Luuk van Middelaar

In juni 2020 ontfermt de Europese Commissie zich over de aankoop van coronavaccins. De EU-lidstaten mogen dat niet langer op eigen houtje doen. Waar, wanneer en door wie dat besluit precies is genomen, is eigenlijk niet te achterhalen, stelt Luuk van Middelaar in zijn kroniek van de coronacrisis, Een Europees pandemonium. Hij schrijft in een noot:‘Denkelijk is de zaak tussen 13 en 17 juni in enkele telefoons tussen Berlijn, Parijs, Den Haag, Rome en Brussel beslist.’

Zo krijgt de Europese Commissie een belangrijke rol op een toneel waarop ze eigenlijk helemaal niet mag verschijnen. Want gezondheidszorg is volgens het Verdrag, waarin de spelregels van de EU zijn vastgelegd, een nationale bevoegdheid. Deze Europese machtstoe-eigening buiten de boeken om illustreert een gedachte die de Leidse en Leuvense hoogleraar in De nieuwe politiek van Europa(2017)al uitwerkte: de EU maakt een omwenteling door van regel- naar gebeurtenissenpolitiek. De grondleggers van de Europese integratie wilden politieke conflicten ontmijnen met juridische regelpolitiek. Zo leidden ze ‘de voor Europa fatale overmaat aan politieke passie na 1945 in veiliger banen. Ambtelijke taaiheid, traagheid en saaiheid als oorlogsremedie, een briljant idee.’

Europa kreeg de vorm van een regelmachine. De verordeningen en richtlijnen die de Brusselse bureaucratie uitspuwde, presenteerde ze niet als uitkomst van politieke keuzes maar als de door experts bedachte optimale oplossingen voor technische problemen.

Maar regelpolitiek volstaat niet als de geschiedenis zijn staart roert. Aan even ingrijpende als onverwachte gebeurtenissen geen gebrek: het omvallen van een bank aan de andere kant van de oceaan dreigde in 2008 de hele Europese economie de dieperik in te zuigen. Het bijna failliete Griekenland leek in 2010 het fundament onder de gezamenlijke Europese munt weg te trekken. Meer dan een miljoen vluchtelingen stonden in 2015 voor de poorten van Europa. En in 2020 zaaide een virus dood en verderf. Telkens moesten Europese politici in grote haast een antwoord vinden op een nieuwe crisis die zich niet liet bezweren door het toepassen van bestaande regeltjes. Nieuw was ook dat ze hun politieke vindingrijkheid moesten bewijzen voor een veeleisend publiek. Terwijl de regelpolitiek de burger buitenspel plaatste, vroegen de grote gebeurtenissen die de Europeanen in hun dagelijks bestaan troffen om politici die hun verantwoordelijkheid namen en die de burgers overtuigden dat ze het juiste deden.

Uit de monden van uiteenlopende figuren als Thierry Baudet en Joris Luyendijk valt op te tekenen dat Europa een gemeenschappelijke publieke ruimte ontbeert. Er is geen forum waarop politici voor een gezamenlijk, Europees publiek hun keuzes voor het voetlicht kunnen brengen. Dat doen ze elk apart voor een nationaal publiek, in de eigen media en de eigen taal. ‘Soms beweert men dat er geen Europese publieke ruimte zou bestaan omdat we niet één taal spreken. Dit is onzin. Applaus, goal of fluitconcert begrijpt iedereen’, werpt Van Middelaar tegen. Een gemeenschappelijk Europees publiek dat soms fluit en dan weer klapt, is naar zijn overtuiging dankzij Covid-19 verder vormgegeven. ‘Wat de coronacrisis politiek spannend maakt, is dat het publiek als eerste de bestrijding van de pandemie als onderdeel van de Europese res publica beschouwde – vanwege de grensoverschrijdende snelheid van het virus, de desastreuze lockdown van de economie, en de beangstigende bedreiging van ieders gezondheid’, schrijfthij.

Het zijn de burgers die de eer toekomt te hebben ingezien dat Covid-19 een grensoverschrijdend probleem is dat om een Europees antwoord vraagt. Toch is het niet zo dat Van Middelaar de lezer per se overstelpt met bewijs van deze prikkelende stelling. Hij beschrijft dat de coronacrisis aanvankelijk juist leidde tot een nationalistische reflex, waarbij politici probeerden beschermingsmateriaal voor eigen bevolking en medisch personeel veilig te stellen. Het waren de burgers die in het gat sprongen dat politici lieten vallen en het zelfbeeld van de Unie als solidaire gemeenschap redden, claimt Van Middelaar.

Om dat te staven, draagt hij aan dat ziekenhuizen zich ontfermden over patiënten van over de grens. Nogal anekdotisch. Evengoed had hij kunnen vertellen dat de verwijten in de Zeeuws-Vlaamse grensregio over en weer vlogen. In het voorjaar van 2020 maakten de Vlamingen zich in het pal op de grens gelegen dorp Koewacht druk over de Nederlanders die het waagden hun brood te halen bij de bakker die aan de Vlaamse zijde ligt. ‘Die Hollandse mensen bij u in de winkel maken de Vlamingen ziek’, zei een plaatselijke politieagent tegen de bakker. ‘De spanning loopt op, want veel Nederlanders vragen zich af waarom de Belgen niet in eigen land blijven’, wist Jan Lonink, de burgemeester van Terneuzen, in november 2020.

Of het nu aangevuurd door verlangens van de burger is of niet, de Europese leiders overwonnen hun nationalistische reflex en gaven een Europese strategie vorm. Voorzitter van de Europese Commissie Ursula von der Leyen trok het initiatief voor de inkoop van mondkapjes en vaccins naar zich toe. Bondskanselier Angela Merkel zag in dat het Duitse taboe op gezamenlijke Europese schuldfinanciering in het licht van deze crisis van tafel moest. Dat zij over haar schaduw sprong, legde de basis voor het coronaherstelfonds van 750 miljard euro. Toen de Europese leiders daarover na een lange top op 17 juli 2020 een akkoord bereikten, kregen ze, stelt Van Middelaar, ‘goede recensies van het publiek’. De lezer moet het maar op zijn gezag geloven, want voorbeelden van lovende besprekingen door Europese burgers geeft de auteurniet.

Al kan het publiek de Europese leiders uitfluiten, een mogelijkheid daaraan consequenties te verbinden heeft het niet. In nationale democratieën stemt het volk als het niet tevreden is op de oppositie. Maar in de EU bestaat er geen heldere tegenstelling tussen de regering en de oppositie. In de ogen van Van Middelaar mag de Europese Commissie niet de pretentie koesteren een Europese regering te zijn, de onverkozen politici uit de 27 lidstaten die daarin zetelen hebben daarvoor niet de statuur. Als er een instelling is die een beetje in de buurt komt, is het de Europese Raad, de vergadering van regeringsleiders, waar Luuk van Middelaar als voormalig speechschrijver van voormalig voorzitter Herman Van Rompuy zelf nauw bij betrokken was. Alleen Merkel en Macron, Rutte en Orbán samen hebben het politieke gezag om beslissingen te nemen die ze voor hun thuispubliek kunnen verdedigen. Maar de Europese Raad heeft geen politieke kleur en kent geen oppositie die haar naar huis kan sturen als deze vindt dat zij heeft gefaald.

In De nieuwe politiek van Europa bekende Van Middelaar geen antwoord paraat te hebben op de vraag hoe de EU democratisch kan functioneren zónder deze basistegenstelling. ‘Het fundamentele, lang veronachtzaamde vraagstuk van de Oppositie in de Unie kan niet zomaar worden “opgelost”. Dat is hier ook niet de inzet; dit boek is geen manifest’, schreef hij. Ook in Een Europees pandemonium spreekt hij het verlossende woord niet. Wel stelt hij dat zich in de afgelopen jaren bestendige tegenkrachten hebben ontwikkeld. Zo poneert hij dat kiezers de nationale stembus benutten om af te rekenen met het Europese optreden van hun leiders. Opnieuw snakt deze lezer naar bewijs. In welk land was Europa dan een belangrijk thema bij de verkiezingen?

Saai en taai is Een Europees pandemonium allerminst, apodictisch en bij vlagen geschreven in troonredetaal wel, vooral in het slotakkoord over het geopolitieke inzicht waartoe de coronacrisis zou hebben geleid. ‘De ingrijpendste historische ervaring uit 2020 was het plotse bewustzijn van Europa’s geopolitieke eenzaamheid’, schrijft Van Middelaar. Persoonlijk denk ik dat het publiek waar hij het regelmatig over heeft, maar dat hij zelden aan het woord laat, eerder geschokt was door de ervaring alleen thuis te zitten dan door een gevoel van geopolitieke verlatenheid. Het pandemische inferno en het grootmachtengevecht hebben, stelt de filosoof en historicus, de ogen van het Europese publiek geopend voor de eigen kwetsbaarheid, en dan niet alleen van het eigen gestel, maar ook op het wereldtoneel. ‘Strategische autonomie is een eerste, noodzakelijk antwoord.’ Zelf vermoed ik dat de gemiddelde burger in België en Bulgarije zich inderdaad kwetsbaar heeft gevoeld, heeft gevreesd voor zijn baan en gezondheid, maar zich minder druk heeft gemaakt over de vraag of Europa zich wel staande kan houden in het geweld van de grootmachten.

Toch is dat in de ogen van Van Middelaar bij uitstek de les van de coronacrisis. Trumps zelfzucht heeft Europa van de gedachte afgeholpen dat we kunnen schuilen onder de Amerikaanse paraplu. China’s vermogen ons niet alleen economisch maar ook technologisch te overvleugelen en effectiever op de pandemie te reageren, heeft ons gedwongen afscheid te nemen van het idee dat de westerse, liberale democratie de enige weg is. Wil Europa niet in onbeduidendheid wegzinken, dan zal het zijn borst naar voren moeten steken en de taal van zijn medespelers moeten leren spreken, de taal van de macht. Daartoe moet het wel, erkent hij, ‘formidabele obstakels’ overwinnen. Want landen als Duitsland, Frankrijk, Nederland en Hongarije zien hun plek op het wereldtoneel nogal anders.

Wat voor Europese eendracht nodig is, schrijft Van Middelaar, is een ‘strategisch gesprek op het hoogste niveau over gedeelde doelen en belangen, over haar concrete plek in ruimte en tijd’. Het zal wel zijn. Maar het had geholpen als de Europa-watcher alvast een voorzet had gedaan. Hoe precies de eeuwige verdeeldheid tussen de lidstaten te overwinnen? Over welke gedeelde doelen en belangen kunnen ze het mogelijk eens worden?

Juist terwijl we snakken naar richtingaanwijzingen naar de voor ons weggelegde concrete plek in ruimte en tijd laat Van Middelaar ons achter in een zee van abstracties.