Kunst en vernieuwing De geesteswetenschap

Een zebravis met twee hoofdjes

José van Dijck, decaan geesteswetenschappen in Amsterdam, en Rob Zwijnenberg, hoogleraar kunstgeschiedenis in Leiden, willen een meer zelfverzekerde houding van geesteswetenschappers.

IN PLAATS VAN een foto van zijn vrouw Patricia draagt de Canadese filosoof Paul Churchland een scan van haar hersenen bij zich. Als gedreven voorvechter van het eliminatieve materialisme beschouwt hij geestelijke verschijnselen als geloof, hoop en liefde als constructies van de fantasie. Het wezen van de mens bestaat louter uit het brein en de interacties tussen neuronen daarin, meent hij. Geloven in een menselijke geest is hetzelfde als geloven dat de aarde plat is. Vandaar de hersenscan van mevrouw Churchland in zijn portefeuille.
De ironie is dat de daad waarmee deze neurofilosoof romantici een beetje wil jennen tegelijkertijd als een hyperromantische liefdesuiting kan worden beschouwd. ‘Churchland zegt dat die hersenscan meer laat zien wie zijn vrouw is dan een foto. Daarmee romantiseert hij die hersenscan’, zegt Rob Zwijnenberg. José van Dijck reageert: 'Dan denk ik meteen aan Thomas Mann, natuurlijk. De passage waarin tbc-lijder Hans Castorp de röntgenfoto bekijkt van de medepatiënte op wie hij verliefd is. Hij belandt op een roze wolk van verliefdheid dankzij die foto, want hij kijkt naar haar innerlijk. Hij houdt die foto jaren bij zich in zijn portefeuille.’ Zwijnenberg: 'Ik vind het knap hoe Mann zo'n röntgenfoto feitelijk erotiseert. Het is een erotische ervaring dat Castorp in de borstkas van zijn geliefde kan kijken.’
Het dialoogje tussen Van Dijck en Zwijnenberg is typerend voor de wijze waarop zij het debat met andere wetenschappelijke disciplines willen aangaan. José van Dijck, decaan van de faculteit geesteswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, en de Leidse hoogleraar kunstgeschiedenis Rob Zwijnenberg zijn beiden geporteerd voor een meer offensieve, zelfverzekerde houding van geesteswetenschappers, die het publieke debat over de grote maatschappelijke kwesties nu te veel overlaten aan spraakmakende vertegenwoordigers van de natuur- en sociale wetenschappen. Zwijnenberg: 'De geesteswetenschappen bestaan uit een aantal oude, eerbiedwaardige vakken, die onmisbaar zijn om het menselijk bestaan te duiden. Ze hebben een lange traditie in het filosoferen over het goede leven, over moraliteit en ethiek. Ze hebben kennis over hoe samenlevingen en mensen zich historisch, ethisch, cultureel, religieus hebben ontwikkeld. Dat is allemaal nuttige kennis. Helaas blijft die nu te veel binnen de eigen wereld van de geesteswetenschappen.’
Een minder gedistantieerde houding van de geesteswetenschappen tot de dagelijkse actualiteit was een van de nevendoelen van Transformaties in Kunst en Cultuur, een project onder de vlag van de NWO, de organisatie die wetenschappelijk onderzoek aan Nederlandse universiteiten stimuleert en financiert. Van Dijck en Zwijnenberg zijn daarbij betrokken. Het onderzoeksprogramma, gestart in 2002, zet het zoeklicht op de invloed die mondialisering, commercialisering en technologisering uitoefenen op de kunsten en op hun relatie met de wetenschap. Het project moest nieuwe theorievorming over dit onderwerp stimuleren, mede om te tonen dat de geesteswetenschappen in de moderne tijd maatschappelijke relevantie hebben.
Die boodschap heeft volgens hen nog niets aan urgentie ingeboet. Van Dijck: 'Neem hersenscans. Veel informatie die de nieuwste scans opleveren is nog niet precies te duiden. Is het dan niet vreemd dat een verdachte in de rechtszaal als crimineel kan worden aangemerkt omdat op zijn scan ergens een geel blokje zichtbaar is? Dát zijn de kritische vragen die geesteswetenschappers moeten stellen.’
En die hersenwetenschappers niet zullen stellen?
Zwijnenberg: 'Een collega als hersenonderzoeker Dick Swaab verklaart met veel aplomb dat wij, mensen, onze hersenen zijn. Dan komt er nauwelijks weerwerk. Wij zijn uiteraard méér dan onze hersenen. Wij zijn ook ons lichaam, onze geest. Swaab presenteert zijn stelling zonder een spoor van twijfel of relativering, als de enige en laatste waarheid, en dan krijgt hij heel weinig tegenspraak van geesteswetenschappers. Waar zijn zij toch?’

EEN GROTERE 'methodologische openheid’ was een van de doelen van het project Transformaties. Weg met de schotten tussen de verschillende disciplines in de geesteswetenschappen. Met zo'n eigentijdse methodologie zouden de geesteswetenschappen ook weer aan maatschappelijke relevantie kunnen winnen. Van Dijck: 'Bij de start van dit project waren geesteswetenschappen meer dan nu een soort voetnoot bij andere wetenschappen. De genomics kwamen op, het genetisch systeemonderzoek, en o ja, dat had ook een ethische dimensie. Dat deden geesteswetenschappers dan wel. Een verplicht nummer, in de sfeer van: kunst, omdat het moet. Ik denk dat het nu anders is. In 2001 kwam mijn nieuwe collega van informatica naar mij toe, een hardcore informaticus die bezig was met het verfijnen van zoekmachines om plaatjes uit digitale archieven te herkennen. Dat is een techniek waarbij beelden worden vertaald in specifieke algoritmes. Hij zei me dat hij om die technologie te ontwikkelen moest weten wat de formele kenmerken van genres zijn. Anders kon hij geen algoritmes bedenken die bepaalde beelden herkennen als een melodrama of als een western. Daarom kwam hij bij de geesteswetenschappen terecht.’
Dat was tien jaar geleden.
Van Dijck: 'Om een stap verder te zetten: voor het volledig doorgronden van een digital game heb je de alfa- én de bèta- én de gammawetenschappen nodig. Alle drie. Want je moet niet alleen veel weten over narratieve structuren, dus over de constructie van verhalen, maar ook over techniek. En je moet ook nog eens veel weten over de psychologie en de mogelijke reacties van potentiële gebruikers, mede afhankelijk van omgevingsfactoren. Inhoud, techniek en gebruik grijpen in elkaar. Wie dat doorgrondt kan zien hoe ingenieus games in elkaar zitten. De verhaalstructuur van games wordt helemaal bepaald door de techno-economische logica, om het zo te noemen. Het is uit economisch oogpunt het slimst om de technologie die voor een bepaalde game nodig is in fases aan te bieden. Dus eerst nieuwe hardware, dan nieuwe software en vervolgens allerlei nieuwe pakketten die je via internet kunt bestellen. Die logica brengt de producent ertoe de narratieve structuur van zo'n game in deze techno-economische logica in te passen.’

HET PROJECTPROGRAMMA onderkende de noodzaak een vruchtbare intellectuele omgeving te creëren die recht doet aan de interdisciplinaire gerichtheid en brede nieuwsgierigheid van nieuwe generaties, schreef u beiden in de brochure van het onderzoeksproject. Dat is dus gelukt?
Van Dijck: 'Geesteswetenschappers realiseren zich meer dan vroeger dat de digitalisering zeeën van mogelijkheden voor hen opent. Archeologen of kunsthistorici slaan hun gegevens in digitale bestanden op en maken ze voor zoekmachines herkenbaar, om dan verbanden te kunnen leggen en patronen te herkennen die vroeger nagenoeg ontraceerbaar waren. Historici en letterkundigen aan mijn faculteit kunnen met een druk op de knop zien welke woorden tegelijkertijd en hoe vaak voorkomen in de bijbel en in de middeleeuwse editie van Van den vos Reynaerde. Vroeger zouden die verbanden voor hen verborgen zijn gebleven, tenzij zij ieder twee mensenlevens de tijd zouden hebben gehad.’
Zwijnenberg: 'Bij promovendi bespeur ik zonder meer de bereidheid om over de grens van hun eigen discipline heen te kijken. Ik breng geesteswetenschappelijke en natuurwetenschappelijke studenten samen. Een kunstenaar geeft dan les aan wetenschappers die in een laboratorium werken en tegelijkertijd zijn mijn studenten kunstgeschiedenis bereid zich vergaand te verdiepen in genenonderzoek en DNA.’
Is dat het verschil tussen uw generatie en de generatie die is opgegroeid met computers en andere techniek die de wereld openlegde?
Zwijnenberg: 'Het is preciezer om het te duiden als een cultureel fenomeen dan als een verschijnsel van een nieuwe generatie. In die zin dat technologie niet iets is wat buiten ons staat, als een hulpmiddel waarmee we handige dingen kunnen doen. Technologie vormt een integraal deel van onze cultuur. Dat ervaren we niet meer als bedreigend. Dat geldt zeker voor de generaties die deze technologie volledig in de vingers hebben.’
Dat logenstraft het pessimistische beeld dat de technologie ons steeds meer gaat beheersen. Het is andersom. De generatie van nu beheerst de technologie, op een manier waarop oudere generaties jaloers zullen zijn.
Van Dijck: 'Ja, hoewel ik daarbij meteen een aantekening maak, want ik ben een techno-criticus. Tot techniek moet je een kritische distantie bewaren, juist om haar te kunnen beheersen. Neem de omwentelingen in het Midden-Oosten. Ik las nogal eens dat Facebook die revoluties heeft veroorzaakt. Dat vind ik een domme conclusie. Met een hamer heb je nog geen oorlog. Facebook was een instrument in handen van krachten die zich al lange tijd samenbalden om een overleefd regime ten val te brengen. Het is een vorm van techno-utopisme om te zeggen dat Facebook revoluties kan veroorzaken, zoals het een vorm van techno-cynisme is om te zeggen dat Facebook louter een commerciële onderneming is waarmee je niets te maken moet willen hebben. Een techno-kritische houding vergt dat je je verdiept in een nieuwe techniek en deze uiteenrafelt, om de commerciële, de culturele en de politieke invloed van die techniek te doorgronden.’

EEN VAN de doelen van het project was een samenwerking tot stand te brengen tussen kunstenaars en natuurwetenschappers. Met de kracht van hun verbeelding kunnen kunstenaars de ethische dilemma’s zichtbaar maken die nu in de theorie van natuurwetenschappers uit het zicht blijven. 'Ik heb gemerkt dat natuurwetenschappers doorgaans zeer gevoelig zijn voor kritiek’, zegt Zwijnenberg. 'En dat is niet onbegrijpelijk. Zij staan onder druk van het imago dat zij zich in hun theorieën verliezen en een beperkt blikveld hebben voor de morele implicaties van hun werk. Zo ziet de buitenwereld hen vaak, als gevoelloos. Mijn invalshoek is dat het goed is vanaf het begin te filosoferen over de mogelijk negatieve kanten van hun werk, juist ómdat zij hun ontdekkingen later graag toegepast zien in de dagelijkse werkelijkheid. In een laboratorium worden voortdurend ethische grenzen verlegd, door wetenschappers die dat recht opeisen omdat ze menen dat hun werk de wereld vooruit zal helpen. Dat kan ook heel goed zo zijn, maar met het oog op al die ambiguïteiten kan het geen kwaad een kritische buitenstaander met de verbeeldingskracht van een kunstenaar in dat soort projecten te betrekken. Mede daarom breng ik kunstenaars letterlijk het laboratorium in, iemand als de Amerikaan Adam Zaretsky. Hij noemt zich een biokunstenaar, dat wil zeggen dat hij met levende materie werkt. Met hem ben ik betrokken bij een groot onderzoeksproject naar biosolar cells, levende cellen die worden gebruikt voor het ontwikkelen van zonne-energie. Dat project is vergeven van de morele vragen.’
Van Dijck: 'Ik heb inmiddels een paar promovendi onder mijn hoede die uit de kunsten voortkomen en enorm geïntrigeerd zijn geraakt door wat de wetenschap met kunst kan doen. Een ervan was ballerina bij het Turks nationaal ballet. Zij liep toen ze 23 was een knieblessure op en ging toen studeren. Ze promoveert op de rol die digitale technologie in dans kan spelen. Er is een heel nieuwe vorm van dans ontstaan dankzij softwareprogramma’s, waarbij dans en computer elkaar over en weer beïnvloeden. Bewegingen worden uitgelokt door beelden die zijn gegenereerd door computers en omgekeerd, die bewegingen lokken weer beeld uit.’

EEN VAN de vragen in het onderzoeksproject is in hoeverre nieuwe technieken onze opvattingen over creativiteit, professionaliteit en de aard van het kunstenaarschap beïnvloeden.
De interessante kunst, werk dat de tand des tijds doorstaat, is de kunst die een of andere vorm van kritiek uitoefent.
Zwijnenberg: 'Wat maakt kunst tot iets wat méér is dan een prettig, esthetisch commentaar bij de actualiteit, een mooi plaatje? Dat is steeds moeilijker te definiëren. Tot zijn kern teruggebracht gaat het om de vraag hoe kunst in de samenleving nog een tegenkracht kan zijn. Kunst is een specifieke kritische factor in het cultureel bewustzijn die we volgens mij niet kunnen missen. Kunstenaars moeten méér doen dan alles in de maatschappij wat fraaier van aanzien maken en daardoor gesmeerder laten verlopen. Kunst wordt dan een beetje plat, gereduceerd tot louter schoonheid.’
Onschuldig gemaakt.
Zwijnenberg: 'Ja, onschuldig gemaakt. Zaretsky probeert een embryo van een zebravisje twee hoofdjes te geven. Daarmee stelt hij de gevaarlijke vragen waarvan de levenswetenschappen doortrokken zijn, over eugenetica bijvoorbeeld, maar die zonder ingrepen van een kunstenaar als hij altijd op de achtergrond zullen blijven. Zaretsky stelt ze open en bloot aan de orde.’
In het project is gekozen voor de drie grote thema’s technologisering, commercialisering en mondialisering omdat het drie met elkaar samenhangende tendensen zijn. Ik kan me voorstellen dat de effecten die zij op het kunstenaarschap uitoefenen ook in elkaar grijpen.
Van Dijck: 'Kunstenaarschap en wetenschap kunnen soms ineenvloeien. Een van de promovendi in het deelproject over digital games heeft een theoretisch proefschrift geschreven over de principes van gaming. Hij is gaandeweg eigenlijk kunstenaar geworden. Hij exposeert van Amerika tot Amsterdam, geeft les op de Rietveld Academie. Ik weet niet of hij zichzelf liever kunstenaar noemt, dan wel wetenschapper of projectorganisator. Nog mondialer opererende kunstenaars dan deze promovendus kan ik me niet goed voorstellen. Grenzen noch talen vormen enige belemmering. Waar hij werkt of exposeert is secundair aan wat hij doet. Zo brengt hij zijn kennis de wereld rond. Deze onderzoeker staat model voor een nieuwe generatie kunstenaars. Allerlei kunstuitingen beginnen tegenwoordig als internationale projecten en worden ook in allerlei landen uitgevoerd. Het is ook vanzelfsprekender dan vroeger en eenvoudiger uitvoerbaar, zeker met digitale media.’
Zwijnenberg: 'Misschien kijken we hier in de toekomst van de geesteswetenschappen en hebben we te maken met een nieuwe generatie onderzoekers, aan wie we nog wat moeten wennen.’
Van Dijck: 'Sommige promovendi begeven zich in totaal commerciële circuits, zonder ook maar iets van hun kritische zin prijs te geven. Zo schreef een andere onderzoeker een proefschrift over blockbustergames, ontwikkeld en uitgegeven door commerciële giganten als Sony. Dat soort games houden hun klanten als het ware gevangen in cycli van nieuwe aankopen. Je kunt zo'n game net zo goed weggooien als je niet in zo'n cyclus meegaat. De innovatie is dus niet zo zeer technologisch gemotiveerd, als wel commercieel. Die games moeten voortdurend geld binnenbrengen. Over zo'n fenomeen kun je alleen een kritisch proefschrift schrijven na een diepgaande analyse van de economische aspecten van gaming. Die spellen moet je dan ook tot in de details beheersen. Ik heb een keer een avond met hem meegedaan, met zo'n oorlogsspel waarin je allerlei militaire strategische posities moet innemen en dito beslissingen nemen. Daar weet hij ook alles van. Het is niet helemaal verwonderlijk dat hij een keer gevraagd werd de top van het Nederlandse leger, van de luchtmacht, landmacht en de marine uit te leggen hoe die games werken. Dat uiteenrafelen kan hij óók met de commerciële technieken van de uitgevers. Als journalist gaat hij naar pr-bijeenkomsten van grote gaming-bedrijven. Sony nodigt een journalist wel uit, een kritische wetenschapper zeker niet. Hij stelt zich als het ware bewust als pion in die industrie op, zonder zichzelf als wetenschapper te verloochenen.’

COMMERCIALISERING, technologisering en mondialisering hebben in de politieke sfeer een harde tegenbeweging in gang gezet, in de vorm van het populisme. Populisme keert zich ook tegen de kunsten. De ironie is dat het project laat zien dat de kunsten juist behulpzaam kunnen zijn voor een beter begrip van commercialisering, technologisering en mondialisering.
Is dat geen uitgelezen kans voor de kunsten om uit die agressieve sfeer te komen?
Zwijnenberg: 'Mijn les uit het programma is ook dat kunstenaars zelf meer zouden moeten nadenken over de eigen, specifieke inbreng van de kunst in het politieke debat. In het debat over terrorisme kan de kunst bijvoorbeeld het unieke beeld inbrengen van wat oorlog is. De verbeelding van oorlog wordt nu gedomineerd door de media, die een nogal eendimensionaal, uniform, tijdgebonden beeld geven. Kijk dan eens naar de serie etsen die Francisco Goya over de gruwelen van de oorlog heeft gemaakt. Hij geeft met artistieke middelen een uitbeelding van oorlog die uitstijgt boven de specifieke tijd en plaats.’
Kunst is in staat om een incidentele gebeurtenis een universele betekenis te geven.
Zwijnenberg: 'Ja, dankzij de specifieke meerwaarde van kunst dat zij een vorm van esthetische representatie is. Kunst geeft niet louter een illustratie van een gebeurtenis, zoals een persfoto, maar betrekt de toeschouwer ook in de vraag wat die gebeurtenis verbeeldt. Een kunstenaar, of het nu een schrijver, een fotograaf of een filmer is, kan een verhaal indringender vertellen dan iemand die in zijn vak aan allerlei strenge, objectiverende conventies is gebonden. Het debat over de verbeelding van de holocaust vind ik typisch een artistiek debat met een politieke en maatschappelijke lading. Auteurs als Paul Celan en Primo Levi hebben dat debat geëntameerd. Later heeft het een vervolg gekregen in het dispuut tussen de regisseurs Steven Spielberg en Claude Lanzmann, de maker van Shoah. Naar aanleiding van Spielbergs Schindler’s List verweet Lanzmann zijn Amerikaanse collega dat hij de holocaust heeft veranderd in een filmgeschiedenis met een happy end. Spielberg op zijn beurt prees Shoah als een briljante documentaire, maar wel voor een klein publiek. Dankzij Schindler’s List zouden meer mensen volgens hem ook naar Shoah gaan kijken. Elk op zijn eigen manier dragen beide films bij aan de strijd tegen het grote vergeten, zei hij.’
Wat kunnen kunstenaars zelf doen om hun relevantie duidelijk te maken?
Zwijnenberg: 'Niet geforceerd leuke, mooie en risicoloze beelden gaan produceren of op andere wijze bij het grote publiek in het gevlij proberen te komen. Kunstenaars moeten ook eten, dus dat ze op de vraag uit de markt letten is geen schande, mits ze hun eigen kritische functie maar in het oog houden. Het kritisch potentieel van kunsten is voor iedereen waardevol. En kritisch betekent niet per se dat je ergens vóór of tegen bent. Het betekent dat je er geëngageerd over nadenkt.’
Van Dijck: 'Geëngageerd en analytisch.’