geen gemankeerde uitvoering van een volwassen menselijk wezen, zoals pedagogen beweren, maar slechts een larf: een jeugdsta dium dat in bouw, gedrag en milieu sterk afwijkt van het volwassen stadium, waarin het abrupt overgaat.

De ontpopping die een mens doormaakt, is volgens Midas Dekkers vergelijkbaar met de puberteitsfase. Een kind dient niet anders te worden benaderd dan als een larf, zoals in de achttiende eeuw voor het eerst werd beschreven door de vader van de biologie Linnaeus: «Een hulp stadium, een opstapje, om het tot een volwassene te brengen, een onderkruipsel. Zoals een onmondig kind zijn levenstrap moet beklimmen voor het als mens tot volle wasdom komt, zo was een insect pas na de metamorfose volwaardig.»

Opvoeden zal in Dekkers’ visie op het wordingsproces van de mens dan ook maar weinig verschil maken. Natuurlijk, stelt hij, moet je kinderen liefde, aandacht en voedsel geven, zoals een huisdier. Maar het zijn slechts randvoorwaarden: wordt iemand geboren als een rotkind, dan zal hij uitgroeien tot een vervelend mens. Alles is er al in aanleg, daar verander je als goedbedoelende ouder nauwelijks meer iets aan.

Dit geluid is niet nieuw. Binnen de nature/ nurture-discussie zoals die in wetenschappelijke kringen werd gevoerd, lag het accent in de jaren zeventig op nurture, de omgeving (de maatschappij, het onderwijs, de ouders). Als reactie daarop kwam de biologische factor, nature, weer in zwang als verklaring voor menselijk gedrag. Toch stelt Dekkers, zelfbewust als hij is, dat hij een geheel nieuw inzicht voorschotelt: «Dankzij Darwin heb je geen God meer nodig om de orde in de natuur te verklaren. In plaats van een omlaaggevallen engel bleek de mens een omhooggevallen aap. Het heeft anderhalve eeuw gekost om aan dat idee te wennen, maar nu zijn we eindelijk aan de nieuwe vraag toe: als de mens gewoon een dier is, is zijn kind dan niet gewoon een larf?»

Met behulp van uitwijdingen over insecten, vissen, slangen, apen en allerlei andere dierlijke wezens toont Dekkers zijn gelijk aan. Dat doet hij in een even onderhoudende en soms vermakelijke als irritante en vermoeiende stijl. Net als een puber eigenlijk, of — om in zijn termen te blijven — een ontpoppende larf die nog een mooie vlinder moet worden, trapt hij tegen heilige huisjes. Het hele boek leest als één grote column, weliswaar vol leuke weetjes, interessante vakkennis en gelardeerd met prachtige plaatjes, maar wel vanuit de onversneden subjectieve Dekkers-kijk op de werkelijkheid.

De lezer heeft een probleem als hij niet van Dekkers’ biologenhumor is gediend. Dat geldt ook voor al die vaders die sinds de feministische golf zo hun best doen hun bijdrage aan de opvoeding te leveren. Bah, hoor je hem denken als hij schrijft: «Of je nu de Libelle opslaat of de Opzij, steeds weer zie je van die kerels van een jaar of veertig met zo’n blotebillenkind op de arm verkondigen dat ze in het afvegen van snottebellen eindelijk het doel van het leven hebben ontdekt (…) Biologisch bezien is een man een zak vol zaad. Zodra het zaad op zijn bestemming is kan de zak weg.»

Midas Dekkers vindt al die moderne vaders die sjouwen met draagzakken of slepen met maxicosi’s maar pathologisch. De jonge moeders, de kinderen van de tweede feministische golf, krijgen ook een sneer. In een commentaar op zijn boek zei Dekkers: «Ik had gedacht dat met de pil de blinde drang tot voorplanting zou zijn afgelopen. Want het feministische ideaal luidde altijd: de vrouw moet zich bevrijden van de man. Ze bedoelden in feite: de vrouw moet zich van het kind bevrijden. Want dat is de echte handenbinder. Maar tot mijn stomme verbazing is het baren gewoon doorgegaan. Biologisch gezien is het onverstandig om een kind te krijgen. Het is een aanslag op je vrijheid als individu, op je gezondheid, je tijd. Je wordt kwetsbaarder. Als individu ben je beter af zonder kind.»

De verdienste van De larf is ontegenzeggelijk dat het boek nuchter laat zien hoe de mens net als een dier een metamorfose ondergaat. Maar dat zo’n proces gepaard kan gaan met verrijkende verworvenheden als onvoorwaardelijke liefde en altruïsme laat Dekkers geheel buiten beschouwing. En is het biologisch gezien voor ouders niet een geruststellende gedachte dat je op je sterfbed weet dat je met het doorgeven van je erfelijke materiaal als individu onsterfelijk bent?